Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 maart 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd vrijgesproken van computervredebreuk op de website van een huisartsenpost. De tenlastelegging hield in dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk in een gedeelte van een geautomatiseerd werk, te weten de website van de huisartsenpost, was binnengedrongen.
Het hof oordeelde dat een website als zodanig geen geautomatiseerd werk is, omdat het slechts een samenstel van gegevens betreft zonder fysieke vorm of inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen. Dit oordeel is gebaseerd op de wettelijke definitie van geautomatiseerd werk in art. 80sexies Sr (oud) en eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad benadrukt dat het begrip geautomatiseerd werk ziet op fysieke apparaten of inrichtingen en niet op onstoffelijke zaken zoals websites. Ook de klacht dat de website moet worden gezien als de inrichting die de functionaliteit van de website in stand houdt, faalt. Daarmee blijft de vrijspraak in stand omdat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat een website geen geautomatiseerd werk is in de zin van art. 138ab Sr.