ECLI:NL:HR:2024:1882
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over box 3-heffing en verwijst zaak terug
Belanghebbende was het niet eens met de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2017 tot en met 2019, waarin het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) werd vastgesteld. Het Hof Den Haag had het beroep van belanghebbende afgewezen en de aanslagen verminderd tot het niveau van daadwerkelijk genoten rente- en dividendinkomsten, waarbij ongerealiseerde waardestijgingen van aandelen, obligaties en een tweede woning buiten beschouwing waren gelaten.
Belanghebbende stelde onder meer dat de uitkering wegens overlijdensschade niet tot de rendementsgrondslag mag worden gerekend en dat de heffing in strijd is met het Eerste Protocol bij het EVRM. Het Hof verwierp deze klachten en oordeelde dat de wetgever terecht geen uitzondering maakte voor schadevergoedingen en dat de heffing niet in strijd is met het EVRM.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof over ongerealiseerde waardestijgingen niet standhoudt en verwees naar een eerder arrest waarin werd bepaald dat deze waardestijgingen wel moeten worden meegenomen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
De klachten van belanghebbende tegen andere aspecten van het arrest werden ongegrond verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het incidentele beroep van belanghebbende af, terwijl het beroep van de Staatssecretaris gegrond werd verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor nadere behandeling.