ECLI:NL:PHR:2025:1309

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
24/01143
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in een zaak van eenvoudige mishandeling en wederrechtelijk binnendringen

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1995, bij arrest van 11 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor eenvoudige mishandeling en wederrechtelijk binnendringen in de woning van een ander. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van dertig dagen, met aftrek van voorarrest, en de vordering van de benadeelde partij, [aangever 1], werd toegewezen tot een bedrag van € 827,70, bestaande uit materiële en immateriële schade. De benadeelde partij had een schadevergoeding van € 650,00 voor immateriële schade aangevraagd. Het hof oordeelde dat de aard en ernst van de normschending meebrachten dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand lagen dat een aantasting in de persoon kon worden aangenomen. De verdachte heeft echter cassatie ingesteld, waarbij het middel zich richtte tegen de toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, M.E. van Wees, concludeert dat het hof de vordering tot vergoeding van immateriële schade niet voldoende heeft onderbouwd, aangezien er geen objectief waarneembaar letsel is vastgesteld. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor herbehandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01143
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 11 maart 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-003008-22) [1] wegens 1. “mishandeling” en 2. “in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de [aangever 1] toegewezen tot een bedrag van € 827,70 (bestaande uit € 177,70 aan materiele en € 650,00 aan immateriële schade) en in verband daarmee een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte heeft het hof beslist op een aantal vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke opgelegde straffen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel heeft betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde en klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de [aangever 1] en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 7 augustus 2022 te [plaats] [aangever 1] heeft mishandeld door hem meermalen, met kracht, tegen het gezicht, te stompen”.
2.3
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
1.
Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina's 3-4), voor zover als inhoudende de verklaring van [aangever 1] :
omschrijving aangifte: eenvoudige mishandeling
plaats delict: [a-straat 1] te [plaats]
pleegdatum/tijd: op zondag 7 augustus 2019 om 22:19 uur.
Vandaag op 7 augustus 2022 was ik bij een goede vriendin ‘op de koffie’. Dit was aan de [a-straat 1] te [plaats] . Mijn vriendin is [betrokkene 1] (
het hof begrijpt: roepnaam [betrokkene 1]). Omstreeks 22:15 uur heb ik het zoontje van [betrokkene 1] de fles gegeven en op bed gelegd. Toen ik hem in bed legde zag ik dat de deur van de kledingkast langzaam open ging. (...) Ik zag dat de ex-vriend van [betrokkene 1] uit de kast stapte. Ik herkende hem als ex van [betrokkene 1] , ik heb hem wel vaker gezien. (...) Ik hoorde hem zeggen: ‘blijf van mijn kind af’. (...) Ik zag dat hij zijn rechtervuist balde en zijn armspieren aanspande. (...) Hierna riep hij tegen mij dat ik het huis uit moest. Kort hierna zag en voelde ik dat hij mij met zijn gebalde rechter vuist hard tegen mijn rechter kaak sloeg. Ik voelde dat dit gelijk erg zeer deed. Vervolgens bleef hij mij met gebalde vuisten slaan.
2.
Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina’s 5-6), voor zover als inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] , adres [a-straat 1] te [plaats] :
Plaats delict: [a-straat 1] [plaats]
"Ik doe aangifte (--) tegen mijn ex, [verdachte] (
het hof begrijpt: [verdachte]).
Gisteravond, 7 augustus 2022, rond 22.00 kwam ik terug in mijn woning. (...) Rond 22.00 uur was ik dus thuis en kwam [verdachte] ineens uit de kast (
het hof begrijpt: in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats]). Een jongen (
het hof begrijpt: [aangever 1]) was een fles aan het geven aan ons kind (
het hof begrijpt: het kind van aangeefster en de verdachte).
(...)
Nu waren twee goede vrienden van mij, [aangever 1] (
het hof begrijpt: [aangever 1]) en [betrokkene 2] (
het hof begrijpt: [betrokkene 2]) in de woning. (...) Hij (
het hof begrijpt: de verdachte) heeft uiteindelijk [aangever 1] flink geslagen. [verdachte] heeft hem een aantal keer met zijn vuist geslagen.
3.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 augustus 2022 (dossierpagina’s 10-11), voor zover als inhoudende de verklaring van getuige [aangever 2] , adres [a-straat 1] te [plaats] :
Op zondag 7 augustus 2022, omstreeks 22.00 uur, ging ik samen met twee vrienden genaamd [betrokkene 2] (
het hof begrijpt: [betrokkene 2]) en [aangever 1] (
het hof begrijpt: [aangever 1]) mijn woning aan de [a-straat 1] (
hof: te [plaats]) binnen. (...) Ik zag dat [verdachte] (
het hof begrijpt: [verdachte]) uit de kast stapte. (...) [verdachte] werd boos en stapte op [aangever 1] af. Ik zag dat [verdachte] met een gebalde, rechter vuist richting het gezicht van [aangever 1] uithaalde (...) Ik zag dat de vuist van [verdachte] het gezicht van [aangever 1] raakte. Ik zag dat [verdachte] , [aangever 1] drie keer op deze wijze sloeg.
4.
Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 26 februari 2024, voor zover als inhoudende de verklaring van de verdachte ter terechtzitting:
Het klopt dat ik op 7 augustus 2022 omstreeks 22:15 uur in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] in de kast ben gaan zitten. Ik ben op een gegeven moment uit die kast gekomen en zag dat er meerdere mensen aanwezig waren in de woning
2.4
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’. Deze houdt onder meer in dat [aangever 1] verzoekt om een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 650,00 en dat “voor een toelichting op de immateriële schade” wordt verwezen naar een als bijlage 1 bij het verzoek gevoegd schadeonderbouwingsformulier. Dat formulier houdt onder meer het volgende in:
“Korte situatieschets
Benadeelde is door verdachte mishandeld. Hij is met kracht tegen zijn hoofd/kaak gestompt.
Letsel en gevolgen
Lichamelijk letsel
Ten gevolge van de klap tegen de kaak trad er een verdikking van de kaak op en een blauw/paarse verkleuring als gevolg van een bloeduitstorting. Ook had benadeelde pijn aan zijn kaak. Nog dezelfde avond/nacht heeft benadeelde de Huisartsenpost van het [A] ziekenhuis in [plaats] bezocht voor onderzoek. Daar werd geadviseerd om tegen de pijn pijnstilling te slikken. Benadeelde kon zijn mond niet goed openen en de pijn bleef aanhouden. Vooral de eerste week ging eten daarom moeizaam en moest benadeelde zich beperken tot vloeibaar voedsel. De pijn bleef aanhouden. Daarom heeft benadeelde na ongeveer twee weken zijn huisarts bezocht welke hem heeft doorverwezen naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis is een CT-scan gemaakt. Uit deze CT-bleek dat er een scheurtje in de rechterkant van zijn kaak zit. Dit scheurtje moet uit zichzelf herstellen. Daarom is er verder geen medische behandeling ingesteld.
Benadeelde merkt (december 2022) dat zijn kaak langzaam aan het herstellen is. Op sommige momenten doet het nog wel pijn en het kauwen van hard voedsel gaat nog niet.
Het is benadeelde niet gelukt om in het kader van dit verzoek tot schadevergoeding zijn medische gegevens omtrent zijn kaak op te vragen. Daarom verwijst hij hiervoor naar het strafdossier.
Psychische gevolgen
Benadeelde was zeer verbaasd toen verdachte ineens uit de kast tevoorschijn kwam. Nog verbaasder was hij toen hij ook nog is werd geslagen door verdachte terwijl hij de situatie tot bedaren probeerde te brengen. Hij was vooral bezig om de klappen af te weren.
De maandag na het weekend waarin het incident plaatsvond zou hij met een nieuwe baan beginnen. Hij voelde zich mentaal en fysiek niet in staat om te werken. Daarom heeft hij zich ziekgemeld. Hij kreeg echter de mededeling dat hij helemaal niet meer hoefde te komen. Hier baalde hij enorm van. Het heeft nog twee maanden geduurd voordat hij weer ander werk vond. Een ander bijkomend vervelend incident is dat verdachte (en familie van) hem onder druk heeft proberen te zetten om de aangifte in te trekken. Hier is benadeelde niet op ingegaan.
In de dagen na de gebeurtenis was benadeelde bang dat verdachte hem weer zou komen opzoeken of dat hij een ander op hem zou afsturen of zelfs laten vermoorden. Benadeelde is nog steeds bang dat hij verdachte tegen zal komen, vooral in [plaats] waar hij af en toe is vanwege zijn werkzaamheden.”
2.5
Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
“Vordering van de [aangever 1]
De [aangever 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 827,70. De vordering valt uiteen in de volgende posten:
(i.) Eigen risico zorgverzekering 2022 ad € 177,20
(ii.) Immateriële schade ad € 650,00
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De vordering is door de benadeelde partij gehandhaafd in het hoger beroep.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [aangever 1] ais gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 827,70, bestaande uit € 177,70 materiele schade en € 650,00 immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
(…)
Met betrekking tot de vordering, strekkende tot vergoeding van de immateriële schade ad € 650,00 merkt het hof op dat uit het dossier niet zonder meer kan volgen dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen. Naar het oordeel van het hof is er evenwel sprake van aantasting in de persoon van [aangever 1] , nu de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLl:NL:HR:2019:376).
Resumerend zal het hof de vordering toewijzen tot een bedrag van € 827,70, bestaande uit € 177,70 materiele schade en € 650,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [aangever 1] is toegebracht tot een bedrag van € 827,70. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van 16 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.”
2.6
Het bestreden arrest houdt verder, ten aanzien van de strafoplegging, nog het volgende in:
“Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij de woning van zijn voormalige partner wederrechtelijk is binnengedrongen. Daarnaast heeft de verdachte zich (in diezelfde woning) schuldig gemaakt aan de mishandeling van [aangever 1] . De verdachte heeft door zijn gedragingen niet alleen inbreuk gemaakt op het huisrecht van aangeefster, maar heeft ook inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [aangever 1] . Het hof neemt de verdachte zijn handelen kwalijk, nu hij hiermee heeft aangetoond geen respect te hebben voor zowel het huisrecht alsmede de lichamelijke integriteit van een ander. Daarbij neemt het hof in strafverzwarende zin mee dat de verdachte zich heeft gedragen als heer en meester in de woning van een ander. Zo heeft hij gezegd terwijl [aangever 1] het kindje de fles gaf: ”blijf van mijn kind af” (dossierpagina’s 3 en 4) en heeft hij volgens [betrokkene 2] gezegd (dossierpagina 14): “jullie blijven hier niet slapen. Dit mag niet van mij”. De tekst: “jullie blijven hier niet slapen” is ook gehoord door [aangever 2] (dossierpagina’s 10 en 11). Daarnaast is de mishandeling gepleegd in de nabijheid van een jong kind in een omgeving waarin het kind rust en veiligheid zou moeten ervaren.”
Het juridisch kader
2.7
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
2.8
In dit arrest wordt benadrukt dat bij de toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade vanwege een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ vooropstaat dat (naar objectieve maatstaven) kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel. Een aantasting in de persoon op ‘andere wijze’ is daarnaast “niet uitgesloten” als de aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen zulks rechtvaardigen. Dat wijst op een uitzonderingsgeval. [2] Voor dergelijke uitzonderingsgevallen geldt dat de benadeelde partij met concrete gegevens dient te onderbouwen waarom, ondanks het ontbreken van vastgesteld geestelijk letsel, toch sprake is van een toewijsbare vordering tot vergoeding van immateriële schade. “Slechts” – en dus wederom bij wijze van uitzondering – als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, mag die onderbouwing achterwege blijven. Het (‘dubbel’) uitzonderlijke karakter van deze laatste categorie is daarmee gegeven en komt ook tot uitdrukking in de rechtspraak van de Hoge Raad. Aan deze rechtspraak is geen algemene regel te ontlenen, maar een gevalsvergelijking kan wel richting geven aan het oordeel of van een dergelijke uitzondering sprake is.
2.9
Een eerste voorbeeld van een zaak waarin deze grond werd aangenomen betreft HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1496. In die zaak was de benadeelde partij verkracht door haar partner en tijdens die verkrachting door hem mishandeld. De Hoge Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde verkrachting meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd.
2.1
Een ander voorbeeld betreft HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012. In die zaak waren de benadeelde partij en zijn vriendin door de verdachte en zijn mededaders in hun woning overvallen, waarbij zij waren vastgebonden, hun monden waren vastgeplakt en beiden met een vuurwapen waren bedreigd, terwijl de benadeelde partij een klap in zijn nek had gekregen en bedreigd was met het afsnijden van zijn penis. Het mede daarop gebaseerde oordeel van het hof dat op intimiderende wijze een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van benadeelde en dat daardoor sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
2.11
Voorts kan worden gewezen op HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1696. In die zaak had de verdachte zich gedurende een periode van bijna drie jaren meerdere keren schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn toen 14- en 15-jarige dove pleegkind, waarbij sprake was van seksueel binnendringen. Het hof had overwogen dat de verdachte, in een situatie waarin dit zeer kwetsbare slachtoffer aan zijn zorg was toevertrouwd, misbruik heeft gemaakt van deze afhankelijkheidspositie, terwijl het slachtoffer zich, in het bijzonder als pleegkind, juist veilig en beschermd had behoren te voelen in het gezinsverband waarin zij was opgenomen. In mijn conclusie voorafgaand aan het arrest schreef ik dat in ‘s hofs overwegingen als zijn – niet onbegrijpelijke en toereikend gemotiveerde – oordeel besloten lag dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van de in art. 6:106 sub b BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. De Hoge Raad deed de zaak af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
2.12
Ik wijs verder nog op de (civiele) zaken die leidden tot HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 en HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213. [3] In de eerstgenoemde zaak hadden de benadeelden door oudejaarsrellen een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie verkeerd, waarbij zij tevergeefs hadden moeten wachten op bijstand en hulp van de politie. Bij zijn oordeel dat immateriële schade kon worden toegewezen had de rechtbank zwaar laten wegen dat juist in een dergelijke situatie de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot hun lijf en goed voor de benadeelden zeer waren toegenomen door het uitblijven van een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie waarop zij in de gegeven omstandigheden hadden mogen rekenen. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank, op grond van de aard en de ernst van deze nalatigheid, heeft kunnen oordelen dat van aantasting van de persoon sprake is geweest. [4]
2.13
In de tweede zaak was de benadeelde door verwijtbaar handelen van de verloskundige de mogelijkheid ontnomen te kiezen voor het voorkomen van de geboorte van een ernstig gehandicapt kind. Een zo ingrijpende aantasting van een zo fundamenteel recht, zo oordeelde de Hoge Raad, moet worden aangemerkt als een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW, zonder dat nodig is dat geestelijk letsel is vastgesteld. [5]
2.14
In de categorie van zaken waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand liet dat sprake is van een uitzonderingsgeval als hier aan de orde, vermeld ik ten slotte twee zaken die door de Hoge Raad zijn afgedaan met art. 81 lid 1 Wet RO. In HR 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:951 was de verdachte veroordeeld voor een poging tot moord door te schieten op een slachtoffer dat zich achter een raam bevond en daarna weer te schieten toen de verdachte achter het vluchtende slachtoffer aan rende. Het hof kende het slachtoffer een vergoeding voor immateriële schade toe. AG Hofstee las het arrest zo dat het hof daarbij een geval voor ogen had waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Volgens Hofstee stond het buiten kijf dat een poging tot moord, waarbij de benadeelde partij rennend voor zijn leven is achtervolgd en beschoten met een vuurwapen, een dergelijk geval is. [6]
2.15
De andere zaak is HR 4 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1624. In de zaak die ten grondslag lag aan dit arrest was een jong meisje van twee jaar in opdracht van haar vader onttrokken aan het gezag van haar moeder door het meisje met geweld weg te rukken uit de armen van haar grootmoeder en mee te nemen naar India. Daarna was vrijwel alle contact met de moeder verbroken. De moeder eiste namens haar kind vergoeding van immateriële schade van een van de medeplegers. Het hof wees deze vordering toe en overwoog daarbij dat sprake is van een normschending die naar haar aard en ernst meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor het kind zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen. In mijn conclusie voorafgaand aan dit arrest achtte ik dit oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, waarbij ik ten eerste in aanmerking nam dat het hof had vastgesteld dat “zonder terughoudendheid” kan worden aangenomen dat de beleving van veiligheid en geborgenheid van het kind nadelig moet zijn beïnvloed en ten tweede dat het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking had gebracht dat sprake is van een (zeer) ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het kind en dat (daarmee) op ernstige wijze en in forse mate (direct) (fundamentele) persoonsbelangen waren geschonden. [7]
2.16
Een geval waarin de Hoge Raad een soortgelijk oordeel van het hof daarentegen niet voldoende achtte was HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1148. In die zaak had de verdachte met zijn auto op de pui van een daklozenopvang ingereden. Het hof had geoordeeld dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband door de benadeelde partij ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, waarbij hij mede in aanmerking nam dat uit de vaststellingen van het hof bleek dat de benadeelde partij zich niet in de leefruimte achter de pui bevond op het moment dat de verdachte op die pui inreed.
De bespreking van het middel
2.17
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich in een kast in het huis van zijn ex-partner verborgen hield en dat hij, op het moment dat [aangever 1] het zoontje van de verdachte en diens expartner in de betreffende slaapkamer naar bed bracht, uit die kast tevoorschijn kwam en [aangever 1] meerdere malen met gebalde vuist tegen zijn gezicht heeft gestompt. Daarmee heeft hij, zo overweegt het hof, inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [aangever 1] .
2.18
Het hof overweegt verder dat, hoewel “uit het dossier niet zonder meer kan volgen dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen”, sprake is van een aantasting in de persoon van [aangever 1] , “nu de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen”. Mede gelet op de verwijzing van het hof naar het standaardarrest dat ik onder 2.7 heb geciteerd, ligt in deze overweging het oordeel van het hof besloten dat de benadeelde partij de aantasting in zijn persoon niet voldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd. Het hof stelt ook niets vast over dergelijke gegevens.
2.19
Het oordeel van het hof dat desondanks sprake is van aantasting van zijn persoon ‘op andere wijze’ acht ik niet zonder meer begrijpelijk, gelet op het uitzonderlijke karakter van deze door het hof aangenomen grond en tegen de achtergrond van de aard en ernst van de normschendingen die aan de orde zijnde in de onder 2.9-2.15 weergegeven arresten. In al die gevallen ging het om zware inbreuken op fundamentele rechten waarbij de grote gevolgen evident zijn. Zonder dit feit te willen bagatelliseren, kan dat niet zonder meer worden gezegd van een eenvoudige mishandeling waarbij geen lichamelijk letsel is vastgesteld.
2.2
Het middel slaagt.

3.Afronding

3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’sHertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Zo AG Hofstee in zijn conclusie van 29 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:286, randnr. 15.
3.Ook deze zaken vormen volgens de Hoge Raad – zo begrijp ik uit HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.4.5 (voetnoot 16) – gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
4.HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, rov. 3.11.
5.HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213, rov. 4.8.
6.AG Hofstee, ECLI:NL:PHR: 2024:533, randnrs. 47-50.