Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een beklag ex artikel 98 lid 4 jo Pro. artikel 552a Sv tegen beslag op een samenwerkingsovereenkomst in een strafrechtelijk onderzoek naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen. De samenwerkingsovereenkomst is in beslag genomen door de rechter-commissaris tijdens een doorzoeking en vrijgegeven aan het onderzoeksteam. Klager stelde dat de overeenkomst onder het verschoningsrecht van het advocatenkantoor [D] viel en dat de juiste procedure niet was gevolgd.
De rechtbank heeft vastgesteld dat klager en medeklaagster geen verschoningsgerechtigden zijn en dat het advocatenkantoor [D], als verschoningsgerechtigde, geen klaagschrift heeft ingediend tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Hierdoor is klager niet ontvankelijk in zijn klaagschrift ex artikel 98 lid 4 Sv Pro. De rechtbank heeft het klaagschrift daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad bevestigt dat alleen personen met bevoegdheid tot verschoning een klaagschrift kunnen indienen ex artikel 98 lid 4 Sv Pro. Belanghebbenden die niet verschoningsgerechtigd zijn, kunnen wel beklag doen ex artikel 552a Sv, maar als de verschoningsgerechtigde geen beroep doet op het recht, moet het klaagschrift van de belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het betrekking heeft op het verschoningsrecht.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het klaagschrift van klager niet-ontvankelijk heeft verklaard en neemt het cassatieberoep niet in behandeling. Ook het feit dat het advocatenkantoor geen beroep deed op het verschoningsrecht en dat klager een tuchtklacht tegen het kantoor heeft ingediend, leidt niet tot een andere uitkomst. Het is aan de geheimhouder zelf om te beslissen of het verschoningsrecht wordt ingeroepen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen verschoningsgerechtigde is en het advocatenkantoor geen beroep op het verschoningsrecht heeft gedaan.