ECLI:NL:HR:2025:184
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek ivf-kosten voor homostel wegens ontbreken medische noodzaak, geen discriminatie
Belanghebbende, een homostel, nam deel aan een ivf-behandeling in de VS en claimde de kosten als persoonsgebonden aftrek in de Nederlandse inkomstenbelasting. De Inspecteur weigerde deze aftrek omdat bij geen van beiden sprake was van ziekte of verminderde vruchtbaarheid. Het Hof stelde vast dat de aftrekregeling specifiek bedoeld is voor uitgaven die samenhangen met ziekte of invaliditeit en dat de wetgever onderscheid maakt tussen 'zieken' en 'gezonden'.
Belanghebbende stelde dat heterostellen zonder medische oorzaak wel aanspraak kunnen maken op aftrek na twaalf maanden onbeschermde seks zonder zwangerschap, wat volgens hem discriminerend is ten opzichte van homostellen. De Hoge Raad bevestigde dat het onderscheid tussen hetero- en homostellen geen discriminatie oplevert omdat bij homostellen het uitblijven van zwangerschap geen aanwijzing is voor verminderde vruchtbaarheid volgens de medische wetenschap.
De Hoge Raad concludeerde dat de aftrekregeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft en dat het beroep in cassatie ongegrond is verklaard. Er is geen sprake van indirecte discriminatie op grond van seksuele oriëntatie omdat de regeling aansluit bij medische inzichten en het doel van de regeling om fiscale tegemoetkoming te bieden bij ziekte of invaliditeit.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de weigering van aftrek van ivf-kosten voor een homostel zonder medische indicatie geen discriminatie inhoudt.