Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:1007

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
25/03511
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 552a SvArt. 218 SvArt. 218a SvArt. 116 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake verschoningsrecht samenwerkingsovereenkomst

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die een klaagschrift niet-ontvankelijk verklaarde. Het klaagschrift richtte zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris om een samenwerkingsovereenkomst, die mogelijk onder het verschoningsrecht valt, vrij te geven aan het onderzoeksteam in een strafrechtelijk onderzoek naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen.

De rechter-commissaris had de samenwerkingsovereenkomst in beslag genomen en vervolgens besloten dat deze mocht worden vrijgegeven. Klager, die geen verschoningsgerechtigde is, stelde dat de overeenkomst onder het verschoningsrecht van het advocatenkantoor [D] viel en dat de juiste procedure niet was gevolgd. De rechtbank stelde vast dat klager geen verschoningsgerechtigde is en dat het advocatenkantoor [D] geen klaagschrift had ingediend of zich op het verschoningsrecht had beroepen.

De Hoge Raad bevestigt dat alleen personen met bevoegdheid tot verschoning een klaagschrift kunnen indienen tegen een beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 98 lid 4 Sv Pro. Klager is geen verschoningsgerechtigde en kan daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Ook al kan het klaagschrift mede worden opgevat als een beklag op grond van artikel 552a Sv, blijft het oordeel dat het beroep niet ontvankelijk is. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van klager niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat klager geen verschoningsgerechtigde is.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/03511 B
Datum23 juni 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2025, nummer RK 24/031702, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten A.H.J. Saes en S.J.C. van den Wijngaard bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het ingestelde cassatieberoep.
De raadslieden van de klager hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen en van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
De cassatiemiddelen keren zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het namens de klager ingediende klaagschrift.
Procesgang en beschikking van de rechtbank
2.2.1
De rechter-commissaris heeft tijdens een doorzoeking van de woning van een medeverdachte van de klager een samenwerkingsovereenkomst inbeslaggenomen. De rechter-commissaris heeft dit stuk onder zich gehouden om te beoordelen of op dit stuk een verschoningsrecht rust. Vervolgens heeft de rechter-commissaris een beschikking als bedoeld in artikel 98 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gewezen. De beschikking houdt, kort gezegd, in dat de samenwerkingsovereenkomst mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
2.2.2
Namens de klager is bij de rechtbank een “Klaagschrift ex art. 98 Sv Pro jo. 552a Sv” ingediend, dat zich richt tegen de onder 2.2.1 genoemde beschikking van de rechter-commissaris. Het klaagschrift strekt ertoe dat de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris vernietigt en beslist dat de samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en [medeklaagster] B.V. van 4 november 2022 niet mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam. Daartoe is aangevoerd dat de samenwerkingsovereenkomst object is van het verschoningsrecht van [D] .
2.2.3
Bij de stukken bevindt zich een namens de klager ingediende “Reactie op Standpunt Openbaar Ministerie”, die is opgesteld in verband met de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van het klaagschrift in de raadkamer. Deze reactie houdt onder meer in:
“1. Inleiding
1.1
Hierbij reageren wij op het schriftelijke standpunt dat het Openbaar Ministerie op 20 februari 2025 heeft ingenomen ten behoeve van de raadkamerbehandeling op 25 maart 2025 van het klaagschrift tegen de Beslissing dat een overeenkomst tussen [A] en [medeklaagster] mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
1.2
Daaraan voorafgaand informeren wij u en het Openbaar Ministerie dat cliënten inmiddels een tuchtklacht hebben ingediend tegen [D] (‘ [D] ’) (...).
2 Klacht tegen [D]
2.1
De Samenwerkingsovereenkomst waar de Beslissing op ziet is opgesteld door [D] . Tussen [D] en cliënten bestaat verschil van inzicht over de aard van hun relatie (...). Ons standpunt is, kort gezegd, dat [D] ook is opgetreden voor cliënten; haar zorgplicht jegens cliënten niet in acht neemt; en haar verschoningsrecht ten onrechte niet inroept ten aanzien van informatie die met cliënten is gewisseld. Volgens [D] is van een advocaat-cliëntrelatie geen sprake en is zij cliënten niets verplicht.
2.2
Wij hebben [D] tevergeefs om een toelichting gevraagd op haar correspondentie met de rechter-commissaris. Wij begrijpen dat [D] geen klaagschrift heeft ingediend. Cliënten hebben zich mede daarom genoodzaakt gezien de Klacht in te dienen.
(...)
3.6
Wij verzoeken uw rechtbank het klaagschrift in behandeling te nemen. Zelfs als cliënten op grond van artikel 98 Sv Pro niet-ontvankelijk zijn, dan zijn zij op grond van artikel 552a Sv, uiteraard in verband met artikel 98 Sv Pro, ontvankelijk als belanghebbenden. Zij zijn cliënten van de geheimhouders van [D] . Het verschoningsrecht strekt tot bescherming van hun rechten.
(...)
4.1
Het Openbaar Ministerie stelt dat het beklag moet worden afgewezen omdat [D] , onder wier verschoningsrecht het document waar de Beslissing op ziet valt, het verschoningsrecht niet heeft ingeroepen en geen klaagschrift heeft ingediend. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de uitzonderlijke omstandigheid dat de advocaten van [D] het verschoningsrecht evident ten onrechte niet inroepen.
4.2
De verdediging heeft de rechter-commissaris bij de eerste gelegenheid proactief geïnformeerd over het feit dat dit wellicht zou gebeuren en aangedrongen op overleg, zowel bij rechter commissaris als bij [D] .
4.3
Het onjuiste standpunt van [D] doet niet af aan het fundamentele recht van cliënten (en de overige betrokkenen) om zich in vertrouwen met een advocaat (in dit geval: [D] ) te verstaan. Dat recht moet gerespecteerd worden, ook als de advocaten van [D] hun verplichtingen niet nakomen.”
2.2.4
De rechtbank heeft het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Feiten
Onder de naam Charlton is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen in de periode 1 juni 2022 tot en met 31 december 2023. [A] BV (hierna: [A] ), met middellijk bestuurder [betrokkene 1] worden ervan verdacht contracten te hebben afgesloten met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: het COA) voor het bemiddelen in tijdelijke opvanglocaties voor asielzoekers tussen het COA en [B] van het [klager]-concern.
Verdachte [klager] (hierna: [klager]) zou hierbij middels zijn verdachte bedrijf [medeklaagster] B.V. (hierna: [medeklaagster] ), de contactpersoon namens [B], zijn geweest.
Op 20 juni 2024 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in onder andere de woning van [betrokkene 1] . Tijdens deze doorzoeking heeft de rechter-commissaris een stuk, te weten een samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en [medeklaagster] van 4 november 2022, onder zich genomen om te beoordelen of daarop mogelijk een verschoningsrecht rust.
Procedure
Het klaagschrift is op 23 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
(...)
De beslissing van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft bij beslissing met betrekking tot filtering van mogelijk verschoningsgerechtigde informatie van 11 december 2024 bepaald dat de inbeslaggenomen samenwerkingsovereenkomst van 4 november 2022 mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
De rechter-commissaris heeft hierbij overwogen dat de overeenkomst is afgedrukt op papier met daarop het logo van advocatenkantoor [D] . Dit kantoor is door [betrokkene 1] en zijn vennootschappen veelvuldig geraadpleegd over transacties die onderwerp zijn van dit onderzoek, zo blijkt uit andere onderzoeksresultaten. Het mag dan ook worden aangenomen dat dit kantoor een rol heeft gehad bij de totstandkoming van deze samenwerkingsovereenkomst. Dat is op zichzelf onvoldoende, ook in combinatie met het logo, om ten aanzien van de overeenkomst zelf te kunnen zeggen dat deze onder het verschoningsrecht valt. Van die overeenkomst kan immers niet worden gezegd dat deze vertrouwelijke communicatie tussen (bijvoorbeeld) [betrokkene 1] en een advocaat van [D] bevat.
Standpunt van klager
De samenwerkingsovereenkomst valt onder het verschoningsrecht van [D] , nu deze door [D] is opgesteld voor haar cliënten. [D] trad op voor [A] , maar had ook een advocaat-cliënt-relatie met [medeklaagster] en [klager].
De door de rechter-commissaris aangelegde maatstaf bij de filtering is te beperkt.
Volgens vaste jurisprudentie strekt het verschoningsrecht zich niet slechts uit tot informatie die door een cliënt aan zijn advocaat is toevertrouwd of andersom, maar beschermt het de gehele relatie tussen een advocaat en de cliënt. In de overeenkomst staan werkzaamheden beschreven die in de praktijk door advocaten van [D] werden verricht. De inhoud van de overeenkomst raakt rechtstreeks aan die werkzaamheden. Deze werkzaamheden vallen onder de geheimhoudingsplicht van [D] . [D] heeft zich echter ten onrechte niet op het aan [D] toekomende verschoningsrecht beroepen. Tegen [D] is door de advocaten van klager inmiddels een tuchtklacht ingediend.
Primair wordt verzocht de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen en te bepalen dat de overeenkomst niet aan het onderzoeksteam mag worden vrijgegeven.
Subsidiair wordt verzocht de beslissing op het klaagschrift aan te houden teneinde nadere informatie over het standpunt van [D] in te winnen bij de rechter-commissaris, dan wel in afwachting van de tuchtprocedure.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren. Klager is geen verschoningsgerechtigde. Op grond van vaste jurisprudentie staat daarom geen beklag op grond van artikel 98 lid 4 Sv Pro voor hem open.
De samenwerkingsovereenkomst is opgesteld door [D] . [D] heeft als verschoningsgerechtigde geen klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Dan moet het ervoor worden gehouden dat door hen geen beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht.
Beoordeling
Bij de doorzoeking in het strafrechtelijk onderzoek Charlton zijn documenten in beslag genomen. Deze doorzoeking heeft plaatsgevonden bij [betrokkene 1] . Hij is de beslagene. De rechter-commissaris heeft vervolgens de inbeslaggenomen geschriften gefilterd op geheimhoudersstukken. Hieruit kwam de onderhavige samenwerkingsovereenkomst naar voren. In deze overeenkomst staat [medeklaagster] genoemd. [medeklaagster] en [klager] zijn geen beslagenen maar zijn wel als verdachten in het onderzoek Charlton aangemerkt.
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of een geschrift object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaakt, in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon.
Ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst is de rechtbank van oordeel dat die onder het verschoningsrecht van [D] valt, als opsteller van de overeenkomst.
[medeklaagster] en [klager] zijn geen verschoningsgerechtigden.
Gelet op het feit dat zij wel als verdachten zijn aangemerkt in dit strafrechtelijke onderzoek zal de rechtbank klager als belanghebbende in deze procedure zien.
Bij een procedure als de onderhavige is het aan de rechtbank om, als klager niet de verschoningsgerechtigde is, te onderzoeken of de verschoningsgerechtigde zelf op de hoogte is gesteld van het voornemen van de rechter-commissaris om een stuk waar verschoningsrecht op kan rusten, aan het onderzoeksteam vrij te geven.
Uit de door klager overgelegde stukken komt naar voren dat de rechter-commissaris op 22 januari 2025 aan klager heeft bericht dat de beschikking van 11 december 2024 ook naar (de gemachtigde van) [D] is gestuurd en dat er contact is geweest met [D] . [D] heeft geen klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris ingediend.
Nu niet is gebleken dat [D] zich ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst op het aan [D] toebehorende verschoningsrecht heeft beroepen, maakt dit dat verzoeker in zijn beklag niet-ontvankelijk zal worden verklaard.”
Juridisch kader
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 98 lid 1 tot Pro en met 4 Sv:
“1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij de artikelen 218 en 218a, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.
2. Indien de persoon met bevoegdheid tot verschoning bezwaar maakt tegen de inbeslagneming van brieven of andere geschriften omdat zijn plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt, wordt niet tot kennisneming overgegaan dan nadat de rechter-commissaris daarover heeft bepaald.
3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.
4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing.”
- Artikel 552a lid 1 Sv:
“De belanghebbenden kunnen zich schriftelijk beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van in beslag genomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over het al dan niet toepassen van de in artikel 116, vierde lid, neergelegde bevoegdheid, over de vordering van gegevens, over het bevel toegang te verschaffen tot een geautomatiseerd werk of delen daarvan, tot een gegevensdrager of tot versleutelde gegevens dan wel kennis omtrent de beveiliging daarvan ter beschikking te stellen, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of op vordering verstrekt, over de kennisneming of het gebruik van gegevens, opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, over de vordering gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede over de ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in de artikelen 125o en 126cc, vijfde lid, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanige opheffing. De belanghebbenden kunnen zich voorts schriftelijk beklagen over een bevel tot het ontoegankelijk maken van gegevens, bedoeld in artikel 125p. Over het beklag, bedoeld in de vorige volzin, beslist het gerecht zo spoedig mogelijk.”
2.4.1
Artikel 98 Sv Pro bevat een regeling die ertoe strekt dat bij inbeslagneming van voorwerpen het (professionele) verschoningsrecht wordt gerespecteerd. Het is de rechter-commissaris die beslist of inbeslagneming is toegestaan (artikel 98 lid 1 en Pro 3 Sv). Als de rechter-commissaris beslist dat de inbeslagneming is toegestaan van een brief of ander geschrift waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat het verschoningsrecht zich daarover uitstrekt, moet hij op grond van artikel 98 lid 3 Sv Pro de betreffende verschoningsgerechtigde mededelen dat tegen zijn beslissing beklag openstaat. Zo’n beschikking moet daartoe aan de verschoningsgerechtigde worden betekend (vgl. artikel 98 lid 4 Sv Pro en HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:562, rechtsoverweging 2.4.3). De verschoningsgerechtigde kan binnen veertien dagen na de betekening op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift tegen de beschikking indienen. Artikel 98 lid 4 Sv Pro stelt de mogelijkheid tot het indienen van een klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris uitsluitend open voor de in artikel 98 lid 1 Sv Pro bedoelde personen met bevoegdheid tot verschoning.
2.4.2
Het wettelijke stelsel voorziet verder in de mogelijkheid van belanghebbenden om op grond van artikel 552a Sv beklag te doen tegen (onder meer) de inbeslagneming van stukken en/of gegevens. In het geval dat de beslagene of een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, in die beklagprocedure aanvoert dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen ten aanzien van die stukken en/of gegevens, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat ook in dat geval de procedure als bedoeld in artikel 98 Sv Pro zal moeten worden gevolgd. De rechter-commissaris zal dan, met inachtneming van de onder 2.4.1 geschetste procedure, moeten beslissen over het beroep op het verschoningsrecht. In de beklagzaak van de beslagene of een andere belanghebbende die niet de verschoningsgerechtigde is, moet het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt worden genomen. Als in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de betreffende stukken of gegevens in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende in zoverre gegrond en is kennisneming van die stukken of gegevens niet toegestaan. Als de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient, of als het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet het klaagschrift van de beslagene of belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het de klachten over het verschoningsrecht betreft. (Vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076 en HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1343.)
Het oordeel van de Hoge Raad
2.5
De rechtbank heeft vastgesteld dat de klager geen verschoningsgerechtigde is als bedoeld in artikel 98 lid 1 Sv Pro. Die vaststelling brengt met zich dat, gelet op wat onder 2.4.1 is vooropgesteld, voor de klager niet de mogelijkheid openstaat tot het indienen van een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 Sv Pro tegen de beschikking van de rechter-commissaris. De rechtbank heeft de klager op die grond terecht niet-ontvankelijk verklaard in het klaagschrift voor zover dat zich richt tegen de beschikking van de rechter-commissaris.
2.6.1
In een geval als dit, waarin het beklag in het klaagschrift is aangeduid als een beklag dat is gericht tegen de beschikking die de rechter-commissaris op grond van artikel 98 lid 3 Sv Pro heeft genomen, maar uit de inhoud van het klaagschrift ook kan worden afgeleid dat het beklag zich richt tegen het gebruik van de samenwerkingsovereenkomst, op de grond dat niet de juiste procedure is gevolgd die geldt bij de inbeslagneming van een geschrift waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt, moet de rechter – zoals de rechtbank kennelijk heeft gedaan – het beklag mede opvatten als beklag op grond van artikel 552a Sv tegen de inbeslagneming van de samenwerkingsovereenkomst. Er moet immers van worden uitgegaan dat de klager het rechtsmiddel heeft willen instellen dat openstond tegen het gebruik van de samenwerkingsovereenkomst (vgl. HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rechtsoverweging 4.3.2).
2.6.2
De rechtbank heeft onder meer vastgesteld dat de samenwerkingsovereenkomst “onder het verschoningsrecht van [D] valt”. De rechter-commissaris heeft aan de klager bericht dat zijn beschikking naar (de gemachtigde van) [D] is gestuurd en dat er contact is geweest met [D] . De rechtbank heeft verder vastgesteld dat [D] geen klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris heeft ingediend en dat niet is gebleken dat [D] zich ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst op het verschoningsrecht heeft beroepen. Hieruit volgt dat [D] , als de verschoningsgerechtigde, geen klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 Sv Pro heeft ingediend. De rechtbank heeft daarom, gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, terecht het door de klager ingediende klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard voor zover dat tegen de inbeslagneming van de samenwerkingsovereenkomst is gericht.
2.6.3
Aan het vorenstaande doet niet af dat – zoals volgt uit de vaststellingen van de rechtbank – de beschikking van de rechter-commissaris niet (rechtsgeldig) is betekend aan [D] . Uit die vaststellingen volgt immers ook dat [D] op de hoogte is gesteld van de beschikking van de rechter-commissaris, terwijl ook de klager zelf heeft gesteld dat de verschoningsgerechtigde geen beroep doet op het verschoningsrecht en daarom geen klaagschrift heeft ingediend. Ook de namens de klager aangevoerde omstandigheden dat [D] ten onrechte geen beroep zou hebben gedaan op het verschoningsrecht, dat de klager (mede) in verband daarmee een tuchtrechtelijke procedure heeft aangespannen tegen [D] en dat de rechtbank niet de uitkomst van de tuchtprocedure heeft afgewacht, leiden niet tot een andere uitkomst. Het is immers aan de geheimhouder zelf om te beslissen of een beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht (vgl. HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066). De rechtbank was niet gehouden de uitkomst van de tuchtprocedure af te wachten.
2.7
Gelet op het vorenstaande zijn de cassatiemiddelen tevergeefs voorgesteld. Dit brengt dat mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen (vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:312).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.