ECLI:NL:HR:2024:945

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
23/01969
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 3 Wet WOZArt. 17 lid 4 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat omzetbelasting niet altijd tot vervangingswaarde WOZ behoort bij onroerend goed in aanbouw

Het arrest van de Hoge Raad betreft een geschil tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag en belanghebbende over de vaststelling van de WOZ-waarde van een hotel in aanbouw en de vraag of de omzetbelasting die aan de eigenaar in rekening wordt gebracht, onderdeel uitmaakt van de vervangingswaarde.

Het college stelde dat volgens artikel 17, lid 4, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de omzetbelasting altijd tot de vervangingswaarde behoort, ook als de eigenaar deze belasting kan aftrekken van zijn omzetbelasting. Het gerechtshof Den Haag had dit standpunt verworpen en het college stelde hiertegen beroep in cassatie in.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het standpunt van het college onjuist is. De omzetbelasting behoort niet altijd tot de vervangingswaarde als de eigenaar deze kan verrekenen. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad het college in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op €5.907 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 28 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van het college wordt ongegrond verklaard en de omzetbelasting die aftrekbaar is, behoort niet tot de vervangingswaarde van het onroerend goed in aanbouw.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/01969
Datum28 juni 2024
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 maart 2023, nr. BK-22/00616 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/5472) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020.

1.Geding in cassatie

1.1
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door K.A.G.M. Domen, heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 20 oktober 2023 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2] Zowel het College als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klacht

De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 17, lid 4, van de Wet waardering onroerende zaken aldus moet worden uitgelegd, dat de aan de eigenaar van een gebouwd eigendom in aanbouw in rekening te brengen omzetbelasting steeds tot de (gecorrigeerde) vervangingswaarde van die onroerende zaak behoort, ook als de eigenaar deze belasting in aftrek kan brengen op de door hem verschuldigde omzetbelasting. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat dit standpunt onjuist is. [3] De daartegen gerichte klacht faalt.

3.Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 5.907 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2024.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag wordt een griffierecht geheven van € 548.

Voetnoten

2.ECLI:NL:PHR:2023:943, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2023:979.
3.Zie HR 28 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:812.