Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
2.Uitgangspunten en feiten
Hoofdstuk 8 in relatie tot artikel 3.1
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
4.Beslissing
21 februari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad over de uitleg en rechtmatigheid van een cao-regeling binnen het middelbaar beroepsonderwijs (cao-MBO). De werkneemster, docent bij Stichting Albeda, stelde dat de cao-regeling die geen compensatie biedt voor zwangerschaps- en bevallingsverlof dat samenvalt met zogenaamde 'overige dagen' (zoals schoolvakanties en feestdagen die niet als vakantiedagen zijn aangemerkt), leidt tot een verboden onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers.
De Hoge Raad ging uit van het feit dat deze overige dagen geen vakantiedagen zijn in de zin van de wet, maar wel dagen waarop niet gewerkt hoeft te worden. De Hoge Raad overwoog dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof een specifiek beschermingsdoel heeft en dat het verbod op onderscheid op grond van geslacht en zwangerschap in arbeidsvoorwaarden strikt moet worden nageleefd.
De Hoge Raad concludeerde dat de regeling in art. 8.1 lid 10 cao-MBO die geen compensatie biedt voor samenloop met overige dagen, direct onderscheid maakt op grond van geslacht en daarmee in strijd is met art. 7:646 lid 1 BW Pro en art. 5 lid 1 Awgb Pro. Dit onderscheid is niet toegestaan en de bepaling moet worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met dit verbod, waardoor compensatie wel moet worden toegekend. De Hoge Raad liet de verdere uitleg van de cao aan de feitenrechter over.
De beslissing bevestigt de noodzaak van gelijke behandeling van vrouwelijke werknemers tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof, ook wanneer dit verlof samenvalt met dagen die niet als vakantie zijn aangemerkt maar waarop niet wordt gewerkt.
Uitkomst: De cao-regeling die geen compensatie biedt voor samenloop van zwangerschaps- en bevallingsverlof met overige dagen is in strijd met het discriminatieverbod en moet worden aangepast met compensatie.