ECLI:NL:HR:2025:913

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
24/02380
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag loonheffingen

In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een naheffingsaanslag loonheffingen over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2017. Belanghebbende, een besloten vennootschap, was het niet eens met deze aanslag en had hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond verklaard, waarbij het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam werd bevestigd. De motivering van het oordeel is grotendeels verwezen naar een gelijktijdig arrest met nummer 24/02379, waarin de relevante rechtsvragen en overwegingen uitvoerig zijn behandeld.

Daarnaast is de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, waarbij rekening is gehouden met de samenhang van deze zaak met een andere zaak in het kader van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02380
Datum13 juni 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 april 2024, nr. 22/431, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/927) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2017 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.M.R. Veenhuijsen, heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]

2.Beoordeling van het middel

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/02379, ECLI:NL:HR:2025:827, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.3.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 24/02379 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 2.721, oftewel € 1.360,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.

Voetnoten

1.ECLI:NL:PHR:2024:1122, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2024:1179.