Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
4 oktober 2024.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond centraal of de vrouw als belanghebbende kon worden aangemerkt in een procedure waarin de zoon de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van haar overleden man verzocht. De vrouw was de enige erfgenaam en executeur-testamentair van de man.
De rechtbank wees het verzoek tot vaderschapsvaststelling toe en erkende de vrouw niet als belanghebbende. Het hof verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat zij slechts een afgeleid financieel belang had en geen rechtstreeks belang in de procedure.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat de kring van belanghebbenden bij vaderschapsvaststelling beperkt is tot de moeder, het kind en degene van wie het vaderschap wordt vastgesteld. Het vermogensrechtelijke belang van de vrouw als erfgenaam raakt niet rechtstreeks aan de procedure, waardoor zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het oordeel van het hof standhield.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vrouw geen belanghebbende is bij het verzoek tot vaderschapsvaststelling.