ECLI:NL:HR:2024:1788
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bepaalt werkelijke rendement box 3 inclusief ongerealiseerde waardeveranderingen en nadere investeringen
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de box 3-heffing van belanghebbende over 2019. Belanghebbende had een tweede woning en een aandeel in een VvE, waarbij het hof het werkelijk behaalde rendement had vastgesteld zonder rekening te houden met ongerealiseerde waardestijgingen van de woning en met een beperkt rendement op het VvE-aandeel.
De Hoge Raad stelt vast dat ongerealiseerde waardeveranderingen van onroerende zaken, zoals een woning, wel degelijk tot het werkelijke rendement behoren en dat de waardering moet plaatsvinden volgens de Wet WOZ, met een t-1-berekening. Nadere investeringen in de woning die leiden tot verbetering of uitbreiding worden niet als rendement beschouwd, maar als eigen inbreng, tenzij sprake is van onderhoud. Het voordeel van eigen gebruik wordt niet meegenomen vanwege het ontbreken van een wettelijke regeling.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de vermindering van de aanslag betreft en stelt zelf het werkelijke rendement vast op basis van rente, waardestijging van de woning en rendement op het VvE-aandeel. Dit leidt tot een lager belastbaar inkomen dan door de Inspecteur op grond van de Herstelwet was vastgesteld. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd. De Hoge Raad wijst proceskosten af.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2019 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €746 voor belanghebbende.