ECLI:NL:HR:2025:47

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2025
Publicatiedatum
9 januari 2025
Zaaknummer
23/00166
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting

Belanghebbende, een B.V., maakte beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het hoger beroep tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2013 tot en met 2018 werd behandeld. De Staatssecretaris van Financiën had deze aanslagen opgelegd, inclusief beschikkingen inzake belastingrente.

Belanghebbende had tevens een wrakingsverzoek ingediend tegen een raadsheer van de Hoge Raad, dat door de Hoge Raad werd afgewezen. De Hoge Raad heeft vervolgens de klachten van belanghebbende tegen het arrest van het hof beoordeeld, maar deze klachten konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.

De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevatten, zoals bepaald in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad ziet ook geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/00166
Datum14 februari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2022, nrs. 21/00337 en 21/00338 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/3243 en HAA 19/3244) betreffende een aan belanghebbende over elk van de jaren 2013 tot en met 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en een over het jaar 2018 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft op 8 januari 2025 een verzoek om wraking van de raadsheer M.A. Fierstra gedaan. Bij beslissing van 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:183, heeft de Hoge Raad dat verzoek afgewezen.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.