ECLI:NL:HR:2024:169

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
2 februari 2024
Zaaknummer
22/04940
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 77b SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen moord met 10 jaar gevangenisstraf

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van moord, gepleegd in 2019 te Amstelveen, waarbij hij meerdere keren met een vuurwapen op het hoofd en lichaam van het slachtoffer schoot. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren.

De verdachte voerde in cassatie aan dat op hem het minderjarigenstrafrecht van toepassing zou moeten zijn, aangezien hij ten tijde van het delict 17 jaar oud was. Dit verweer werd door de Hoge Raad getoetst aan artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Er was geen aanleiding om het minderjarigenstrafrecht toe te passen en de Hoge Raad zag geen noodzaak om de uitspraak nader te motiveren omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het vonnis van het gerechtshof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president V. van den Brink, voorzitter, en raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman op 5 maart 2024.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor medeplegen moord en handhaaft de gevangenisstraf van tien jaren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04940
Datum5 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2022, nummer 23-003060-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal M.L.C.C. Lückers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 maart 2024.