Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
26 november 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) in een vervolging wegens vernieling van goederen die toebehoren aan de aangeefster. De verdachte en aangeefster zijn volgens islamitische wetgeving gehuwd, maar niet volgens het Nederlandse recht. De verdediging voerde aan dat de verdachte als echtgenoot in de zin van art. 316 Sr Pro moet worden aangemerkt, waardoor vervolging zonder klacht uitgesloten zou zijn.
Het hof verwierp dit verweer omdat het huwelijk niet volgens Nederlandse wet was gesloten en er geen sprake was van samenwoning of scheiding van tafel en bed. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat alleen huwelijken gesloten volgens Boek 1, Titel 5 BW, geregistreerd partnerschap of rechtsgeldig erkende buitenlandse huwelijken onder art. 316 Sr Pro vallen.
De Hoge Raad overweegt dat de vervolgingsuitsluitingsgrond een uitzondering is op de vervolgingsvrijheid van het OM en dat de wettelijke regeling een duidelijke en werkbare begrenzing biedt die rechtszekerheid dient. De klacht over ongelijke behandeling van islamitisch gehuwden wordt verworpen. Tevens constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar ziet geen aanleiding tot andere rechtsgevolgen dan de constatering.
Het beroep wordt verworpen en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling van de strafoplegging. De uitspraak is gewezen door vice-president V. van den Brink en raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte niet als echtgenoot in de zin van art. 316 Sr geldt en verklaart het OM ontvankelijk in vervolging wegens vernieling.