Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
19 november 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor opruiing, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, gericht tegen de toenmalige burgemeester van Rotterdam. Naast een voorwaardelijke gevangenisstraf legde het hof een vrijheidsbeperkende maatregel op, bestaande uit een gebiedsverbod van drie jaar rondom het stadhuis van Rotterdam en een contactverbod met de burgemeester.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het gebiedsverbod in strijd was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel hierover voldoende had gemotiveerd en dat de verdediging in hoger beroep zich op het oordeel van het hof had beroepen. Het cassatiemiddel dat het hof bepaalde concrete belangen van de verdachte had moeten meewegen, faalde omdat daarvoor geen feitelijke grondslag was.
De Hoge Raad wees tevens op de mogelijkheid sinds 1 januari 2023 om de inhoud van vrijheidsbeperkende maatregelen te wijzigen op verzoek van de veroordeelde, de officier van justitie of ambtshalve. De overige cassatieklachten werden verworpen zonder nadere motivering. Het beroep van de verdachte werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het gebiedsverbod en contactverbod tegen verdachte blijven gehandhaafd.