Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door K.A.G.M. Domen, heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Hoge Raad
Het arrest van de Hoge Raad betreft een geschil tussen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag en belanghebbende over de vaststelling van de WOZ-waarde van een hotel in aanbouw en de vraag of de omzetbelasting die aan de eigenaar in rekening wordt gebracht, onderdeel uitmaakt van de vervangingswaarde.
Het college stelde dat volgens artikel 17, lid 4, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de omzetbelasting altijd tot de vervangingswaarde behoort, ook als de eigenaar deze belasting kan aftrekken van zijn omzetbelasting. Het gerechtshof Den Haag had dit standpunt verworpen en het college stelde hiertegen beroep in cassatie in.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het standpunt van het college onjuist is. De omzetbelasting behoort niet altijd tot de vervangingswaarde als de eigenaar deze kan verrekenen. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad het college in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op €5.907 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en op 28 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van het college wordt ongegrond verklaard en de omzetbelasting die aftrekbaar is, behoort niet tot de vervangingswaarde van het onroerend goed in aanbouw.