ECLI:NL:HR:2025:1

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2025
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
22/03799
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3B OpiumwetArt. 311.1.5 SrArt. 161bis.2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs voor elektriciteitsdiefstal en beschadiging veiligheidsmaatregel

De Hoge Raad heeft op 7 januari 2025 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2022. De verdachte werd onder meer verdacht van het opzettelijk telen van hennep, diefstal van elektriciteit door verbreking van de voorziening en het beschadigen en verijdelen van een veiligheidsmaatregel aan de elektriciteitsvoorziening.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de bewezenverklaringen van de diefstal van elektriciteit en het beschadigen en verijdelen van de veiligheidsmaatregel, evenals de strafoplegging. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk daderschap heeft gepleegd met betrekking tot deze feiten. Het feit dat verdachte betrokken was bij de hennepkwekerij stond niet vast.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest gedeeltelijk en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling en afdoening van de tenlastegelegde feiten onder 2 en 3. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk arrest en wijst zaak terug naar hof voor hernieuwde beoordeling van elektriciteitsdiefstal en beschadiging veiligheidsmaatregel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03799
Datum7 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2022, nummer 22-002596-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen onder 2 en 3 en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
2.2
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 13.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 januari 2025.