Conclusie
1.Inleiding
voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten” en 2. “
opzettelijk een elektriciteitswerk beschadigen terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
2.Het eerste middel
Mocht er worden binnengetreden?
3.Het tweede middel
1. Een proces-verbaal van betreden pand ter inbeslagneming d.d. 8 augustus 2018, dossierpagina’s 34-35, betreffende het relaas van [verbalisant 2] , voor zover inhoudende:
NJ2021/348, m.nt. Vellinga, waarop de stellers van het middel een beroep doen. In die zaak werd de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten en de diefstal van elektriciteit. Vast stond dat de verdachte huurder was van een bedrijfspand, dat een hennepkwekerij (incl. 539 planten) was aangetroffen op de bovenverdieping van dat pand en dat de verdachte had aangegeven dat hij dat deel van het pand had onderverhuurd aan een persoon van wie hij enkel een voor- en achternaam en een niet langer te bereiken telefoonnummer kon verschaffen. Als bewijs bezigde het hof (1) de verklaring van de verdachte dat hij de sleutels van de voordeur en van de bovenverdieping had afgegeven en dat hij nadien niet meer in het pand was geweest, (2) een proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij en (3) een proces-verbaal met daarin een aangifte van Enexis van de diefstal van elektriciteit. Het hof oordeelde vervolgens dat de verklaring van de verdachte onvoldoende verifieerbaar was en achtte de ten laste gelegde feiten bewezen. De Hoge Raad casseerde omdat het enkele oordeel van het hof dat de door hem als bewijsmiddel gebruikte verklaring van de verdachte over een onderhuurder onvoldoende verifieerbaar was, niet volstond voor een bewezenverklaring van de twee ten laste gelegde feiten.