Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
14 oktober 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de mishandeling van een slachtoffer centraal waarbij de verdachte de duim van het slachtoffer had gebeten tijdens een burgeraanhouding na het gooien van eieren naar een spreker. Het hof Amsterdam verklaarde de mishandeling bewezen en verwierp het beroep op noodweer, omdat de aanhouding legitiem was en voldeed aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
De verdediging had in hoger beroep laat een verzoek gedaan tot het horen van belastende getuigen (verbalisanten), maar het hof wees dit af omdat het niet aannemelijk was dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn konden worden gehoord. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit onvoldoende had gemotiveerd, omdat er geen inspanningen waren verricht om de ondervraging mogelijk te maken en het late verzoek van de verdediging niet als grond voor afwijzing op basis van art. 288.1.a Sv kan dienen.
Ten aanzien van het beroep op noodweer stelde de Hoge Raad dat voor de verwerping ervan niet vereist is dat de feiten buiten redelijke twijfel vaststaan, maar dat het hof het beroep terecht verwierp omdat de verklaring van het slachtoffer op de belangrijkste punten werd gesteund door een getuige en de aanhouding niet wederrechtelijk was.
De overige klachten van de verdediging werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor mishandeling zonder toekenning van noodweer.