Conclusie
[verzoeker]respectievelijk
de Staat.
VNP. [1] Zijn gezin blijkt moeite te hebben daar te aarden. [verzoeker] meldt dit bij zijn werkgever, waarna gesprekken ontstaan over zijn ‘commitment’, terugkeer naar Nederland en beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] is het niet eens met de voorstellen die hem worden gedaan.
het Gerecht) een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Het Gerecht wijst dat verzoek toe en ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 september 2022. In hoger beroep bevestigt het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna:
het hof) deze beschikking. Het oordeelt dat [verzoeker] geen beroep toekomt op het opzegverbod tijdens arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, omdat zijn arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen ná de datum van het ontbindingsverzoek. Bij de gemaakte beoordeling voert het hof een weging van de omstandigheden uit: verklaringen van de bedrijfsarts tegenover twee verklaringen van de huisarts van [verzoeker] en verschillende van [verzoeker] zelf.
2.Feiten
VUBZK). Op de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard.
till the next control on 7/12/2021’. [13] Naar aanleiding daarvan heeft [betrokkene 1] op 23 november 2022 aan [verzoeker] aangekondigd dat hij een telefoontje zou krijgen van de bedrijfsarts uit Nederland.
work relation”. Er worden drie mediationsessies gehouden. Uit het mediationverslag van 1 februari 2022 blijkt dat tijdens de laatste sessie partijen is voorgehouden dat er drie opties op tafel liggen: (i) terugkeer naar de werkvloer, (ii) stoppen met mediation en (iii) samen met de mediator mogelijkheden onderzoeken tot beëindiging van de werkrelatie en op welke wijze een dergelijke variant ingevuld zou moeten worden. Op 27 januari 2022 laat [verzoeker] weten optie (iii) te willen onderzoeken en vraagt hij de Staat een voorstel te doen.
beëindigen werkrelatie en hoe daaraan invulling te geven.” Direct daarna worden de mediationsessies voortgezet, elf in het totaal. De laatste sessie vindt plaats op 26 maart 2022. Tussen partijen wordt geen overeenstemming bereikt.
door ziekteniet volledig heeft gewerkt 17 mei 2022 is.
nu niet belastbaar is met werkzaamheden.” [20]
3.Procesverloop
cursiveringenin origineel;
onderstrepingendoor mij toegevoegd). Ik citeer voorafgaand rov. 3.13.
Er geldt geen opzegverbod
constatering van de bedrijfsarts dat de eerste werkdag waarop de werknemer door ziekte niet volledig heeft gewerkt 17 mei 2022 was. Het opzegverbod geldt dus niet omdat de ziekte een aanvang heeft genomen na ontvangst van het verzoek tot ontbinding.
"Conflict zonder medische beperkingen en zonder interventieperiode", 2.
"Conflict zonder medische beperkingen, maar met een escalatiekans die dusdanig wordt ingeschat dat een advies voor een interventieperiode aan de orde is"en 3.
"Conflict in combinatie met medische beperkingen".
Dat de huisarts van de werknemer een verklaring heeft afgegeven waarin staat dat hij arbeidsongeschikt is tot 7 december 2021, maakt het bovenstaande evenmin anders. Arbeidsongeschiktheid dient namelijk door een bedrijfsarts te worden geconstateerd.
legt de werknemer in de tweede plaats ten grondslag dat hij na 19 november 2021 (en voor 17 mei 2022) meerdere malen heeft aangegeven dat hij ziek was en daarvan signalen heeft afgegeven. De werkgever had hier opvolging aan moeten geven en de werkgever was er dus in ieder geval van op de hoogte dat de werknemer al voor 17 mei 2022 ziek was. De werknemer heeft in dit verband -onder verwijzing naar door hem overgelegde producties- verwezen naar:
De hiervoor onder b en d tot en met f genoemde meldingen gelden niet als een ziekmelding aan de leidinggevende. Het betreffen immers mails van de werknemer dan wel zijn advocaat aan verschillende personen(de bedrijfsarts, [betrokkene 5] van de Uitvoeringsorganisatie Bedrijfsvoering Rijk en het Startpunt Herplaatsing). De werkgever heeft betwist dat met [betrokkene 4] van BZK de ziekte is besproken (a) en in het mediationverslag zijn de door de werknemer gestelde uitlatingen van de werkgever (c) niet terug te vinden. Deze zijn bovendien weersproken door de werkgever.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte” in de zin van art. 7:670 lid 1 BW Pro moet worden aangesloten bij het ziektebegrip van art. 19 Ziektewet Pro en art. 7:629 BW Pro (dat het recht op loondoorbetaling bij ziekte regelt). [35] Blijkens art. 19 Ziektewet Pro heeft de verzekerde werknemer recht op ziekengeld “
bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte”. De ziekte en het verband met de ongeschiktheid moeten dus medisch objectiveerbaar zijn. [36] Dat betekent dat de persoonlijke mening van de werknemer dat hij niet in staat is bepaalde arbeid te verrichten (mogelijk een vertrekpunt is, maar) niet doorslaggevend kan zijn.
ontbindingvan de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever (art. 7:671b lid 2 BW). Het ‘ontbindingsverbod’ kent twee wettelijke uitzonderingen (art. 7:671b lid 6 BW). De rechter kan het ontbindingsverzoek inwilligen a. indien het geen verband houdt met de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft en b. indien de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. [37] Over de uitzonderingsgrond onder a. heeft A-G de Bock het volgende opgemerkt (in een zaak die de Hoge Raad met art. 81 RO Pro heeft afgedaan): [38]
STECR Werkwijzer. Dat is kort gezegd een richtsnoer voor bedrijfsartsen, een in hun beroepsgroep aanvaarde professionele standaard. In de onderhavige zaak heeft de bedrijfsarts op 23 november 2021 de STECR Werkwijzer (door hem aangeduid als STECR richtlijn) toegepast, door een interventieperiode (‘time-out’) van twee weken te adviseren (waarin de werknemer met behoud van salaris is vrijgesteld zijn arbeid te verrichten) en door inschakeling van een bemiddelaar te adviseren.
de rechteris die op basis van alle omstandigheden van het geval de knoop doorhakt. Bij de vraag of de werknemer ten tijde van de indiening van het ontbindingsverzoek al dan niet arbeidsongeschikt was wegens ziekte als bedoeld in art. 7:670 lid 1 BW Pro, is informatie afkomstig van behandelend artsen – ook de huisarts – wel degelijk van gewicht en behoort dit door de rechter in zijn oordeelsvorming te worden betrokken.
eerste klachthoudt in dat het hof heeft miskend dat
het de rechter is die beslistof een werknemer op het moment van indiening van het ontbindingsverzoek arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Het middel verwijst daarvoor naar literatuur. [43] Dat het de rechter is die uiteindelijk een geschilpunt beslist, lijkt mij een spreekwoordelijke open deur. Uit de bestreden beschikking blijkt ook niet dat het hof ervan zou zijn uitgegaan dat het niet zelf had te oordelen over de stelling van [verzoeker] dat het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedurende arbeidsongeschiktheid wegens ziekte is ingediend omdat “
hij al vanaf 19 november 2021 ziek was” (zie rov. 3.23, laatste zin). Het hof
heeftde knoop doorgehakt op basis van alle aangevoerde stellingen en alle omstandigheden van het geval, en is daarbij tot het oordeel gekomen dat het opzegverbod niet gold omdat het verzoekschrift daags daarvoor, op 16 mei 2022, was ingediend.
tweede klachtheeft betrekking op de door het hof gemaakte afweging tussen het gewicht van de verklaring van de bedrijfsarts en de twee verklaringen van de huisarts. Ik stel ik allereerst vast dat het middel (terecht)
nietbestrijdt dat voor de vraag of een werknemer arbeidsongeschikt is wegens ziekte primair gewicht kan worden toegekend aan het oordeel van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts is ook het beste toegerust om daaromtrent vaststellingen te doen, meer dan de eigen huisarts van de werknemer. [44] Gesteld wordt (slechts) dat de rechter ook informatie afkomstig van andere artsen – zoals de huisarts van de werknemer – in zijn oordeelsvorming moet betrekken en het hof die informatie onvoldoende heeft meegewogen in zijn oordeelsvorming.
till 7/12/2021), wat de (beoogde) datum voor de volgende controle was (zie ook rov. 2.13 en 2.14). Het hof heeft echter bij de vraag of [verzoeker] vanaf 19/22 november 2021 tot (ten minste) 16 mei 2022 (onafgebroken) ziek is geweest, zoals hij heeft gesteld, meer gewicht toegekend aan het oordeel van de bedrijfsarts. Het hof heeft
ten eerstehet oog op het oordeel van de bedrijfsarts van 23 november 2021. De bedrijfsarts adviseerde een time-out van 14 dagen in te lassen en om “
oplossingen voor de huidige situatie te bespreken” en hierbij “
een bemiddelaar in te schakelen”. De bedrijfsarts heeft op dat moment niet geoordeeld dat [verzoeker] arbeidsongeschikt was wegens ziekte, maar wel dat [verzoeker] een arbeidsconflict met zijn werkgever had (zie wat ik in 4.9 heb opgemerkt over de STECR Werkwijzer).
Ten tweedebetrekt het hof blijkens rov. 3.24 nog in zijn oordeelsvorming het oordeel van de bedrijfsarts van ná de ziekmelding van 17 mei 2022, inhoudende dat [verzoeker] toen wél arbeidsongeschikt was en eerst per 17 mei 2022, en dus niet daarvóór,
door ziekteniet volledig heeft gewerkt (zie rov. 2.25). [46] De tweede verklaring van de huisarts is daarmee in lijn: daarin staat dat [verzoeker] vanaf 17 mei 2022 niet geschikt was om te werken, maar ook deze verklaring bevat geen informatie over de het al dan niet ziek-zijn van [verzoeker] in de periode vóór die datum.
van geen belang / irrelevant” acht of de huisarts de werknemer arbeids(on)geschikt acht (omdat dat oordeel aan de bedrijfsarts is), [47] maar zie ik het zo dat de verklaring van de huisarts in dit concrete geval (veel te) weinig gewicht in de schaal legde tegenover het oordeel van de bedrijfsarts (welke beroepsgroep als gezegd bij uitstek deskundig is op het terrein van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte). Daar komen de overige door het hof genoemde omstandigheden bij (geen deskundigenoordeel UWV, wel deelgenomen aan het mediationtraject).
eerste rechtsklachtwordt voorgesteld voor zover de beslissing van het hof in rov. 3.24 dat ten tijde van de indiening van het ontbindingsverzoek geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van het opzegverbod tijdens ziekte, berust op de vaststelling door het hof dat de bedrijfsarts op 23 november 2021 heeft geconstateerd dat sprake was van scenario 2 in de zin van de STECR-werkwijzer (d.w.z.: een conflict zonder medische beperkingen). In dat geval getuigt die beslissing van een te beperkte en daarmee onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip “
ongeschikt (…) tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte” in de zin van art. 7:670 lid 1 BW Pro. Kort gezegd omdat ook in het geval van scenario 2 wel degelijk sprake is, althans minst genomen kan zijn, van ziekte in de zin van art. 7:670 BW Pro, zoals dat begrip conform art. 19 Ziektewet Pro (ruim) moet worden uitgelegd.
geen arbeidsongeschiktheid wegens ziekte heeft geconstateerd”. Die uitleg van de verklaring van de bedrijfsarts door het hof is een feitelijk oordeel. Voor zover de eerste rechtsklacht zich tegen dit uitlegoordeel keert, faalt de klacht reeds om die reden.
beoordelingvan arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte en anderzijds de
adviseringmet betrekking tot re-integratie en werkhervatting. [49] Voor de bedrijfsarts biedt de Werkwijzer een beoordelingskader voor ziekmeldingen in relatie met een (mogelijk) arbeidsconflict. De Werkwijzer besteedt zowel aandacht aan de beoordelende rol van de bedrijfsarts als aan diens adviserende rol. De beoordelende rol ziet op de wettelijke opdracht van de bedrijfsarts een uitspraak te doen over de vraag of de werknemer door ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten. [50] Dat het hof de verklaring van de bedrijfsarts zó begrijpt dat op 23 november 2021 naar oordeel van de bedrijfsarts (op dat moment) geen sprake was van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, komt mij dus niet onbegrijpelijk voor.
door ziekteniet volledig heeft gewerkt. Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 1.
kanleiden, daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat een werknemer reeds vóór die hervatting arbeidsongeschikt is. Ik geef een fictief voorbeeld: als een werknemer die wegens een arbeidsconflict thuis zit verklaart ‘dat hij al ziek wordt bij de gedachte weer naar kantoor te moeten gaan’, kan hij niet op grond daarvan als arbeidsongeschikt worden aangemerkt (en kan hij dus niet met een beroep op het opzegverbod zijn dienstverband en doorbetaling van zijn salaris rekken).
motiveringsklachtenworden opgeworpen voor zover het hof in rov. 3.24 niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat ook wanneer zich scenario 2 van de STECR-werkwijzer voordoet, wel degelijk sprake is, althans kan zijn, van ziekte in de zin van art. 7:670 lid 1 BW Pro. Dan is het oordeel van het hof dat
in dit gevalten tijde van de indiening van het ontbindingsverzoek op 16 mei 2022 van ziekte geen sprake was, onbegrijpelijk, althans onvoldoende, gemotiveerd om de volgende redenen.
eerst die dagniet volledig heeft gewerkt
door ziekte(rov. 3.22). Of de in rov. 3.24 genoemde omstandigheden dat [verzoeker] geen oordeel aan het UWV heeft gevraagd én dat hij heeft deelgenomen aan het mediationtraject als zodanig niet uitsluiten dat hij op 16 mei 2022 arbeidsongeschikt was, moge zo zijn, maar die omstandigheden zijn door het hof genoemd in respons op het standpunt van [verzoeker] dat hij al vanaf 19 november 2021 (kennelijk: ononderbroken) arbeidsongeschikt is geweest. [52] Dit is een meer beperkte beoordeling dan het middel doet voorkomen. Reeds om die reden falen de motiveringsklachten van dit onderdeel.
tweede rechtsklachtwordt voorgesteld voor zover het hof bij zijn beslissing in rov. 3.24 dat [verzoeker] ten tijde van de indiening van het ontbindingsverzoek niet arbeidsongeschikt was geen rekening heeft gehouden met de in zojuist in 4.29 met f) en g) aangeduide feiten en omstandigheden omdat het hof heeft gemeend dat medische oordelen die dateren van (vlak) ná de indiening van een ontbindingsverzoek ex art. 7:671b BW – en de medische situatie op dat moment beschrijven – niet relevant zijn voor de rechterlijke beoordeling of de werknemer op het moment van de indiening van dat verzoek een beroep toekwam op dat opzegverbod. In dat geval getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. Zulke ‘posterieure’ oordelen kan de rechter wel degelijk meenemen bij de beoordeling van de situatie ten tijde van de indiening van het ontbindingsverzoek, al is het maar omdat de bevestiging van een medicus dat een werknemer op een moment vlak na de indiening van een ontbindingsverzoek ziek was, een aanwijzing kan opleveren dat die werknemer vlak daarvoor – ten tijde van de indiening van het verzoek – ook al ziek was en om die reden arbeidsongeschikt.
eerste rechtsklachtwordt opgeworpen voor zover de beslissing van het hof in rov. 3.26 zó moet worden begrepen dat een werknemer slechts een beroep toekomt op het opzegverbod tijdens ziekte nadat hij zich formeel heeft ziekgemeld bij zijn leidinggevende. Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof aldus (opnieuw) heeft miskend dat voor de beoordeling of de werknemer in een ontbindingsprocedure ex art. 7:671b BW een beroep toekomt op de bescherming van het ontslagverbod tijdens ziekte, niet relevant is of de werknemer zich op de juiste wijze heeft ziekgemeld voorafgaand aan de indiening van het ontbindingsverzoek maar, uitsluitend, of hij op dat moment daadwerkelijk door arbeidsongeschiktheid verhinderd was de arbeid te verrichten. Dat kan ook zonder meer aan de orde zijn als op dat moment nog helemaal geen ziekmelding had plaatsgevonden.
tweede rechtsklachtvan dit onderdeel wordt voorgesteld voor zover het wel relevant is of voorafgaand aan de indiening van het ontbindingsverzoek een formele ziekmelding heeft plaatsgevonden. In dat geval heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in rov. 3.26, door klaarblijkelijk, maar ten onrechte, ervan uit te gaan dat als uitgangspunt heeft te gelden dat die ziekmelding bij de leidinggevende moet hebben plaatsgevonden (om in de beschouwing te kunnen worden betrokken). Een formele ziekmelding, zo überhaupt vereist om een beroep te kunnen doen op het opzegverbod tijdens ziekte, moet door de werknemer bij de werkgever worden gedaan. Dat brengt mee dat zo een ziekmelding ook aan andere vertegenwoordigers van de werkgever kan worden gericht, zoals bijvoorbeeld een door hem ingeschakelde bedrijfsarts. Meer specifiek is om die reden rechtens onjuist de beslissing van het hof in rov. 3.26 dat de door hem in rov. 3.25 onder b. en e. genoemde e-mails van [verzoeker] van 17 december 2021 en 15 mei 2022 over zijn ziek-zijn, alsmede de in rov. 3.25 onder d. genoemde brief van zijn advocaat, "niet gelden" als een relevante ziekmelding omdat deze mededelingen niet "aan de leidinggevende" van [verzoeker] zijn gedaan, maar aan de bedrijfsarts, respectievelijk een andere (HR) functionaris van de werkgever dan [verzoeker] 's directe leidinggevende zijn gestuurd.
gemengde klacht, opgeworpen voor zover in rov. 3.26, laatste volzin is beslist dat de “
aard van de uitlatingen” zijdens [verzoeker] over zijn ziek-zijn, als genoemd in rov. 3.25 onder a. t/m f. “
geen aanleiding tot opvolging” gaf. Het gaat om verschillende berichten waarin zijdens [verzoeker] duidelijk en ondubbelzinnig, maar in elk geval voldoende eenduidig, is aangegeven dat hij ziek was en/of niet in staat om de werkzaamheden die hem waren opgedragen te verrichten. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de mededelingen gelet op hun inhoud de werkgever geen aanleiding zouden hebben gegeven tot “
opvolging” in de zin dat de werkgever uit die berichten had moeten begrijpen dat [verzoeker] meende ziek te zijn (zodat verzuimbegeleiding en ontslagbescherming tijdens ziekte op hun plaats waren), althans getuigt deze beslissing van het hof – mede in het licht van het bepaalde in art. 7:611 BW Pro – van het aannemen van (veel) te verstrekkende informatieverplichtingen voor de werknemer waar het de melding van zijn arbeidsongeschiktheid betreft.
ziek dient te melden bij zijn leidinggevende”. Het hof stelt vast dat [verzoeker] dit op 17 mei 2022 heeft gedaan en het hof overweegt dat de door [verzoeker] aangedragen meldingen zoals weergegeven in rov. 3.25 onder b., d., e., en f. niet gelden als ziekmelding aan de leidinggevende.
eerste rechtsklacht, gericht tegen de eerste stap uit rov. 3.26, mist feitelijke grondslag. Dat de bestreden beslissing
nietzo moet worden begrepen dat volgens het hof een werknemer slechts een beroep toekomt op het opzegverbod tijdens ziekte nadat hij zich formeel heeft ziekgemeld bij zijn leidinggevende, voor welk geval deze klacht is geformuleerd, volgt uit de tweede stap die het hof zet in rov. 3.26, waarbij het hof beoordeelt of [verzoeker] zich – ondanks het ontbreken van een voorafgaande ziekmelding aan zijn leidinggevende – tóch kan beroepen op het opzegverbod tijdens ziekte. Ik voeg daar ten overvloede aan toe dat, los van de vraag of een werknemer beroep kan doen op genoemd opzegverbod, het mij niet onjuist voorkomt dat hij van ziekte melding moet doen aan zijn leidinggevende, dan wel aan een andere door de werkgever daartoe aangewezen interne persoon (bijvoorbeeld een HR-medewerker) of aan de bedrijfsarts.
tweede rechtsklachtricht zich eveneens tegen de eerste stap uit rov. 3.26. Ook deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor de vraag of een werknemer in een ontbindingsprocedure ex art. 7:671b BW een beroep toekomt op het opzegverbod, is
relevant(zoals de klacht veronderstelt) maar
niet beslissend(zo voeg ik toe) of voorafgaand aan de indiening van het ontbinding een formele ziekmelding heeft plaatsgevonden. De rechter dient immers op basis van alle relevante omstandigheden van het geval te beoordelen of de tot arbeidsongeschiktheid leidende ziekte een aanvang heeft genomen voorafgaand aan ontvangst van het ontbindingsverzoek (vgl. de bespreking van onderdeel 1). Dit betekent dat ook eventuele ziekmeldingen aan andere vertegenwoordigers van de werkgever dan de leidinggevende in de beoordeling moeten worden betrokken. Het hof miskent dit echter niet, anders dan de klacht aanvoert: dit is nu juist wat het hof blijkens rov. 3.26 doet in de tweede stap. De door [verzoeker] aangedragen omstandigheden “
gelden niet als een ziekmelding aan de leidinggevende”, zo overweegt het hof in de eerste stap. Vervolgens beoordeelt het hof echter of die uitlatingen niet tóch hadden moeten worden opgevat door de Staat als op te volgen uitlatingen/signalen dat [verzoeker] ziek was.
gemengde klachtricht zich tegen de tweede stap uit rov. 3.26, voor zover daar in de laatste zin is beslist dat de “
aard van de uitlatingen” zijdens [verzoeker] over zijn ziek-zijn, als genoemd in rov. 3.25 onder a. t/m f., “
geen aanleiding tot opvolging” gaf.
Ad a.Hoewel het door [verzoeker] opgestelde transcript van het gesprek met [betrokkene 4] op 3 december 2021 wellicht zou kunnen bijdragen aan de stelling van [verzoeker] dat met de Staat over zijn ‘aanhoudende ziekte’ is gesproken, [62] was het hof op dit punt niet tot een nadere motivering gehouden. De Staat heeft immers betwist dat de ziekte met [betrokkene 4] is besproken (rov. 3.26, vijfde en zesde zin, in cassatie onbestreden). Ik meen voorts dat [verzoeker] in hoger beroep hierover geen voldoende specifiek bewijsaanbod [63] heeft gedaan, maar slechts een algemeen bewijsaanbod. [64]
Ad b.Ook in het licht van de e-mail van [verzoeker] van 7 december 2022 hoefde het hof zijn oordeel mijns inziens niet nader te motiveren. Dat [verzoeker] aan de bedrijfsarts schrijft dat hij van de huisarts medicatie heeft gekregen, diende de Staat niet tot actie te bewegen. Aan arbeidsgeschiktheid hoeft dit gegeven immers niet in de weg te staan.
Ad c.In dit mediationverslag zijn de door [verzoeker] gestelde uitlatingen niet terug te vinden, zo is in cassatie onbestreden (rov. 3.26, vijfde zin). Het hof was ook op dit punt dus niet tot een nadere motivering gehouden.
Ad d.De brief van 10 april 2022 van zijn advocaat vermeldt dat [verzoeker] zich in november 2021 heeft ziek gemeld omdat de situatie hem teveel werd en hij daarvan medische klachten ondervond, waar [verzoeker] ten tijde van de brief, dus op 10 april 2022, “
nog steeds” last van had. Gelet op het oordeel van de bedrijfsarts van 23 november 2021 en de verwerping door het hof van de stelling dat [verzoeker] sinds november 2021 (ononderbroken) arbeidsongeschikt zou zijn geweest, behoefde het hof zijn oordeel over deze brief niet nader te motiveren.
Ad e.De e-mail die [verzoeker] op 15 mei 2022 aan de bedrijfsarts heeft verzonden, is indringend. Toch meen ik dat het hof niet gehouden was om zijn oordeel in het licht van deze e-mail nader te motiveren. Niet alleen wordt ook in dit bericht aangeknoopt bij de ziekmelding uit november, maar bovendien heeft dezelfde bedrijfsarts aan wie het bericht is gestuurd, verklaard dat [verzoeker]
eerst per 17 mei 2022niet volledig heeft gewerkt
door ziekte(zie rov. 2.25).
Ad f.In deze e-mail van 19 mei 2022 laat [verzoeker] aan de loopbaanadviseur weten dat hij zich op 17 mei 2022 bij zijn leidinggevende heeft ziekgemeld. Dat dit bericht niet kan bijdragen aan de stelling van [verzoeker] dat (de Staat ervan op de hoogte was dat) hij al vóór 17 mei 2022 arbeidsongeschikt was, is ook zonder nadere motivering voldoende begrijpelijk.