Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
5 maart 2024.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door de betrokkene, veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen met GBL voor de bereiding van GHB.
In de strafzaak was bewezenverklaard dat de betrokkene GBL voorhanden had gehad, maar niet expliciet dat hij GBL verkocht of afleverde. Het hof stelde echter vast dat deze handelingen materieel bewezen waren en gebruikte dit als basis voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging betoogde dat het hof hiermee miskend had wat de strafrechter bewezen had verklaard.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring juist had geïnterpreteerd: de verkoop en aflevering waren niet in de bewezenverklaring opgenomen omdat dit voor de kwalificatie niet relevant was, maar wel vastgesteld. De schatting van het voordeel was niet onbegrijpelijk en niet in strijd met de onschuldpresumptie.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidt tot een vermindering van de betalingsverplichting van €38.694 naar €34.825. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €34.825 wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het beroep voor het overige.