ECLI:NL:HR:2025:328

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
21/03656
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326.1 SrArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 57 SrArt. 58 Sr
Verwijzingen
14 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen grootschalige consumentenoplichting via malafide webwinkels met beperking gijzeling

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag dat hem medeplegen van grootschalige oplichting via malafide webwinkels ten laste legde. Het hof had vastgesteld dat verdachte en medeverdachten gezamenlijk de websites beheerden, advertenties plaatsten en bankpassen regelden, waarmee zij substantieel bijdroegen aan de oplichting.

De verdediging voerde een bewijsklacht aan, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende en toereikend had gemotiveerd dat verdachte medegepleegd had. Daarnaast werd ambtshalve beoordeeld dat de duur van de opgelegde gijzingsmaatregel voor schadevergoeding wettelijk beperkt is tot maximaal één jaar (360 dagen). De opgelegde gijzingsduur van 429 dagen werd daarom verminderd.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn van het proces was overschreden, wat rechtvaardigde dat de opgelegde gevangenisstraf werd verminderd van 26 naar 24 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd een balans gevonden tussen de bewezenverklaring van de strafbare feiten en de waarborging van procesrechten.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot 24 maanden en de gijzingsduur voor schadevergoeding beperkt tot maximaal één jaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03656
Datum18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2021, nummer 22-000129-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen de duur van de gijzeling is bepaald op 429 dagen, tot onderscheidenlijk vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste een jaar, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde feit.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.

3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 26 maanden.

5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

5.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in dat arrest telkens genoemde aantal (in totaal 429) dagen gijzeling.
5.2
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en Pro 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
5.3
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze 24 maanden beloopt;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de na te noemen slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro telkens gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast:
Slachtoffer
Dagen gijzeling
[slachtoffer 1]
5
[slachtoffer 2]
6
[slachtoffer 3]
7
[slachtoffer 4]
6
[slachtoffer 5]
7
[slachtoffer 6]
5
[slachtoffer 7]
6
[slachtoffer 8]
9
[slachtoffer 9]
7
[slachtoffer 10]
7
[slachtoffer 11]
7
[slachtoffer 12]
18
[slachtoffer 13]
7
[slachtoffer 14]
12
[slachtoffer 15]
11
[slachtoffer 16]
14
[slachtoffer 17]
11
[slachtoffer 18]
23
[slachtoffer 19]
11
[slachtoffer 20]
5
[slachtoffer 21]
23
[slachtoffer 22]
1
[slachtoffer 23]
11
[slachtoffer 24]
19
[slachtoffer 25]
19
[slachtoffer 26]
13
[slachtoffer 27]
23
[slachtoffer 28]
21
[slachtoffer 29]
19
[slachtoffer 30]
13
[slachtoffer 31]
14
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 maart 2025.