ECLI:NL:HR:2026:1196

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
24/03452
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bisArt. 6 lid 1 EVEX IIArt. 7 lid 1 RvArt. 3:305a oud BWArt. 101 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid en ontvankelijkheid in collectieve actie over manipulatie JPY LIBOR rentebenchmark

In deze cassatieprocedure oordeelt de Hoge Raad over vier zaken waarin financiële instellingen, waaronder Rabobank, Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP, worden aangesproken in een collectieve actie van Stichting ELCO Foundation wegens vermeende manipulatie van de JPY LIBOR rentebenchmark.

De Stichting vordert verklaringen voor recht dat deze instellingen onrechtmatig hebben gehandeld door het manipuleren van rentebenchmarks en het vormen van een verboden kartel. De rechtbank Amsterdam verklaarde de Stichting aanvankelijk niet-ontvankelijk, maar het hof oordeelde anders en verklaarde de Nederlandse rechter internationaal bevoegd voor de meeste vorderingen, behalve voor een specifieke vordering tegen Lloyds Bank c.s.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is op grond van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis en aanverwante bepalingen, en dat de collectieve actie ontvankelijk is op grond van artikel 3:305a (oud) BW. De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen van de financiële instellingen en veroordeelt hen tot betaling van de proceskosten.

De uitspraak benadrukt dat de collectieve actie een efficiënte en effectieve rechtsbescherming biedt, ook al kunnen verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn op de individuele belangen van benadeelden. Tevens wordt bevestigd dat het criterium van voorzienbaarheid geen zelfstandig vereiste is voor de internationale bevoegdheid onder artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen en bevestigt de internationale bevoegdheid en ontvankelijkheid van de collectieve actie tegen de financiële instellingen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummers24/03443, 24/03448, 24/03449 en 24/03452
Datum17 juli 2026
ARREST
In zaak 24/03452 van
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
hierna: Rabobank,
advocaten: J.W.M.K. Meijer en F.J.L. Kaptein,
tegen
STICHTING ELCO FOUNDATION,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Stichting,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
en in zaak 24/03449 van
LLOYDS BANK PLC,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
EISERES tot cassatie,
hierna: Lloyds Bank,
advocaat: F.E. Vermeulen,
tegen
STICHTING ELCO FOUNDATION,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Stichting,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
en in zaak 24/03448 van
1. UBS AG,
gevestigd te Zürich, Zwitserland,
hierna: UBS Zwitserland,
2. UBS SECURITIES JAPAN CO. LTD,
gevestigd te Tokio, Japan,
hierna: UBS Japan,
EISERESSEN tot cassatie,
hierna gezamenlijk: UBS c.s.,
advocaten: S.M. Kingma en R. de Graaff,
tegen
STICHTING ELCO FOUNDATION,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Stichting,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
en in zaak 24/03443 van
ICAP EUROPE LTD,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
EISERES tot cassatie,
hierna: ICAP,
advocaten: B.M.H. Fleuren en R.A. González Nicolás,
tegen
STICHTING ELCO FOUNDATION,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Stichting,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas.
In deze uitspraak worden Rabobank, Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP gezamenlijk aangeduid als Rabobank c.s.
Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP worden gezamenlijk aangeduid als Lloyds Bank c.s.

1.Procesverloop in zaken 24/03443, 24/03448, 24/03449 en 24/03452

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/646912 / HA ZA 18-416 van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2019 en 9 december 2020;
b. de arresten in de zaak 200.292.172/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2024 en 11 juni 2024.
Rabobank, Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP hebben ieder afzonderlijk tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Stichting heeft in de vier zaken een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Rabobank mede door N. Vonk en G.J. Uijen en voor ICAP mede door B. van Niekerk en M.S. Livestro.
De conclusies van de Advocaat-Generaal F. Ibili in de vier zaken strekken tot verwerping van de cassatieberoepen.
De advocaten van Rabobank c.s. hebben schriftelijk op die conclusies gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In deze collectieve actie op grond van art. 3:305a (oud) BW heeft de Stichting een verklaring voor recht gevorderd over onrechtmatige gedragingen van een aantal financiële ondernemingen in verband met beïnvloeding van rentebenchmarks. Volgens de Stichting is, kort gezegd, sprake geweest van een samenwerking tussen deze partijen in de vorm van een op grond van art. 101 VWEU Pro verboden kartel waarin (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR – een referentierente voor de Japanse Yen – onderling werd(en) afgestemd. In cassatie komt een aantal vragen aan bod over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en over de ontvankelijkheid op grond van art. 3:305a (oud) BW. De in deze uitspraak behandelde zaken hangen samen met zaak 24/03432. [1]
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) EURIBOR (acroniem voor ‘Euro InterBank Offered Rate’) en LIBOR (acroniem voor ‘London InterBank Offered Rate’) zijn verzamelnamen voor dagelijks gepubliceerde rentebenchmarks. De EURIBOR en de LIBOR worden gebruikt op de financiële markten: op basis daarvan worden futures (termijncontracten), opties, swaps en andere derivaten die via de over-the-counter markten en beurzen worden verhandeld, afgewikkeld. Daarnaast worden EURIBOR en LIBOR als referentiekoers gebruikt voor rentedragende leningen.
(ii) De EURIBOR-rentebenchmarks (voor verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat Europese (panel)banken die zijn aangesloten bij de European Banking Federation, iedere werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij dachten dat een hypothetische grootbank ongedekte leningen in euro’s met verschillende looptijden kon verstrekken of aantrekken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de EURIBOR-rentebenchmark voor de desbetreffende looptijd.
(iii) De verschillende LIBOR-rentebenchmarks (voor verschillende valuta en verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat een selectie van (panel)banken die zijn aangesloten bij de British Bankers’ Association, elke werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij op dat moment op de interbancaire geldmarkt een lening verwachtten te kunnen aantrekken voor de verschillende looptijden. Elke LIBOR-(valuta)rentebenchmark had een eigen samenstelling van panelbanken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de LIBOR-rentebenchmark voor de desbetreffende valuta en desbetreffende looptijd.
(iv) Het panel voor de JPY LIBOR bestond uit zestien banken, waaronder Rabobank, UBS Zwitserland en Lloyds Bank. Rabobank was ook panelbank voor onder meer USD LIBOR, GBP LIBOR en EURIBOR.
(v) UBS Japan is rechtsopvolgster van UBS Securities Japan Ltd. Zij is actief op het gebied van investment banking en broker dealer operations.
(vi) ICAP is een interdealer broker. Zij bemiddelt tussen financiële instellingen die opereren als handelaren in onder meer financiële instrumenten. Zij is zelf geen partij bij financiële transacties.
(vii) Vanaf medio 2008 hebben verschillende autoriteiten in de Verenigde Staten en elders in de wereld de indieningsprocessen van verschillende LIBOR- en EURIBOR-rentebenchmarks onderzocht. Naar aanleiding van deze bevindingen hebben Rabobank, Lloyds Bank en UBS c.s. met verschillende autoriteiten (schikkings)overeenkomsten gesloten. Daarbij zijn in een aantal gevallen ‘Statements of Facts’ (hierna: SOF(’s)) gevoegd met een door de desbetreffende bank onderschreven weergave van de voor de schikking relevante feiten. In Europa en de Verenigde Staten zijn verschillende bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en civiele (collectieve actie) procedures gevoerd en aanhangig in verband met vermeende beïnvloeding van rentebenchmarks. Rabobank c.s. waren en zijn in een aantal van deze procedures betrokken.
(viii) De Stichting is in juni 2016 opgericht. Zij heeft volgens haar statuten onder meer tot doel het behartigen van de belangen van de ‘Belanghebbenden’ die schade lijden, schade dreigen te lijden en/of schade hebben geleden ten gevolge van handelen of nalaten van de ‘Financiële Instellingen’ dat aanleiding geeft tot een ‘Claim’ (een en ander zoals gedefinieerd in de statuten). Het gaat in dit verband kort gezegd om bepaalde transacties en betalingen die buiten de Verenigde Staten hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2011 in verband waarmee een vergoeding is betaald die gerelateerd was aan, verwees naar of anderszins verband hield met de rentebenchmarks. De Stichting tracht dit doel te bereiken door onder meer het initiëren van gerechtelijke procedures in binnen- en buitenland, waaronder procedures als bedoeld in art. 3:305a (oud) BW.
2.3
De Stichting vordert in deze procedure ten aanzien van Rabobank, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Rabobank:
(A) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 november 2010 (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig heeft gehandeld jegens belanghebbenden:
(1) omdat zij haar interne (administratieve) organisatie en/of interne toezichtsapparaat zodanig had ingericht (een nalaten daaronder begrepen) dat het manipuleren van rentebenchmarks daardoor in de hand werd gewerkt, althans werd mogelijk gemaakt; en/of
(2) doordat zij, althans haar werknemers, rentebenchmarks heeft/hebben gemanipuleerd, subsidiair dat heeft/hebben gedaan op een aantal in de inleidende dagvaarding vermelde dagen;
(3) doordat zij, althans haar werknemers, heeft/hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU Pro, teneinde rentebenchmarks te manipuleren;
(B) gelet op het onrechtmatig manipuleren van rentebenchmarks door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de rentebenchmarks met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW Pro;
(C) (op structurele en/of doorlopende basis) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 november 2010 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden.
2.4
Ten aanzien van Lloyds Bank c.s. vordert de Stichting, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat zij:
(D) ieder voor zich, althans hun werknemers, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2009 (Lloyds Bank), 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2010 (UBS c.s.) en 1 juli 2006 tot en met 31 december 2010 (ICAP) (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld jegens belanghebbenden doordat zij, althans hun werknemers, hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU Pro, teneinde de JPY LIBOR te manipuleren;
(E) ieder voor zich, althans hun werknemers, gelet op het onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW Pro.
2.5
Bij vonnis in incident heeft de rechtbank [2] , voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de hiervoor in 2.3 en 2.4 weergegeven vorderingen.
Bij eindvonnis heeft de rechtbank [3] de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie.
2.6.1
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 5 maart 2024 [4] geoordeeld over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen en over de ontvankelijkheid van de Stichting in de collectieve actie.
2.6.2
Ten aanzien van de internationale bevoegdheid oordeelde het hof dat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht ten aanzien van vorderingen A, B en C (rov. 4.6). Dat geldt ook voor vordering D (rov. 4.8-4.12). Anders dan de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van vordering E (rov. 4.13). In verband met de internationale bevoegdheid ten aanzien van de tegen Lloyds Bank c.s. ingestelde vordering D heeft het hof onder meer overwogen:
“4.8 Voor vordering D fungeert de tegen Rabobank ingestelde vordering A(3), voor zover deze betrekking heeft op de JPY LIBOR, als ‘ankervordering’. Beide vorderingen strekken in zoverre ertoe dat wordt vastgesteld dat Rabobank c.s. jegens de Belanghebbenden (hoofdelijk) aansprakelijk zijn uit hoofde van onrechtmatige daad voor schade als gevolg van de gestelde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod door de JPY LIBOR (trachten te) beïnvloeden. (…).
(…)
4.1
De voor vordering A(3) relevante periode valt geheel of grotendeels samen met de periodes genoemd in vordering D. Deze vorderingen zijn gebaseerd op de SOF’s en andere bevindingen met betrekking tot vermeende ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s. (…). Deze houden onder meer in dat er directe en/of indirecte contacten bestonden tussen enerzijds Rabobank en anderzijds Lloyds c.s. (ieder voor zich). (…). Hieruit volgt dat de vorderingen A(3) en D zien op dezelfde feitelijke situatie in de zin van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis.
In vordering D wordt een verklaring voor recht gevraagd dat Rabobank c.s. artikel 101 VWEU Pro hebben overtreden. De aan deze ‘stand alone’ kartelvordering ten grondslag gelegde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod dient in de zaken tegen alle geïntimeerden te worden beoordeeld aan de hand van het in deze vordering genoemde artikel 101 VWEU Pro. Indien is vastgesteld dat artikel 101 VWEU Pro is overtreden, levert dat een Unierechtelijk recht op schadevergoeding op dat wordt beheerst door het nationale recht van de lidstaten van de Europese Unie, met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel (zie arrest Kone e.a. van 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317, punten 24-26 en de daar aangehaalde rechtspraak). Voor zover het eventueel op de vorderingen van de Stichting toepasselijk recht niet dat van een lidstaat van de Europese Unie is, is het hof van oordeel dat, gezien hetgeen over en weer aangevoerd is, voorshands, gezien de uit te voeren toets in het kader van beoordeling van de rechtsmacht, voldoende aannemelijk is geworden dat een overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod zoals bedoeld in vordering D naar het mogelijk toepasselijk ander recht eveneens onrechtmatig zal zijn tegenover degenen die daardoor schade hebben geleden. Hieruit volgt dat de vorderingen A(3) en D dezelfde situatie rechtens betreffen zoals vereist voor toepassing van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis.
Met gezamenlijke behandeling van deze vorderingen wordt voorkomen dat verschillende rechters dezelfde vragen moeten beantwoorden en onverenigbare beslissingen kunnen geven over bedoeld onrechtmatig handelen van Rabobank c.s.
4.11
De stellingen van Lloyds c.s. leiden niet tot een andere conclusie. Gezien de feitelijke onderbouwing van de vorderingen A(3) en D kan niet worden gezegd dat Lloyds c.s. ieder voor zich alleen samen met de Rabobank door de Stichting in deze procedure zijn betrokken om bevoegdheid van de Nederlandse rechter te creëren. (…)
Voor zover Lloyds c.s. beogen te stellen dat de Stichting misbruik maakt van de in rov. 4.7 genoemde bepalingen, doen zij dat tevergeefs omdat het aanbrengen van de zaak voor de Nederlandse rechter alleen als misbruik van bevoegdheidsbepalingen kan worden aangemerkt als toewijzing redelijkerwijs reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht. Dat is niet het geval.
(…)
Gezien hun deelname aan of betrokkenheid bij het JPY LIBOR panel moet het voorts voor Lloyds c.s. ieder voor zich redelijkerwijs voorzienbaar zijn geweest dat zij voor een vordering die betrekking heeft op vermeende onregelmatigheden bij de vaststelling van de JPY LIBOR – zoals de vorderingen A(3) en D – in rechte zouden kunnen worden betrokken voor het gerecht in de woonplaats van een (andere) panelbank in het JPY LIBOR panel, waaronder Rabobank.
Waar de gestelde afstemming feitelijk plaatsvond en of vordering D al dan niet een reële band heeft met Nederland is in dit verband niet van belang.
4.12
De slotsom luidt dat de rechtbank Amsterdam rechtsmacht heeft ten aanzien van vordering D. Er is geen grond voor beperking van deze rechtsmacht zoals Lloyds c.s. in hun hoger beroep (meer) subsidiair hebben geconcludeerd.”
2.6.3
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de Stichting in de collectieve actie heeft het hof geoordeeld dat de rechtbank de Stichting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in vordering C. Daarentegen heeft het hof, anders dan de rechtbank, de Stichting wel ontvankelijk geacht in de vorderingen A, B en D (rov. 4.14-4.25). In verband met de ontvankelijkheid heeft het hof onder meer overwogen:
“4.19 Deze collectieve actie gaat over de vraag of de aan de vorderingen A en D ten grondslag gelegde gedragingen onrechtmatig zijn en, wat vordering B betreft of is voldaan aan de vereisten van mede-aansprakelijkheid op de voet van artikel 6:166 BW Pro, indien van toepassing.
Aan de vorderingen A(3) en D is ten grondslag gelegd dat het Unierechtelijk kartelverbod is overtreden, dus dat sprake is van samenspanning door Rabobank c.s. met een onmiddellijk en wezenlijk effect binnen de Europese Unie. De vorderingen lenen zich daarom voor bundeling, ook al zal het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad, mogelijk tot (verdere) beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van Rabobank c.s. naar verschillende rechtsstelsels leiden.
Overeenkomstig de bedoeling van de Stichting bewerkstelligen deze vorderingen dat het daaraan ten grondslag gelegde onrechtmatig handelen van Rabobank (c.s.) – waaronder de aan de vorderingen A(3) en D ten grondslag gelegde overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod, die (nog) niet is vastgesteld in een beschikking van de Europese Commissie of een nationale mededingingsautoriteit – in één keer in deze procedure kan worden beoordeeld, als opmaat voor het vorderen van schadevergoeding of het treffen van een schikking.
4.2
De onder A, B en D gevraagde verklaringen voor recht zijn niet zo algemeen geformuleerd dat deze collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven individuele vorderingen. Indien en voor zover deze vorderingen worden toegewezen, kunnen de individuele Belanghebbenden schadevorderingen instellen of trachten een minnelijke regeling te treffen. Het ligt in de rede dat de schadebegroting per Belanghebbende een nadere feitenvaststelling zal vergen met betrekking tot hun individuele transacties en mogelijk met betrekking tot (meer) concrete gevallen van beïnvloeding van de rentebenchmarks. Dat neemt niet weg dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Daarbij is van belang dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de groep daadwerkelijk benadeelde Belanghebbenden zo klein is dat de collectieve actie geen enkel voordeel biedt boven door hen individueel in te stellen vorderingen. De Benadeelden hebben dus baat bij deze collectieve actie.”
2.6.4
Bij arrest van 11 juni 2024 [5] heeft het hof de vonnissen van de rechtbank (voor zover aan zijn oordeel onderworpen) vernietigd, en de rechtbank Amsterdam internationaal bevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering D, deze rechtbank onbevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering E, de Stichting ontvankelijk verklaard in vorderingen A, B en D, en de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in vordering C. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere afdoening met inachtneming van hetgeen in beide arresten is overwogen en beslist, en heeft het door Rabobank c.s. gevraagde verlof verleend om beroep in cassatie in te stellen.

3.Beoordeling van de middelen in de vier zaken

Internationale bevoegdheid

3.1
In cassatie geldt als onbestreden uitgangspunt dat de enige in aanmerking komende grond waarop de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd om kennis te nemen van vordering D, de bevoegdheidsgrond betreffende samenhangende vorderingen is, te weten art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis [6] (ten aanzien van Lloyds Bank en ICAP), art. 6, punt 1, EVEX II [7] (ten aanzien van UBS Zwitserland) en art. 7 lid 1 Rv Pro (ten aanzien van UBS Japan). Deze bepalingen stemmen – voor zover van belang voor de behandeling van de onderhavige zaken – inhoudelijk overeen. De Hoge Raad zal daarom hierna kortheidshalve alleen ingaan op art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis. De daarop betrekking hebbende overwegingen gelden op overeenkomstige wijze voor art. 6, punt 1, EVEX II en art. 7 lid 1 Rv Pro. [8]
3.2.1
Onderdeel A-1.2 van de middelen in de zaken van Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP keert zich tegen de overweging van het hof in rov. 4.11, laatste twee alinea’s. Hierin heeft het hof overwogen dat het, gezien hun deelname aan of betrokkenheid bij het JPY LIBOR-panel, voor Lloyds Bank c.s. ieder voor zich redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat zij voor een vordering die betrekking heeft op vermeende onregelmatigheden bij de vaststelling van de JPY LIBOR – zoals de vorderingen A(3) en D – in rechte zouden kunnen worden betrokken voor het gerecht in de woonplaats van een (andere) panelbank in het JPY LIBOR-panel, waaronder Rabobank. Voorts heeft het hof overwogen dat in dit verband niet van belang is waar de gestelde afstemming feitelijk plaatsvond en of vordering D al dan niet een reële band met Nederland heeft.
Het onderdeel klaagt dat het hof aldus heeft miskend dat de omstandigheid dat partijen uit verschillende landen deelnemen aan het JPY LIBOR-panel, nog niet meebrengt dat voor ieder van hen redelijkerwijs voorzienbaar is (in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis) dat zij voor een vordering die betrekking heeft op vermeende onregelmatigheden bij die activiteit, in rechte zouden kunnen worden betrokken voor het gerecht in de woonplaats van elk van de andere deelnemers aan de activiteit. Heeft het hof dat niet miskend, dan is zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het dagvaarden van Lloyds Bank c.s. voor de rechter van het thuisland van Rabobank redelijkerwijs voorzienbaar was, zeker tegen de achtergrond dat het JPY LIBOR-panel uit zestien banken bestond, waarvan enkel Rabobank in Nederland gevestigd was, aldus het onderdeel.
3.2.2
Art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis bevat een bijzondere bevoegdheidsregel die ziet op het geval dat er sprake is van meer dan één verweerder. Zij bepaalt dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, ook kan worden opgeroepen, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) kunnen beslissingen niet reeds onverenigbaar worden geacht omdat zij tot een divergentie in de beslechting van het geschil leiden; daarvoor is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. [9]
3.2.3
Het onderdeel berust op het uitgangspunt dat voor de toepassing van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, naast de hiervoor in 3.2.2 weergegeven voorwaarden, als zelfstandige voorwaarde geldt dat het voor een medeverweerder voorzienbaar moet zijn geweest dat hij kon worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een andere verweerder (de ‘ankergedaagde’). Dit uitgangspunt is onjuist. In de zaak
Electricity & Water Authority of the Government of Bahrainheeft het HvJEU geoordeeld, kort gezegd, dat voorzienbaarheid geen zelfstandig criterium is. [10] Het heeft voor recht verklaard dat art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis aldus moet worden uitgelegd dat
“bij de beoordeling of er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om voor het gerecht van de verweerder te worden opgeroepen, die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel van die bepaling.” [11]
Het HvJEU heeft in dat verband onder meer overwogen:
“80 Zoals de advocaat-generaal in de punten 81 tot en met 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, vormt de voorzienbaarheid een algemeen beginsel dat de bevoegdheidsregels beheerst en wordt dit beginsel geconcretiseerd door de criteria die in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of er sprake is van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012. De in deze verordening gebruikte begrippen kunnen dus niet worden uitgelegd op een wijze die in strijd is met dit beginsel. Aan dat beginsel wordt met name voldaan als de situaties waarin sprake is van een „zo nauwe band” voor een verweerder in het algemeen voorzienbaar zijn. In dit verband volstaat het dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen. Wat meer in het bijzonder vorderingen tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht betreft, is dit het geval wanneer een verweerder als deel van een onderneming aan één enkele inbreuk op artikel 101 VWEU Pro heeft deelgenomen. Daardoor moet hij worden geacht een nauwe band met de andere deelnemers tot stand te hebben gebracht en redelijkerwijs te kunnen voorzien dat hij kan worden opgeroepen voor het gerecht van de zetel van een ander lid van die onderneming.” [12]
Het onderdeel faalt dus omdat het op een onjuist uitgangspunt berust. Gelet op de uitleg die het HvJEU heeft gegeven in zijn arrest
Electricity & Water Authority of the Government of Bahrainis de overweging van het hof in rov. 4.11 dat het, gezien hun deelname aan of betrokkenheid bij het JPY LIBOR-panel, voor Lloyds c.s. ieder voor zich redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in rechte zouden kunnen worden betrokken voor het gerecht in de woonplaats van een (andere) panelbank, overigens niet onjuist of onbegrijpelijk.
3.3.1
Onderdeel A-3.1 van de middelen in de zaken van Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 dat de vorderingen A(3) en D dezelfde situatie rechtens betreffen zoals is vereist voor de toepassing van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis. Volgens het onderdeel is in dit kader relevant welk materieel recht op de respectieve vorderingen van toepassing is. Het gaat daarbij om een vergelijking tussen het materiële recht dat van toepassing is als de (in deze zaak:) Nederlandse rechter, overeenkomstig het Nederlandse conflictenrecht, de vorderingen tegen de ankergedaagde beoordeelt, tegenover het materiële recht dat van toepassing is als de rechter in het thuisland van de buitenlandse gedaagde, op basis van het conflictenrecht dat geldt voor die rechter, de vorderingen op de buitenlandse gedaagde beoordeelt. Is dit toepasselijke materiële recht identiek of vrijwel identiek aan het recht dat de Nederlandse rechter zou toepassen, dan is er eenzelfde situatie rechtens. Zijn verschillende materiële rechtstelsels van toepassing, dan vormt dat een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van eenzelfde situatie rechtens. Het hof heeft het vorenstaande miskend omdat het in het geheel geen analyse heeft gemaakt van het toepasselijke recht, aldus het onderdeel.
3.3.2
Het onderdeel faalt. Voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ als bedoeld in de rechtspraak van het HvJEU over art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis is niet vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat deze vorderingen op dezelfde rechtsgrondslag berusten. [13]
3.4.1
Onderdeel 3.7 van het middel in de zaak van ICAP klaagt dat het hof heeft miskend dat de vorderingen A(3) en D in de verhouding tussen Rabobank en ICAP niet dezelfde situatie rechtens betreffen omdat vordering A(3) op Rabobank wezenlijk verschilt van vordering D op ICAP, deze vorderingen juridisch onderscheidenlijke kwalificaties hebben en voor de beoordeling van deze vorderingen onderscheidenlijke maatstaven gelden. De Stichting verwijt de overige gedaagden panelbanken dat zij hebben samengespannen teneinde de JPY LIBOR te manipuleren, terwijl zij ICAP verwijt die beweerdelijke samenspanning te hebben gefaciliteerd. De vraag of ICAP voor het faciliteren van de beweerdelijke inbreuk op art. 101 VWEU Pro aansprakelijk kan worden gehouden, moet worden beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan die geldt voor de beoordeling van de vraag of Rabobank art. 101 VWEU Pro heeft geschonden, aldus het onderdeel.
3.4.2
Deze klacht faalt. Het hof heeft bij de beoordeling van de internationale bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis kennelijk en niet onbegrijpelijk de stellingen van de Stichting aldus opgevat dat zij ICAP verwijt tezamen met Rabobank, Lloyds Bank en UBS c.s. de JPY LIBOR structureel en voortdurend te hebben gemanipuleerd en daarmee, vanuit haar rol als broker, zelf te hebben meegedaan aan de onderling afgestemde gedragingen in strijd met art. 101 VWEU Pro die de Stichting ook aan Rabobank, Lloyds Bank en UBS c.s. verwijt. Het oordeel dat vordering A(3) tegen Rabobank en vordering D tegen ICAP eenzelfde situatie rechtens betreffen is dus niet onjuist of onbegrijpelijk. Daar komt bij dat ook als voor de beoordeling van vordering D tegen ICAP een andere maatstaf zou gelden dan voor de beoordeling van vordering A(3) tegen Rabobank, sprake is van eenzelfde situatie rechtens omdat ook dan (eerst) zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een inbreuk op art. 101 VWEU Pro.
Ontvankelijkheid art. 3:305a (oud) BW
3.5.1
Onderdeel B-1a van de middelen in de zaken van Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP en onderdeel 1a van het middel in de zaak van Rabobank klagen kort gezegd dat het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat de benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie, onjuist althans onvoldoende gemotiveerd is. Volgens deze onderdelen moet op individuele basis worden geprocedeerd om te kunnen vaststellen of jegens een beweerde belanghebbende onrechtmatig is gehandeld. De in de collectieve actie gevorderde verklaringen voor recht kunnen niet bijdragen aan het vorderen van schadevergoeding in een individuele procedure. Als gevolg daarvan heeft deze collectieve actie geen toegevoegde waarde voor beweerde benadeelden, aldus de onderdelen.
3.5.2
In deze zaak moet de ontvankelijkheid van de Stichting worden beoordeeld aan de hand van art. 3:305a (oud) BW. Met de regeling van art. 3:305a (oud) BW is beoogd een effectieve en efficiënte rechtsbescherming te bieden aan personen voor wier belangen een rechtspersoon als bedoeld in die bepaling opkomt. Een collectieve actie is in beginsel mogelijk als de bij de vordering betrokken belangen zich voor bundeling lenen. [14] Zij behoeven naar inhoud of omvang niet precies gelijk te zijn. [15]
3.5.3
De door de Stichting ingestelde vorderingen A, B en D strekken ertoe een verklaring voor recht te verkrijgen dat Rabobank c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door de JPY LIBOR in de relevante periode ongeoorloofd te beïnvloeden. De Stichting vraagt aldus een oordeel over de vermeende (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR door Rabobank c.s., zonder in te gaan op de bijzonderheden van individuele gevallen. Een dergelijk algemeen onrechtmatigheidsoordeel kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming zoals beoogd door art. 3:305a (oud) BW. Het ligt immers in de rede dat een dergelijk onrechtmatigheidsoordeel in eventuele afzonderlijke vervolgprocedures tot uitgangspunt wordt genomen, waarbij vervolgens kan worden ingegaan op de bijzonderheden van individuele gevallen en kan worden beoordeeld of een specifieke belanghebbende in de relevante periode nadelige gevolgen heeft ondervonden van het handelen van Rabobank c.s. [16]
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat beoordeling van de vorderingen A, B en D in deze collectieve actie kan bijdragen aan een efficiënte en effectieve rechtsbescherming en dat benadeelden baat hebben bij deze collectieve actie, niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd. De hiervoor in 3.5.1 weergegeven onderdelen falen.
3.6.1
Onderdeel B-2d (ii) van de middelen in de zaken van Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP en onderdeel 2d (ii) van het middel in de zaak van Rabobank zijn gericht tegen rov. 4.19 voor zover het hof daarin oordeelde dat, kort gezegd, sprake is van bundelbaarheid, ook al zal het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad, mogelijk tot (verdere) beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van Rabobank c.s. naar verschillende rechtsstelsels leiden. Volgens deze onderdelen is dat oordeel onjuist althans onbegrijpelijk. Het recht dat van toepassing is op de vorderingen van de Stichting moet per belanghebbende, per vordering en per aangesproken partij worden vastgesteld. Dit kan leiden tot toepassing van een veelheid van rechtsstelsels, waaronder mogelijk het recht van een niet-Europese staat (waar het VWEU toepassing mist). Het hof heeft miskend dat dit aan de bundelbaarheid van de bij de vorderingen betrokken belangen in de weg staat, althans het heeft zijn oordeel hierover niet gemotiveerd, aldus de onderdelen.
3.6.2
Ook deze onderdelen falen. Dat op de door de Stichting gevorderde verklaringen voor recht mogelijk verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, brengt niet mee dat de bij de vorderingen betrokken belangen zich niet voor bundeling lenen en staat niet in de weg aan het oordeel dat de behandeling van deze vorderingen in een collectieve actie voordeel biedt ten opzichte van individuele geschilbeslechting.
Overige klachten
3.7
De overige klachten van de middelen in de vier zaken kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
in zaak 24/03452:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Rabobank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Rabobank deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in zaak 24/03449:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Lloyds Bank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Lloyds Bank deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in zaak 24/03448:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt UBS c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien UBS c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;
in zaak 24/03443:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt ICAP in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien ICAP deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
17 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1197.
2.Rechtbank Amsterdam 14 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5827.
3.Rechtbank Amsterdam 9 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6122.
4.Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:451.
5.Gerechtshof Amsterdam 11 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1595.
6.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
7.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano, 30 oktober 2007, PbEU 2009, L 147.
8.Zie ook HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.3 en 4.2.2.
9.Zie o.m. HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC Hydrogen Peroxide), punt 20; HvJEU 13 februari 2025, zaak C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 22; HvJEU 16 april 2026, zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain), punt 51.
10.HvJEU 16 april 2026, zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain).
11.HvJEU 16 april 2026, zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain), dictum onder 2.
12.HvJEU 16 april 2026, zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain).
13.Vgl. o.m. HvJEU 11 oktober 2007, zaak C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport), punt 46-47; HvJEU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer), punt 80 en 84; HvJEU 11 april 2013, zaak C-645/11, ECLI:EU:C:2013:228 (Land Berlin), punt 44; HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC Hydrogen Peroxide), punt 23.
14.HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766, rov. 3.8.
15.HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:925, rov. 4.6.2.
16.Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, rov. 4.8.1-4.8.2; HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, rov. 7.3.