ECLI:NL:HR:2025:1729
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de judiciële lus door de hogerberoepsrechter en de motiveringsplicht
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door belanghebbende tegen de Staatssecretaris van Financiën. De zaak betreft de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2014 tot en met 2020. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had eerder geoordeeld dat de Inspecteur de hoorplicht had geschonden en de zaken terug had verwezen naar de Inspecteur voor een nieuwe uitspraak op bezwaar. Het Hof had daarbij de judiciële lus toegepast, wat betekent dat belanghebbende direct beroep kon instellen bij het Hof tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar.
Belanghebbende heeft in cassatie geklaagd over de toepassing van de judiciële lus, stellende dat niet aan de voorwaarden voor toepassing daarvan was voldaan. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat de toepassing van de judiciële lus in dit geval gerechtvaardigd was. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende verworpen en het beroep in cassatie ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.