ECLI:NL:RBZWB:2024:4976
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het in stand houden van een ten onrechte afgegeven middelingsbeschikking inkomstenbelasting
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een middelingsbeschikking voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2016 tot en met 2018, omdat deze ten onrechte was afgegeven voordat de onderliggende aanslagen onherroepelijk vaststonden. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen en het beroep is vervolgens aan de rechtbank voorgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de middelingsbeschikking inderdaad voorbarig is afgegeven, maar oordeelt dat het in stand houden van deze beschikking geen nadeel oplevert voor belanghebbende. Dit omdat belanghebbende geen hoger bedrag aan middelingsvoordeel vordert en de inspecteur heeft toegezegd dat bij onherroepelijke aanslagen een eventuele aanvullende teruggave ambtshalve zal worden verleend.
Belanghebbende heeft ook een dwangsomverzoek ingetrokken en een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. De rechtbank constateert een termijnoverschrijding van circa zeven maanden, maar wijst de schadevergoeding af vanwege het geringe financiële belang en het feit dat belanghebbende bij toewijzing van zijn standpunt juist financieel nadeel zou ondervinden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 18 juli 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het in stand houden van de ten onrechte afgegeven middelingsbeschikking wordt ongegrond verklaard.