Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Uitgangspunten in cassatie
Nadat belanghebbende op dit voornemen had gereageerd, heeft de Inspecteur met dagtekening 2 oktober 2017 de thans in geding zijnde uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting aan belanghebbende doen uitreiken (hierna: de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017).
3.De oordelen van het Hof
Voor het Hof was niet in geschil dat (i) de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 203, lid 3, van het Communautair douanewetboek (tekst 2002; hierna: het CDW), (ii) belanghebbende op grond van artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, van het CDW douaneschuldenaar is, en (iii) de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 zijn uitgereikt binnen de in artikel 103, lid 1, van het Douanewetboek van de Unie (hierna: het DWU) bedoelde termijn van drie jaar, in aanmerking genomen hetgeen in artikel 103, lid 3, letter a, van het DWU omtrent opschorting van deze periode is bepaald.
Vervolgens heeft het Hof – onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad – geoordeeld dat de vernietiging van de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling wegens het daaraan klevende gebrek niet heeft betekend dat de douaneschulden die daaraan ten grondslag lagen, zijn vernietigd. Anders dan belanghebbende betoogde, heeft die vernietiging volgens het Hof niet tot een finale geschilbeslechting daarover geleid. De Inspecteur was daarom bevoegd om de op grond van artikel 203, lid 3, van het CDW voor de hiervoor in 2.1 bedoelde partijen knoflook ontstane douaneschulden opnieuw te innen.
4.Beoordeling van de middelen
Middel I faalt ook in zoverre, aangezien het middel miskent dat de Hoge Raad met de vernietiging van de in september 2003 uitgereikte uitnodigingen tot betaling het tussen partijen in de desbetreffende beroepsprocedure opgeworpen geschil over deze beschikkingen, zoals hiervoor in 4.1.2 overwogen, finaal heeft beslecht. De Inspecteur mocht – zo lang de daarvoor geldende verjaringstermijn niet was verstreken – totinning van de douane- en omzetbelastingschulden overgaan nadat hij belanghebbende naar behoren in de gelegenheid had gesteld om op zijn voornemen tot inning te reageren. Met het doen uitreiken van de uitnodigingen tot betaling van 2 oktober 2017 heeft de Inspecteur nieuwe beschikkingen in de zin van artikel 44, lid 4, van het DWU gegeven en is belanghebbende tegen die beschikkingen het recht van beroep in de zin van artikel 44 van Pro het DWU gaan uitoefenen. De uitoefening van dat recht ziet dus op andere beschikkingen van de Inspecteur en betreft dus een andere beroepsprocedure dan die heeft geleid tot het arrest van 16 september 2016.
In de hiervoor in 1.3 bedoelde reactie heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat het arrest Napfény-Toll niet betekent dat in de onderhavige zaak niet met succes een beroep zou kunnen worden gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel.
In dit verband verdient opmerking dat het blijkens artikel 245 van Pro het CDW respectievelijk artikel 44 van Pro het DWU een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de in artikel 243, lid 1, letter b, van het CDW respectievelijk artikel 44, lid 2, van het DWU voorgeschreven ‘tweede fase’, bij een onafhankelijke instantie, in te richten. Het staat lidstaten vrij het recht op beroep uit te breiden met de mogelijkheid van hoger beroep en/of beroep in cassatie, zoals Nederland heeft gedaan. [5] Wanneer in Nederland het recht op beroep in alle instanties wordt uitgeoefend, is voorzienbaar dat de behandeling van die rechtsmiddelen een aantal jaren in beslag zal nemen en dus op een daadwerkelijke en doeltreffende uitvoering van belastingwetgeving vertragend kan uitwerken. Het is buiten redelijke twijfel dat – anders dan middel IV betoogt – de rechtspleging in Nederland in de situatie van belanghebbende de toets van het hiervoor in 4.3.1 bedoelde Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel doorstaat. Middel IV faalt dan ook.
5.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
In beide zaken is het ontstaan van het geding terug te voeren op dezelfde feiten en omstandigheden op basis waarvan douane- en omzetbelastingschulden zijn ontstaan en waarvoor aan belanghebbende uitnodigingen tot betaling en een beschikking inzake rente op achterstallen zijn uitgereikt. In beide zaken is het procesbelang van belanghebbende erin gelegen om de van haar geïnde douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen terugbetaald te krijgen, zij het dat belanghebbende daarvoor twee verschillende, bij wet voorziene procedures heeft geëntameerd, te weten het op de voet van artikel 8:2 van Pro de Adw maken van bezwaar tegen de hiervoor bedoelde uitnodigingen tot betaling en beschikking in de zaak met nummer 22/03433, en het verzoeken om terugbetaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen wegens de in artikel 239 van Pro het CDW, in samenhang gelezen met hoofdstuk 3 van de UCDW, bedoelde bijzondere omstandigheden in de zaak met nummer 22/03438. De Hoge Raad heeft daarom deze twee zaken gezamenlijk behandeld.