Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
19 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 maart 2023, waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde ontucht met zijn minderjarige pleegdochter. De verdachte stelde in cassatie onder meer klachten in over de innerlijke tegenstrijdigheid van de bewijsvoering met betrekking tot de pleegperiode en de redengevendheid van bewijsmiddelen die betrekking hadden op andere locaties dan de pleegplaats.
Daarnaast werd de vraag opgeworpen of het recht op immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106a of 6:106b van het Burgerlijk Wetboek. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht nader te motiveren.
Het beroep van de verdachte werd derhalve verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Van Strien en Posthumus, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Hart, tijdens een openbare terechtzitting op 19 november 2024.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.