Conclusie
1.Inleiding en overzicht
waardering op grond van de Wet WOZvan een
hotel in aanbouw. De Wet WOZ kent in art. 17(4) Wet WOZ een specifiek waarderingsvoorschrift voor de waardering van een gebouwd eigendom in aanbouw, namelijk waardering op de
vervangingswaardeals bedoeld in art. 17(3) Wet WOZ. Het geschil spitst zich toe op de vraag hoe met de
component omzetbelastingmoet worden omgegaan bij die waardering. Hof Amsterdam en Hof Den Haag hebben die vraag verschillend beantwoord. Het verschil in antwoord is terug te voeren op een verschil in uitleg van art. 17(4) Wet WOZ en in dat kader weer vooral op een verschil in betekenis dat wordt toegekend aan enerzijds uitlatingen in de wetsgeschiedenis en anderzijds de wettekst en wetsgeschiedenis.
zaaksoverstijgend belangvan het voorliggende geschilpunt moge – gelet op de
tegenstrijdige uitsprakenen de omstandigheid dat het gaat om een
uitlegkwestie– duidelijk zijn. De kwestie is bovendien niet alleen van belang voor de WOZ-waardering van hotels in aanbouw, maar meer in het algemeen voor de WOZ-waardering van
courante objecten in aanbouw, dus zelfs voor woningen in aanbouw. Voor incourante objecten in aanbouw speelt de kwestie in die zin niet dat – als ik het goed overzie – onomstreden is hoe daarvoor met de component omzetbelasting moet worden omgegaan.
Onderdeel 2gaat in op art. 17 Wet Pro WOZ. Na kort art. 17(2) Wet WOZ behandeld te hebben (2.2-2.5), komt relatief uitgebreid art. 17|(3) Wet WOZ aan bod (2.6-2.16), omdat art. 17|(4) Wet WOZ het begrip vervangingswaarde “bedoeld in het derde lid” hanteert. Vervolgens geef ik de invoering en totstandkomingsgeschiedenis van art. 17(4) Wet WOZ (2.17-2.26) weer, waaronder uitlatingen die zijn gedaan in de nota naar aanleiding van het verslag (de Nota-uitlatingen) die een belangrijke plaats innemen in de beschouwing.
Onderdeel 3behandelt kort de verhouding tussen de waarde in het economisch verkeer en de (gecorrigeerde) vervangingswaarde.
Onderdeel 4bevat informatie over de wijze van behandeling van de component omzetbelasting bij waardering op vervangingswaarde in het kader van toepassing van art. 17(3) Wet WOZ (en zijn voorgangers).
Onderdeel 5geeft een overzicht van verscheidene opvattingen over diezelfde kwestie, maar dan in het kader van de toepassing van art. 17(4) Wet WOZ.
onderdeel 6geef ik mijn beschouwing.
De kernis dat ik het eens ben met de opvatting van Hof Den Haag dat de jurisprudentie die gewezen is in het kader van toepassing van art. 17(3) Wet WOZ (en zijn voorgangers) ook leidend is voor de wijze van behandeling van de component omzetbelasting bij waardering op vervangingswaarde in het kader van de toepassing van art. 17(4) Wet WOZ. Die jurisprudentie houdt in dat, kort gezegd, tot het offer (de vervangingskosten) niet behoort de ter zake van vervangingskosten in rekening gebrachte omzetbelasting voor zover de eigenaar die omzetbelasting in aftrek kan brengen in het kader van toepassing van de Wet OB; de aarde en (markt)kenmerken van het te waarderen object zijn in dat kader niet relevant (6.2-6.4). De Nota-uitlatingen gaan uit voor een andere maatstaf voor de behandeling van de component omzetbelasting, maar ik meen dat deze uitlatingen niet leidend zijn voor de uitleg van art.17(4) Wet OB. Dit is gebaseerd op het volgende:
welkwaardebegrip van art. 17(3) Wet WOZ een-op-een wordt aangesloten (6.11), en (ii) dit punt van onduidelijkheid is niet relevant voor de omzetbelastingkwestie (6.12). Nu een-op-een aangesloten wordt bij de ‘vervangingswaarde’ in art. 17(3) Wet WOZ, is de subjectieve omzetbelastingpositie van de eigenaar bepalend voor de behandeling van de component omzetbelasting bij de waardering op vervangingswaarde (6.13).
2.Art. 17 Wet Pro WOZ algemeen
geenverkrijger kan worden gevonden die een bedrag wil betalen dat aan die toets voldoet, is sprake van een incourante onroerende zaak waarvoor de gecorrigeerde vervangingswaarde geldt:
3.Verhouding waarde in het economisch verkeer en gecorrigeerde vervangingswaarde
hogeruitvalt dan de WEV (en dat dit ook het geval is in HR BNB 2007/155 en HR BNB 2007/157), maar dat evengoed de gecorrigeerde vervangingswaarde
lagerkan uitvallen dan de WEV als gevolg van de omstandigheid dat op de eigenaar de omzetbelasting niet drukt.
4.De rol van omzetbelasting bij de waardebepaling; algemeen
Opvattingen over de behandeling van omzetbelasting bij toepassing van art. 17(4) Wet WOZ
[hier: 2.20, 2.21 en 2.24; MP]vermelde wetgeschiedenis. In deze wetsgeschiedenis is toegelicht dat de wetgever met de introductie van het vierde lid een voor de praktijk eenvoudiger toepasbaar waarderingsvoorschrift voor onroerende zaken in aanbouw heeft willen introduceren dan voorheen gold, door het waarderingsvoorschrift vervangingswaarde toe te passen voor alle gebouwde eigendommen in aanbouw (zowel woningen als niet-woningen) en daarbij praktisch toepasbare waarderingsregels heeft willen geven (schatting van verwachte stichtingskosten en het voortgangspercentage). Voorts blijkt uit deze wetsgeschiedenis, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, dat bij de waardebepaling ingevolge het vierde lid niet één op één aansluiting is gezocht met het begrip ‘(gecorrigeerde) vervangingswaarde’ uit het derde lid; ook in gevallen waarin de vervangingswaarde niet hoger (dan wel lager) is dan de waarde in het economische verkeer, dient – anders dan bij toepassing van het derde lid – bij gebouwde eigendommen in aanbouw de waarde te worden vastgesteld op de vervangingswaarde.
[hier: 2.24; MP]weergegeven passage uit de nota naar aanleiding van het verslag over de invloed van omzetbelasting op de vast te stellen waarde dat in zoverre – bij de toets van hetgeen (in de bewoordingen van de wetsgeschiedenis) ‘normaal’ is – moet worden aangesloten bij de waardebepaling die zou gelden bij gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming. In deze passage is daarbij expliciet aangegeven dat dit voor woningen én voor courante niet-woningen in aanbouw betekent dat deze dienen te worden gewaardeerd op de vervangingswaarde inclusief omzetbelasting. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit deze tekstpassage ondubbelzinnig dat de waardering inclusief omzetbelasting wordt voorgeschreven voor alle courante niet-woningen in aanbouw. De volledige tekst van het relevante citaat (…) luidt (…): “Dit betekent dat woningen en courante niet-woningen in aanbouw, die zonder de status van 'in aanbouw' zouden worden gewaardeerd op grond van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, worden gewaardeerd inclusief omzetbelasting.” Gelet op de komma na de beide genoemde categorieën heeft de wetgever met de na de komma opgenomen zinsnede een constatering willen weergeven (en geen voorwaarde willen stellen), namelijk dat deze categorieën onroerende zaken na de voltooiing van de bouw op de voet van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ op de waarde in het economische verkeer (inclusief omzetbelasting) zullen worden gewaardeerd. Dit blijkt ook uit de erop volgende volzin, waarin vervolgens alleen nog de categorie incourante niet-woningen wordt besproken.
6.Beschouwing
nietworden gebaseerd dat voor het begrip ‘vervangingswaarde’ in het vierde lid
nieteen-op-een aansluiting is gezocht met het begrip ‘vervangingswaarde’ in het derde lid. Dit dus nog los van de wettekst waaruit naar mijn mening duidelijk volgt, gelet op het gebruik van “bedoeld in het derde lid”, dat de wetgever wél een-op-een heeft willen aansluiten bij het waardebegrip ‘vervangingswaarde’ in het derde lid.
welkwaardebegrip ‘vervangingswaarde’ in het derde lid een-op-een wordt aangesloten, namelijk de vervangingswaarde sec dan wel de gecorrigeerde vervangingswaarde. Dat punt van onduidelijkheid gaat dus in wezen om de kwestie of ook correcties wegens technische en functionele veroudering toepassing kunnen vinden bij waardering op vervangingswaarde op grond van art. 17(4) Wet WOZ.
interpretatievan art. 17(4) Wet WOZ duidelijk is. Niet ontkend kan immers worden dat de Nota-uitlatingen uitgaan van een andere maatstaf. Dat de Nota-uitlatingen onduidelijkheid oproepen over de interpretatie, brengt echter niet mee dat de wettekst en de wetssystematiek onduidelijk zijn.
dat begripin
dat artikellid. Zo bezien zijn de Nota-uitlatingen niet zozeer een bron voor interpretatie, maar geven zij vooral een opvatting weer over hoe met de component omzetbelasting moet worden omgegaan bij waardering op basis van het reeds bestaande waardebegrip vervangingswaarde. Als de staatssecretaris dan bij die opvatting uitgaat van een onjuiste interpretatie c.q. toepassing van dat reeds bestaande begrip (waaronder begrepen het nemen van een verkeerde afslag [67] ), is er geen aanleiding om wezenlijke betekenis toe te kennen aan de uitlatingen.
datartikellid, komt aan de Nota-uitlatingen daarom geen bijzondere betekenis toe bij de uitleg en toepassing van het begrip ‘vervangingswaarde’ in art. 17(4) Wet WOZ. Opmerking verdient daarbij dat weliswaar het nieuwe van art. 17(4) Wet WOZ is dat de vervangingswaarde specifiek voor de waardering van gebouwde eigendommen in aanbouw wordt voorgeschreven, maar dit roept geen nieuwe vragen op met betrekking tot de kwestie van hoe met de component omzetbelasting wordt omgegaan
in het kader van de waardering op vervangingswaarde. Dat hangt immers af van de omzetbelastingpositie van de eigenaar en staat los van het te waarderen object (6.4), dus ook los van de vraag of al dan niet sprake is van object in aanbouw. [69]
willenafwijken, maar zonder de tekst van art. 17(4) Wet WOZ daartoe aan te passen, is namelijk sprake van een situatie die naar mijn mening niet anders moeten worden behandeld dan de situatie in het ex-warrant-arrest [70] : de wettekst kan niet zo worden uitgelegd zoals deze welbewust nu juist niet is geformuleerd.
nietduidelijk richting een
andereuitleg dan die welke uit de wettekst en wetssystematiek voortvloeit.
de redenvoor invoering van dat voorschrift. De reden voor invoering van een waardevoorschrift en de strekking van dat waardevoorschrift kunnen weliswaar verweven zijn, maar ze zijn wel te onderscheiden. Ten tweede, ik zie geen aanwijzingen in de wetsgeschiedenis dat de strekking van het waardebegrip in art. 17(4) Wet WOZ anders is dan de strekking van dat waardebegrip in art. 17(3) Wet WOZ (en de voorgangers ervan). Zo past in elk geval de omschrijving “de grondwaarde plus de stichtingskosten van de onroerende zaak” (2.20) in elk geval prima bij de oorspronkelijke omschrijving “het offer dat nodig is om een bepaald object weer in dezelfde staat aan te schaffen of te vervaardigen” (bijv. 2.11).