Belanghebbende, een B.V., was in bezwaar en beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had uitspraak gedaan over de proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarbij een waarde per punt van €534 werd gehanteerd. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stelde deze waarde per punt echter op €837.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, terwijl de Staatssecretaris van Financiën incidenteel cassatieberoep instelde. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van beide beroepen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte van een hogere waarde per punt was uitgegaan en bevestigde de rechtbankuitspraak dat de waarde per punt €534 bedraagt.
Daarnaast verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad stelde vast dat de termijnoverschrijding niet meer dan zes maanden bedroeg en kende een vergoeding van €500 toe. Ook veroordeelde de Hoge Raad de Staat in de proceskosten van het cassatiegeding.
De Hoge Raad verklaarde het principale cassatieberoep ongegrond, het incidentele beroep gegrond, vernietigde het hofarrest voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en bevestigde de rechtbankuitspraak op dat punt. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.