ECLI:NL:HR:2024:1370

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2024
Publicatiedatum
3 oktober 2024
Zaaknummer
23/04521
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 1:207 BW
Verwijzingen
8 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen belanghebbenschap vrouw bij vaderschapsvaststelling overleden man

In deze cassatieprocedure stond centraal of de vrouw als belanghebbende kon worden aangemerkt in een procedure waarin de zoon de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van haar overleden man verzocht. De vrouw was de enige erfgenaam en executeur-testamentair van de man.

De rechtbank wees het verzoek tot vaderschapsvaststelling toe en erkende de vrouw niet als belanghebbende. Het hof verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat zij slechts een afgeleid financieel belang had en geen rechtstreeks belang in de procedure.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat de kring van belanghebbenden bij vaderschapsvaststelling beperkt is tot de moeder, het kind en degene van wie het vaderschap wordt vastgesteld. Het vermogensrechtelijke belang van de vrouw als erfgenaam raakt niet rechtstreeks aan de procedure, waardoor zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het oordeel van het hof standhield.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vrouw geen belanghebbende is bij het verzoek tot vaderschapsvaststelling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer23/04521
Datum4 oktober 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: J.H.M. van Swaaij,
tegen
[de zoon],
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de zoon,
advocaat: J.P. van den Berg,
Belanghebbende:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna: de moeder,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/01/386961 / FA RK 22-4786 van de rechtbank Oost-Brabant van 2 maart 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.327.666/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2023.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De zoon heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie gaat het om de vraag of de vrouw als belanghebbende als bedoeld in art. 798 lid 1 Rv Pro kan worden aangemerkt in de procedure waarin de zoon de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van haar overleden man (hierna: de man) verzoekt (art. 1:207 BW Pro).
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De moeder van de zoon en de man hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben van 1989 tot juli 1992 samengewoond.
(ii) De zoon is in 1990 geboren. Hij is niet door de man of door een ander erkend.
(iii) De man is in 2022 overleden.
(iv) Ten tijde van het overlijden van de man was de vrouw zijn enige erfgenaam.
2.3
De rechtbank heeft het verzoek van de zoon tot vaststelling van het vaderschap van de man toegewezen. De rechtbank heeft de vrouw niet als belanghebbende aangemerkt.
2.4
In hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat zij als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro moet worden aangemerkt omdat zij als enige erfgenaam van de man en executeur-testamentair van zijn nalatenschap door de bestreden beschikking rechtstreeks in haar belangen wordt geraakt.
2.5
Het hof [1] heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het heeft daartoe overwogen:
“5.5. Appellante heeft een geregistreerd partnerschap/huwelijk gehad met de man en is zijn erfgenaam. (…) Appellante heeft alleen gesteld dat zij een financieel belang heeft bij het gerechtelijk vaststellen van het vaderschap van de man. Gezien het karakter van deze procedure is het hof van oordeel dat appellante daarmee geen rechtstreeks, maar slechts een afgeleid belang heeft bij het verzoek van [de zoon] in eerste aanleg. Appellante zal daarom niet worden aangemerkt als belanghebbende. Dit betekent dat zij het hof niet kan verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen. Gelet daarop zal het hof appellante niet-ontvankelijk verklaren.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel bestrijdt met diverse klachten het oordeel van het hof in rov. 5.5 dat de vrouw geen belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro in de procedure op het verzoek van de zoon tot vaststelling van het vaderschap van de man (art. 1:207 lid 1 BW Pro).
3.2
In zijn rechtspraak [2] heeft de Hoge Raad over het begrip belanghebbende in art. 798 lid 1 Rv Pro overwogen:
“3.4.3 Het vorenstaande betekent dat de door art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling (hierna elk van beide: betrokkene) als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid Pro 1, eerste volzin, Rv.”
3.3
De onderhavige zaak betreft de vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van de zoon en daarmee de vestiging van een afstammingsrelatie tussen de man en de zoon. De kring van personen die een daartoe strekkend verzoek kunnen doen, is in art. 1:207 lid 1 BW Pro beperkt tot de moeder en het kind. De kring van personen die geacht kunnen worden rechtstreeks bij de vaststelling van het ouderschap te zijn betrokken, beperkt zich tot de moeder, het kind en degene van wie verzocht wordt het ouderschap vast te stellen; buiten deze kring vallende personen zijn niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. [3] De vrouw behoort niet tot deze kring. De omstandigheid dat de vrouw als gevolg van de vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van de zoon wordt geraakt in haar vermogensrechtelijke belang als erfgenaam van de man leidt niet tot een ander oordeel. Dat betreft niet een belang waarop de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Daarop stuiten alle klachten van het middel af.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
4 oktober 2024.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2746.
2.HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, rov. 3.4.3. Zie ook HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, rov. 3.6.4 en HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1079, rov. 3.7.
3.Vgl. HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3641, rov. 3.4.3.