ECLI:NL:HR:2025:1729
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing en motivering van de judiciële lus in belastingaanslagprocedure
Belanghebbende maakte bezwaar tegen belastingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2020. De Inspecteur verklaarde deze bezwaren ongegrond. Het Hof stelde vast dat de hoorplicht was geschonden voor de jaren 2014-2016 en verwees de zaken terug naar de Inspecteur met de opdracht alsnog te horen en opnieuw uitspraak te doen. Het Hof paste daarbij de judiciële lus toe, waardoor belanghebbende bij een nieuw beroep direct bij het Hof moest procederen.
Belanghebbende klaagde in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte de judiciële lus toepaste zonder te motiveren dat aan de voorwaarden was voldaan, zoals een relatief klein gebrek en geen geschil over feiten. De Hoge Raad oordeelde dat de wetgever met de judiciële lus beoogt dat in gevallen waarin een behandeling in twee instanties niet nodig is, het beroep rechtstreeks bij de hogerberoepsrechter kan worden ingesteld. Dit geldt ook als het gebrek niet klein is of er wel een feitelijk geschil bestaat.
De Hoge Raad vond dat het Hof zijn beslissing voldoende had gebaseerd op een belangenafweging tussen rechtsbescherming en redelijke termijn, en dat geen nadere motivering nodig was. Partijen hoefden niet vooraf over de toepassing van de judiciële lus te worden gehoord. De overige klachten faalden eveneens, waarna het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de toepassing van de judiciële lus door het Hof wordt bevestigd.