Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
28 juni 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie betreffende klachten die samenhangen met het opzegverbod tijdens ziekte, zoals geregeld in artikel 7:670 BW Pro. De Hoge Raad verwijst voor het geding in de feitelijke instanties naar eerdere uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep moet worden verworpen, en de Hoge Raad volgt dit advies. De klachten van verzoeker leiden niet tot vernietiging van de beschikking van het hof. De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om een motivering te geven, omdat de beoordeling niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad besluit het beroep te verwerpen en veroordeelt verzoeker in de kosten van het geding in cassatie, begroot op een totaal van €2.657,--, vermeerderd met wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen voldaan. De beschikking is gegeven door de vicepresident als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.