ECLI:NL:HR:2025:1128
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid aansprakelijkstelling bestuurder bij belastingschuld
In deze zaak stond de aansprakelijkheid van een bestuurder van een besloten vennootschap voor belastingschulden centraal. De Hoge Raad behandelde het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, waarbij prejudiciële vragen waren gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit Hof oordeelde dat artikel 273 van Pro Richtlijn 2006/112/EG, gelezen in het licht van het evenredigheidsbeginsel, nationale regelingen niet verbiedt die bestuurders hoofdelijk aansprakelijk stellen voor niet-gemelde betalingsonmacht, mits bestuurders de mogelijkheid hebben aan te tonen dat de niet-nakoming niet aan hen te wijten is.
De Hoge Raad overwoog dat de regeling in artikel 36 lid 4 van Pro de Invorderingswet 1990 (IW 1990) niet in strijd is met het EU-recht en dat in de onderhavige situatie, waarin slechts één bestuurder aansprakelijk is, de ontvanger geen discretionaire bevoegdheid heeft om belangen af te wegen bij de aansprakelijkstelling. De Hoge Raad verwierp alle middelen van het cassatieberoep en verklaarde het beroep ongegrond.
Ten slotte wees de Hoge Raad op de rol van de wetgever indien het wenselijk is om de ontvanger wel een beoordelingsruimte te geven bij aansprakelijkstellingen. De proceskosten werden niet aan de wederpartij opgelegd. Dit arrest bevestigt de geldende rechtspositie omtrent de aansprakelijkheid van bestuurders bij belastingschulden en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in dit kader.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling van de bestuurder bevestigd.