Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
4 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond een dodelijk arbeidsongeval met een betonpompwagen centraal waarbij het slachtoffer om het leven kwam doordat een steunvoet van de betonpompwagen wegzakte en de distributiemast op het slachtoffer viel. De verdachte, een rechtspersoon, werd vervolgd voor dood door schuld op grond van artikel 307 lid 1 Sr Pro.
De verdediging voerde meerdere cassatiemiddelen aan, waaronder klachten over het gebruik van de “tabel van Schwing” en theoretische modellen voor het bewijs, het ontbreken van navraag over het draagvermogen van de ondergrond, en het ontbreken van schuld wegens onvoorzienbaarheid van de gevolgen. Tevens werd betwist of de causaliteit tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval voldoende was vastgesteld.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. De uitspraak bevestigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon voor het dodelijk arbeidsongeval.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de rechtspersoon voor dood door schuld.