ECLI:NL:HR:2026:1150

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/04185
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste afwijzing verzoek tot horen medeverdachte als getuige in mensenhandelzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen medeplegen van mensenhandel in de zin van arbeidsuitbuiting van au-pairs uit Indonesië. De Hoge Raad vernietigt het arrest omdat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van een medeverdachte als getuige heeft afgewezen.

De Hoge Raad stelt vast dat na een terugwijzing of verwijzing door de Hoge Raad het onderzoek door het hof opnieuw moet worden aangevangen en dat het de verdachte vrijstaat om nieuwe verzoeken tot getuigenverhoor in te dienen, ook als in eerdere procedures afstand was gedaan van dergelijke verzoeken. Het hof had het verzoek afgewezen omdat de verdediging in een eerdere zitting afstand had gedaan van het horen van de medeverdachte, maar deze motivering is onjuist.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor een volledige herbeoordeling en afdoening. De verdere cassatiemiddelen behoeven geen bespreking meer. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04185
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 november 2024, nummer 23-000329-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte] als getuige.
2.2.1
De procesgang in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. Bij arrest van 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:156 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam vernietigd omdat – kort gezegd – de vrijspraak “kennelijk op de onjuiste opvatting [berust] dat slechts de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting en dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, daarom geen bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel toelaten”.
Na terugwijzing van de zaak heeft het hof Amsterdam de verdachte veroordeeld voor het meermalen medeplegen van mensenhandel, tegen welke veroordeling het huidige cassatieberoep zich richt. De procesgang na terugwijzing van de zaak houdt – kort samengevat – in dat de raadsman op 17 oktober 2024 per e- mail een aantal verzoeken tot nader onderzoek heeft gedaan, waaronder het verzoek tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte] als getuige. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024 houdt daarover onder meer in:
“De voorzitter maakt melding van de volgende bij het hof ingekomen stukken.
In de zaken van beide verdachten:
- een e-mailbericht van de raadsman van 17 oktober 2024, inhoudende een aantal verzoeken tot nader onderzoek en het verzoek de zitting van heden een regiekarakter te geven;
(...)
De raadslieden worden in de gelegenheid gesteld de verzoeken om onderzoek, aangekondigd in de mail van 17 oktober 2024, te doen naar voren te brengen en toe te lichten. Mr. Weski voert in beide zaken het volgende aan:
Ik verzoek namens beide cliënten de volgende personen te horen als getuige:
(...)
19. Beide cliënten over en weer in elkaars zaken.
(...)
Aangezien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, is het criterium van het verdedigingsbelang aan de orde.
(...)
Tot slot wenst de verdediging beide cliënten te horen in elkaars zaken. De verdediging wenst vragen te stellen over de paspoorten van de aangeefsters en eventueel over het wel of niet behaalde economisch voordeel. (...)
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld haar standpunt met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging kenbaar te maken. Zij voert het volgende aan:
Gelet op het tijdstip van het indienen van de verzoeken, dienen de verzoeken te worden getoetst aan het noodzaakscriterium. De raadslieden hadden de verzoeken eerder kunnen indienen. Ik verwijs naar een arrest van uw hof van 23 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:457. Het gaat erom of de ‘procedure as a whole’ eerlijk is geweest. Ik meen dat alle verzoeken dienen te worden afgewezen.
Voorafgaand aan de terugwijzing van de Hoge Raad, zijn dezelfde verzoeken reeds uitvoerig besproken op de regiezitting in hoger beroep van 8 augustus 2018. (...)
Ook het horen van de verdachten in elkaars zaken (
verzoek 19) is eerder ter terechtzitting in hoger beroep van 8 augustus 2018 verzocht door de verdediging. In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 en 25 november 2021 lees ik op pagina 3 dat de verdediging in de zaak van [verdachte] afstand heeft gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige, die niet ter terechtzitting aanwezig was. Ik verwijs naar het arrest van uw hof uit 2023 dat ik zojuist heb genoemd en verzoek u dit verzoek om proceseconomische redenen af te wijzen. De verdediging wenst de verdachten in elkaars zaken te horen over de paspoorten. Ik verwijs naar pagina A 06 191 van het procesdossier, waar staat beschreven dat [medeverdachte] tijdens het binnentreden de paspoorten uit een plastic tas uit de kast haalde. Het is duidelijk dat [medeverdachte] wist waar de paspoorten lagen. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 verklaard dat zij bang was dat de aangeefsters zouden vertrekken met haar kinderen. Het is duidelijk dat zij de paspoorten had ingenomen. Daarom zie ik geen noodzaak tot het horen van de verdachten in elkaars zaken.
(...)
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de advocaat-generaal dat het noodzaakscriterium van toepassing is. Hij deelt in dat verband mede:
Wij zijn van mening dat het criterium van het verdedigingsbelang geldt, tenzij de verzochte getuigen al eerder zijn gehoord. Dat geldt ook voor het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen als getuige, ook al heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] .”
2.2.2
Het hof heeft het verzoek tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte] als getuige afgewezen. Het hof heeft deze afwijzing als volgt gemotiveerd:
“Het verzoek tot het horen van de verdachten in elkaars zaken (
verzoek 19) wordt
afgewezen. De verdediging heeft in de zaak van [verdachte] reeds ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 afstand gedaan van het horen van [medeverdachte] als getuige. Om die reden wordt het verzoek om [medeverdachte] in de zaak van [verdachte] te horen afgewezen. (...) Evenmin ziet het hof in de arresten van de Hoge Raad in onderhavige zaken aanleiding om de verdachten (nogmaals) in elkaars zaak te horen als getuige.”
2.3
Als in een cassatieprocedure de Hoge Raad een uitspraak vernietigt en de zaak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, op grond van artikel 440 van Pro het Wetboek van Strafvordering terugwijst naar het hof of verwijst naar een ander hof om opnieuw te worden berecht en afgedaan, heeft de rechter die na verwijzing of terugwijzing moet oordelen tot taak het onderzoek binnen de uit de beslissing van de Hoge Raad voortvloeiende grenzen geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rechtsoverweging 2.69).
2.4
Het hof heeft het verzoek van de verdediging tot het horen van de medeverdachte [medeverdachte] als getuige afgewezen, omdat de verdediging al op de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 – en dus vóór terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – afstand heeft gedaan van het horen van de medeverdachte [medeverdachte] als getuige. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, staat het namelijk de verdachte vrij om, nadat als gevolg van verwijzing of terugwijzing door de Hoge Raad het onderzoek opnieuw is aangevangen, een verzoek tot het horen van een bepaalde getuige te doen, ook als in de procedure voor die verwijzing of terugwijzing, door of namens de verdachte niet zo’n verzoek is gedaan dan wel zo’n verzoek wel is gedaan, maar op enig moment niet is gehandhaafd.
2.5
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.