Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
23 juni 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die een klaagschrift niet-ontvankelijk verklaarde. Het klaagschrift richtte zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris om een samenwerkingsovereenkomst, die mogelijk onder het verschoningsrecht valt, vrij te geven aan het onderzoeksteam in een strafrechtelijk onderzoek naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen.
De rechter-commissaris had de samenwerkingsovereenkomst in beslag genomen en vervolgens besloten dat deze mocht worden vrijgegeven. Klager, die geen verschoningsgerechtigde is, stelde dat de overeenkomst onder het verschoningsrecht van het advocatenkantoor [D] viel en dat de juiste procedure niet was gevolgd. De rechtbank stelde vast dat klager geen verschoningsgerechtigde is en dat het advocatenkantoor [D] geen klaagschrift had ingediend of zich op het verschoningsrecht had beroepen.
De Hoge Raad bevestigt dat alleen personen met bevoegdheid tot verschoning een klaagschrift kunnen indienen tegen een beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 98 lid 4 Sv Pro. Klager is geen verschoningsgerechtigde en kan daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook al kan het klaagschrift mede worden opgevat als een beklag op grond van artikel 552a Sv, blijft het oordeel dat het beroep niet ontvankelijk is. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van klager niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat klager geen verschoningsgerechtigde is.