ECLI:NL:HR:2026:1005
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over reikwijdte van psychische mishandeling onder artikel 300 Sr
In deze zaak stond de vraag centraal of psychische mishandeling zelfstandig valt onder de strafbaarstelling van artikel 300 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De moeder werd deels vrijgesproken van het onder dwang op een krukje zetten, alleen in een auto achterlaten en het kleinerend toespreken van haar kind. Het hof oordeelde dat deze gedragingen onvoldoende bewijs opleverden voor mishandeling in de zin van artikel 300 Sr Pro.
Het openbaar ministerie stelde in cassatie dat psychische mishandeling wel onder artikel 300 lid 4 Sr Pro valt en dat het hof onvoldoende gemotiveerd had waarom het afweek van het standpunt van het OM. De Hoge Raad herhaalde de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie, waarin is bepaald dat mishandeling vereist dat de gedraging inwerkt op het lichaam van het slachtoffer. Louter psychisch leed zonder lichamelijke inwerking valt niet onder artikel 300 Sr Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het standpunt van het OM terecht heeft verworpen en dat er geen grond is om artikel 300 Sr Pro ruimer uit te leggen. Psychische mishandeling kan wel onder andere strafbepalingen vallen, maar uitbreiding van de strafbaarstelling ligt bij de wetgever. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de gedeeltelijke vrijspraak van de moeder stand houdt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gedeeltelijke vrijspraak van de moeder wegens onvoldoende bewijs voor strafbare psychische mishandeling onder artikel 300 Sr.