Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Beoordeling van het middel
3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
In beide zaken is het ontstaan van het geding terug te voeren op dezelfde feiten en omstandigheden op basis waarvan douane- en omzetbelastingschulden zijn ontstaan en waarvoor aan belanghebbende uitnodigingen tot betaling en een beschikking inzake rente op achterstallen zijn uitgereikt. In beide zaken is het procesbelang van belanghebbende erin gelegen om de van haar geïnde douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen terugbetaald te krijgen, zij het dat belanghebbende daarvoor twee verschillende, bij wet voorziene procedures heeft geëntameerd, te weten het op de voet van artikel 8:2 van Pro de Adw maken van bezwaar tegen de hiervoor bedoelde uitnodigingen tot betaling en beschikking in de zaak met nummer 22/03433, en het verzoeken om terugbetaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen wegens de in artikel 239 van Pro het CDW, in samenhang gelezen met hoofdstuk 3 van de UCDW, bedoelde bijzondere omstandigheden in de zaak met nummer 22/03438. De Hoge Raad heeft daarom deze twee zaken gezamenlijk behandeld.