Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
het boekenonderzoek).
het boekenonderzoek).
het boekenonderzoek).
het betalingsverzuim).
Het verwijzingshof zal daarom ook moeten beslissen of het belopen van de boete aan belanghebbende is te wijten. Daarbij heeft te gelden dat pas van een dergelijk verwijt kan worden gesproken als het aan opzet of grove schuld van de aansprakelijkgestelde is te wijten dat te weinig belasting is geheven. [7] Het daarvoor door de ontvanger te leveren bewijs dient te voldoen aan de hiervoor in 4.6.1 omschreven maatstaf.”
3.Het geding in cassatie
eerste middelstelt belanghebbende dat het Hof de verwijzingsopdracht te eng heeft uitgelegd. Belanghebbende stelt dat het Hof de vragen die de Hoge Raad in de verwijzingsopdracht heeft gesteld had moeten behandelen. De Ontvanger is niet zelfstandig in hoger beroep of cassatie gegaan. Indien de Ontvanger van mening was dat haar stellingen niet zijn besproken dan had het op de weg van de Ontvanger gelegen op zelfstandig beroep in te dienen.
tweede middelstelt belanghebbende ten eerste dat hij om aanhouding van de inhoudelijke behandeling heeft verzocht en het Hof dat ten onrechte heeft afgewezen. De verwijzingsopdracht van de Hoge Raad was niet duidelijk zodat het uitstelverzoek had moeten worden toegewezen. Door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek heeft belanghebbende geen een eerlijk proces gehad, aldus belanghebbende. Ten tweede stelt belanghebbende dat de belastingschulden zijn verjaard. In repliek stelt belanghebbende echter dat er geen sprake is van verjaring.
derde middelstelt belanghebbende dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat de Ontvanger in beroep en in hoger beroep haar stellingen niet nadrukkelijk had prijsgegeven. Doordat de Ontvanger niet in (incidenteel) hoger beroep en niet in (incidenteel) beroep in cassatie is gegaan, stelt belanghebbende dat de Ontvanger haar (niet besproken) stellingen heeft prijsgegeven.
vierde middelstelt belanghebbende dat het Hof zijn standpunt over het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel niet heeft behandeld. Zo heeft het Hof verzuimd te oordelen of belanghebbende voor elk belastingtijdvak als bestuurder te goeder trouw heeft gehandeld en of belanghebbende alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden lag om tijdig te melden. Eveneens heeft het Hof niet geoordeeld dat het besluit van de Ontvanger tot aansprakelijkstelling van een niet-meldende of te laat meldende bestuur per definitie evenredig was.
eerste middelstelt de Staatssecretaris dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in eerdere instantie op basis van een deel van de argumenten van de Ontvanger geoordeeld heeft dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voor een deel van de door dat gerechtshof gegeven oordelen heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest aangegeven dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het verwijzingshof kan ook beslissen op basis van de eerder niet behandelde argumenten.
tweede middelvolgens de Staatssecretaris niet kan slagen. De stukken van de Ontvanger na verwijzing zijn voldoende duidelijk om daarop tijdig een verweer te kunnen voeren. Het Hof heeft verder de verjaring uitgebreid behandeld en geoordeeld dat de rechtsvorderingen tot betaling niet zijn verjaard.
derde middelstelt de Staatssecretaris dat het Hof een uitgebreide uitleg van het procesrecht heeft gegeven. Indien er niet nadrukkelijk en ondubbelzinnig eerder ingenomen standpunten worden ingetrokken en over die standpunten nog niet is geoordeeld, dan kunnen deze standpunten herleven indien het oordeel op de eerder wel gebruikte gronden als onvoldoende gemotiveerd wordt aangemerkt. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris terecht geoordeeld dat in dit geval aan die voorwaarden is voldaan.
vierde middelstelt de Staatssecretaris dat de opzet en/of grove schuld ter zake van de boete en het niet-melden van de betalingsonmacht niet meer ter discussie stond in de fase waarin de Hoge Raad zijn verwijzingsarrest wees. Volgens de Staatssecretaris staat daarom onherroepelijk vast dat er sprake is van opzet/grove schuld zodat niet rechtsgeldig gemeld kon worden.
4.Het wettelijk kader van het nationaal rechtelijke una via-beginsel
nemo debet bis vexari»). De keuze voor een van beide wegen dient op enig moment definitief te zijn; het kan niet zo zijn, dat als de ene weg uiteindelijk niet tot het opleggen van een sanctie leidt, de overheid het dan zonder meer nog eens langs de andere weg kan proberen. Artikel 5.4.1.5 regelt dit «
una-via» stelsel voor het geval, dat aanvankelijk voor de strafrechtelijke weg is gekozen. Besluit de officier van justitie een strafvervolging in te stellen, dan is de bestuursrechtelijke weg definitief afgesloten zodra het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. Een eventuele vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of niet-ontvankelijkheid van het OM doet de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete dus niet herleven. De bestuursrechtelijke weg is eveneens definitief afgesloten indien de officier van justitie een transactie aanbiedt en de overtreder deze aanvaardt. Dan is immers een sanctie opgelegd, en dient geen tweede sanctie voor hetzelfde feit meer mogelijk te zijn. Ziet de officier van justitie echter, anders dan wegens aanvaarding van een transactievoorstel, nog voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting af van strafvervolging, dan krijgt het bestuursorgaan alsnog de gelegenheid te beslissen of wel een bestuursrechtelijke sanctie wordt opgelegd.”
overtredingen art. 5:44 Awb Pro spreekt van dezelfde
gedraging. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 februari 2011 overwogen dat gelet op de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat aan de omstandigheid dat in de art. 5:43 en Pro 5:44 Awb uiteenlopende uitdrukkingen ("dezelfde overtreding" respectievelijk "dezelfde gedraging") worden gebezigd, geen betekenis toekomt en dat beide bepalingen doelen op "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr Pro. [14]
5.Dezelfde persoon
De enkele omstandigheid dat, naar in cassatie kan worden aangenomen, de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit bestuurder was van de in de tenlastelegging bedoelde [A] B.V. en (door middel van een andere B.V.) enig aandeelhouder was van [A] B.V, maakt de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet anders. Het kan wel in de rede liggen om zo’n omstandigheid te betrekken bij de straftoemeting.
Ook artikel 50 Handvest Pro verzet zich er niet tegen dat, voor zover sprake zou zijn van dezelfde feiten, strafrechtelijke vervolging wegens een belastingverzuim wordt ingesteld tegen een natuurlijke persoon nadat voor dat verzuim een definitieve fiscale sanctie is opgelegd aan een vennootschap met rechtspersoonlijkheid (vgl. HvJ EU 5 april 2017, zaak C-217/15 en C-350/15, ECLI:EU:C:2017:264 (Orsi en Baldetti), rechtsoverweging 17-23).”
6.Hetzelfde feit
aangiftein een aangiftebelasting, een zelfde feit betreft als de beboeting wegens een te lage
betalingvan die belasting, nog onbeantwoord is:
aangiftedelicten en dat het dus begrijpelijk is dat de Hoge Raad hier spreekt over het bewerkstelligen van een juiste belasting
heffing. Daarmee is nog niet gezegd dat de beboetbaarstelling van een
betalingsvergrijp ook strekt tot bescherming van dat rechtsgoed. Dat vergrijp lijkt op het eerste gezicht eerder te strekken tot het bewerkstelligen van een juiste belasting
inning. Het zou mij echter verbazen als de strafkamer van de Hoge Raad een dergelijk voor niet-fiscalisten fijnzinnig onderscheid voor ogen heeft gestaan. Bovendien, als de strafkamer van de Hoge Raad zich had willen inlaten met deze fiscale fijnzinnigheid, dan was het gestuit op de omstandigheid dat bij aangiftebelastingen de betaling op de aangifte nog onderdeel uitmaakt van de heffing. Die aangiftebelastingen voorzien immers in een ‘
Heffingvan belasting bij wege van
voldoening of afdrachtop aangifte’. [28]
the sky is the limit’ [29] . Ik zou aan de zwaarte van de wettelijke strafbedreiging daarom bij een vergelijking tussen bestuurlijke vergrijpboetes en de vervolging van stafrechtelijke misdrijven geen grote betekenis willen toekennen. Zou men dat wel doen, dan werd art. 5:44 Awb Pro al gauw een dode letter.
7.Het principale cassatieberoep van belanghebbende
8.Het incidentele beroep van de Staatssecretaris
tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 4 april 2011 tot en met 24 januari 2013, te Geleen en/of te Apeldoorn en/of te Neeritter (gemeente Leudal), in elk geval in Nederland, en/of te As (België), tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk, (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte(n) loonheffing(en),
over de tijdvak(ken) januari 2011 tot en met december 2012(DOC-002), onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen/ Belastingdienst Enschede, terwijl die feiten/dat feit er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan, dat in de (elektronische) aangifte(n) betreffende die
tijdvak(en) gelegen in de jaren 2011 en 2012(telkens) een te laag bedrag aan lo(o)n(en) en/of een te laag bedrag aan af te dragen loonheffing was vermeld, zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten (telkens) opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);”
tijdstippen in de periode vanaf 4 april 2011 tot en met 24 januari 2013in Nederland telkens opzettelijk, een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten
de aangiften loonheffing, over de tijdvakken januari 2011 tot en met december 2012(DOC-002), onjuist of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen, terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid telkens hierin bestaan, dat in de elektronische aangiften betreffende die
tijdvakken gelegen in de jaren 2011 en 2012 telkens een te laag bedrag aan loon en een te laag bedrag aan af te dragen loonheffing was vermeld, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);”