ECLI:NL:HR:2025:1124
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op WOZ-beschikking op eigen naam voor individuele erfgenaam
Belanghebbende en zijn zus zijn erfgenamen die gezamenlijk eigenaar zijn van onroerende zaken. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden voor 2019 en 2020 vast op naam van de gezamenlijke erfgenamen. Belanghebbende verzocht om beschikkingen op eigen naam, maar dit verzoek werd afgewezen door de heffingsambtenaar en bevestigd door het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat een beschikking op naam van gezamenlijke erfgenamen niet gelijkstaat aan een beschikking aan een individuele erfgenaam. Artikel 28, lid 1, Wet WOZ geeft een individuele erfgenaam het recht om een beschikking op eigen naam te verkrijgen, ongeacht dat hij samen met andere erfgenamen bezwaar en beroep kan instellen tegen de gezamenlijke beschikking.
Het hof heeft dit onjuist beoordeeld door te stellen dat het gezamenlijk instellen van bezwaar en beroep het recht op een eigen beschikking uitsluit. De Hoge Raad vernietigt daarom de eerdere uitspraken en verplicht de heffingsambtenaar om de gevraagde beschikkingen op naam van belanghebbende te verstrekken.
Daarnaast veroordeelt de Hoge Raad het dagelijks bestuur en de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende. Hiermee wordt het belang van individuele rechtsbescherming van erfgenamen in het kader van de Wet WOZ benadrukt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof en bevestigt het recht van belanghebbende op WOZ-beschikkingen op eigen naam voor 2019 en 2020.