ECLI:NL:HR:2026:1197

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
24/03432
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:305a BW (oud)Art. 6:166 BWArt. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bisArt. 6 lid 1 EVEX II-VerdragArt. 7 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid en terugwijzing in collectieve actie inzake manipulatie JPY LIBOR rentebenchmark

In deze zaak staat een collectieve actie centraal die is ingesteld door Stichting ELCO Foundation tegen financiële instellingen zoals Rabobank, Lloyds Bank, UBS en ICAP wegens vermeende manipulatie van de JPY LIBOR rentebenchmark. De Stichting vordert onder meer verklaringen voor recht over onrechtmatig handelen en groepsaansprakelijkheid.

De rechtbank Amsterdam verklaarde zich internationaal bevoegd voor een deel van de vorderingen, maar wees de Stichting niet-ontvankelijk. Het gerechtshof Amsterdam vernietigde deze vonnissen, verklaarde de Stichting ontvankelijk voor bepaalde vorderingen en wees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is voor de meeste vorderingen, maar niet voor de groepsaansprakelijkheidsvordering tegen Lloyds Bank c.s. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste van eenzelfde situatie rechtens voor die vordering. Tevens bevestigt de Hoge Raad dat terugwijzing naar de rechtbank na vernietiging van een einduitspraak op louter processuele gronden is toegestaan in collectieve acties.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Stichting en veroordeelt haar in de proceskosten. Hiermee wordt de procedure voortgezet bij de rechtbank Amsterdam, waarbij de materiële behandeling van de zaak nog moet plaatsvinden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Stichting wordt verworpen en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/03432
Datum17 juli 2026
ARREST
In de zaak van
STICHTING ELCO FOUNDATION,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
hierna: de Stichting,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas,
tegen
1. COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Rabobank,
advocaten: J.W.M.K. Meijer en F.J.L. Kaptein,
2. LLOYDS BANK PLC,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Lloyds Bank,
advocaat: F.E. Vermeulen,
3. UBS AG,
gevestigd te Zürich, Zwitserland,
hierna: UBS Zwitserland,
4. UBS SECURITIES JAPAN CO. LTD,
gevestigd te Tokio, Japan,
hierna: UBS Japan,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: UBS c.s.,
advocaten: S.M. Kingma en R. de Graaff,
5. ICAP EUROPE LTD,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ICAP,
advocaten: B.M.H. Fleuren en R.A. González Nicolás.
In deze uitspraak worden Rabobank, Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP gezamenlijk aangeduid als Rabobank c.s.
Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP worden gezamenlijk aangeduid als Lloyds Bank c.s.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/646912 / HA ZA 18-416 van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2019 en 9 december 2020;
b. de arresten in de zaak 200.292.172/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2024 en 11 juni 2024.
De Stichting heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Rabobank, Lloyds Bank, UBS c.s. en ICAP hebben ieder afzonderlijk een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Rabobank mede door N. Vonk en G.J. Uijen en voor ICAP mede door B. van Niekerk en M.S. Livestro.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot vernietiging van het arrest van 11 juni 2024 en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam, en tot verwerping van het cassatieberoep tegen het arrest van 5 maart 2024.
De advocaten van Lloyds Bank c.s. hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In deze collectieve actie op grond van art. 3:305a (oud) BW heeft de Stichting een verklaring voor recht gevorderd over onrechtmatige gedragingen van een aantal financiële ondernemingen in verband met beïnvloeding van rentebenchmarks. Volgens de Stichting is, kort gezegd, sprake geweest van een samenwerking tussen deze partijen in de vorm van een op grond van art. 101 VWEU Pro verboden kartel waarin (pogingen tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de JPY LIBOR – een referentierente voor de Japanse Yen – onderling werd(en) afgestemd. In cassatie komt een aantal vragen aan bod over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en over de terugwijzing van de zaak door het hof naar de rechtbank. De in deze uitspraak behandelde zaak hangt samen met zaken 24/03452 (Rabobank), 24/03449 (Lloyds Bank), 24/03448 (UBS c.s.) en 24/03443 (ICAP). [1]
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) EURIBOR (acroniem voor ‘Euro InterBank Offered Rate’) en LIBOR (acroniem voor ‘London InterBank Offered Rate’) zijn verzamelnamen voor dagelijks gepubliceerde rentebenchmarks. De EURIBOR en de LIBOR worden gebruikt op de financiële markten: op basis daarvan worden futures (termijncontracten), opties, swaps en andere derivaten die via de over-the-counter markten en beurzen worden verhandeld, afgewikkeld. Daarnaast worden EURIBOR en LIBOR als referentiekoers gebruikt voor rentedragende leningen.
(ii) De EURIBOR-rentebenchmarks (voor verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat Europese (panel)banken die zijn aangesloten bij de European Banking Federation, iedere werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij dachten dat een hypothetische grootbank ongedekte leningen in euro’s met verschillende looptijden kon verstrekken of aantrekken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de EURIBOR-rentebenchmark voor de desbetreffende looptijd.
(iii) De verschillende LIBOR-rentebenchmarks (voor verschillende valuta en verschillende looptijden) kwamen tot stand doordat een selectie van (panel)banken die zijn aangesloten bij de British Bankers’ Association, elke werkdag aan Thomson Reuters doorgaven tegen welk rentetarief zij op dat moment op de interbancaire geldmarkt een lening verwachtten te kunnen aantrekken voor de verschillende looptijden. Elke LIBOR-(valuta)rentebenchmark had een eigen samenstelling van panelbanken. Na ontvangst van de tarieven van alle panelbanken werden de laagste en de hoogste weggestreept en vormde het gemiddelde van de overgebleven waarden de LIBOR-rentebenchmark voor de desbetreffende valuta en desbetreffende looptijd.
(iv) Het panel voor de JPY LIBOR bestond uit zestien banken, waaronder Rabobank, UBS Zwitserland en Lloyds Bank. Rabobank was ook panelbank voor onder meer USD LIBOR, GBP LIBOR en EURIBOR.
(v) UBS Japan is rechtsopvolgster van UBS Securities Japan Ltd. Zij is actief op het gebied van investment banking en broker dealer operations.
(vi) ICAP is een interdealer broker. Zij bemiddelt tussen financiële instellingen die opereren als handelaren in onder meer financiële instrumenten. Zij is zelf geen partij bij financiële transacties.
(vii) Vanaf medio 2008 hebben verschillende autoriteiten in de Verenigde Staten en elders in de wereld de indieningsprocessen van verschillende LIBOR- en EURIBOR-rentebenchmarks onderzocht. Naar aanleiding van deze bevindingen hebben Rabobank, Lloyds Bank en UBS c.s. met verschillende autoriteiten (schikkings)overeenkomsten gesloten. Daarbij zijn in een aantal gevallen ‘Statements of Facts’ gevoegd met een door de desbetreffende bank onderschreven weergave van de voor de schikking relevante feiten. In Europa en de Verenigde Staten zijn verschillende bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en civiele (collectieve actie) procedures gevoerd en aanhangig in verband met vermeende beïnvloeding van rentebenchmarks. Rabobank c.s. waren en zijn in een aantal van deze procedures betrokken.
(viii) De Stichting is in juni 2016 opgericht. Zij heeft volgens haar statuten onder meer tot doel het behartigen van de belangen van de ‘Belanghebbenden’ die schade lijden, schade dreigen te lijden en/of schade hebben geleden ten gevolge van handelen of nalaten van de ‘Financiële Instellingen’ dat aanleiding geeft tot een ‘Claim’ (een en ander zoals gedefinieerd in de statuten). Het gaat in dit verband kort gezegd om bepaalde transacties en betalingen die buiten de Verenigde Staten hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2011 in verband waarmee een vergoeding is betaald die gerelateerd was aan, verwees naar of anderszins verband hield met de rentebenchmarks. De Stichting tracht dit doel te bereiken door onder meer het initiëren van gerechtelijke procedures in binnen- en buitenland, waaronder procedures als bedoeld in art. 3:305a (oud) BW.
2.3
De Stichting vordert in deze procedure ten aanzien van Rabobank, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Rabobank:
(A) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 november 2010 (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig heeft gehandeld jegens belanghebbenden:
(1) omdat zij haar interne (administratieve) organisatie en/of interne toezichtsapparaat zodanig had ingericht (een nalaten daaronder begrepen) dat het manipuleren van rentebenchmarks daardoor in de hand werd gewerkt, althans werd mogelijk gemaakt; en/of
(2) doordat zij, althans haar werknemers, rentebenchmarks heeft/hebben gemanipuleerd, subsidiair dat heeft/hebben gedaan op een aantal in de inleidende dagvaarding vermelde dagen;
(3) doordat zij, althans haar werknemers, heeft/hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU Pro, teneinde rentebenchmarks te manipuleren;
(B) gelet op het onrechtmatig manipuleren van rentebenchmarks door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de rentebenchmarks met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW Pro;
(C) (op structurele en/of doorlopende basis) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 november 2010 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van belanghebbenden.
2.4
Ten aanzien van Lloyds Bank c.s. vordert de Stichting, voor zover in cassatie van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat zij:
(D) ieder voor zich, althans hun werknemers, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2009 (Lloyds Bank), 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2010 (UBS c.s.) en 1 juli 2006 tot en met 31 december 2010 (ICAP) (op structurele en/of doorlopende basis) onrechtmatig hebben gehandeld jegens belanghebbenden doordat zij, althans hun werknemers, hebben samengespannen met een of meer medegedaagden, welke samenspanning een ‘overeenkomst’ althans ‘onderling afgestemde gedragingen’ vormt/vormen in de zin van art. 101 VWEU Pro, teneinde de JPY LIBOR te manipuleren;
(E) ieder voor zich, althans hun werknemers, gelet op het onrechtmatig manipuleren van de JPY LIBOR door haar en/of een of meer medegedaagden, en gelet op de kans op het aldus door haar en/of een of meer medegedaagden toebrengen van schade aan belanghebbenden, zich had moeten onthouden van haar in groepsverband verrichte gedragingen ten aanzien van de JPY LIBOR met een of meer medegedaagden zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW Pro.
2.5
Bij vonnis in incident heeft de rechtbank [2] , voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de hiervoor in 2.3 en 2.4 weergegeven vorderingen.
Bij eindvonnis heeft de rechtbank [3] de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve actie.
2.6.1
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 5 maart 2024 [4] geoordeeld over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de vorderingen en over de ontvankelijkheid van de Stichting in de collectieve actie.
2.6.2
Ten aanzien van de internationale bevoegdheid oordeelde het hof dat de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht ten aanzien van vorderingen A, B en C (rov. 4.6). Dat geldt ook voor vordering D (rov. 4.8-4.12). Anders dan de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de tegen Lloyds Bank c.s. ingestelde vordering E (rov. 4.13). In dat verband heeft het hof overwogen:
“4.13 Vordering E strekt ertoe groepsaansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:166 BW Pro vast te stellen. Niet aannemelijk is dat de vorderingen tegen alle geïntimeerden worden beheerst door Nederlands recht. Evenmin is voldoende aannemelijk dat de mogelijk toepasselijk rechtsstelsels een regeling kennen met eenzelfde inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leidt als artikel 6:166 BW Pro. Dat betekent dat niet is voldaan aan de voor toepassing van artikel 8 lid 1 Verordening Pro Brussel I-bis gestelde eis van eenzelfde situatie rechtens. Anders dan de rechtbank concludeert het hof dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft ten aanzien van vordering E.”
2.6.3
Bij arrest van 11 juni 2024 [5] heeft het hof de vonnissen van de rechtbank (voor zover aan zijn oordeel onderworpen) vernietigd, en de rechtbank Amsterdam internationaal bevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering D, deze rechtbank onbevoegd verklaard om kennis te nemen van vordering E, de Stichting ontvankelijk verklaard in vorderingen A, B en D, en de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in vordering C. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere afdoening met inachtneming van hetgeen in beide arresten is overwogen en beslist, en heeft het door Rabobank c.s. gevraagde verlof verleend om beroep in cassatie in te stellen. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen:
“3.1 De Stichting voert een collectieve actie op de voet van artikel 3:305a (oud) BW over gestelde beïnvloeding van rentebenchmarks. De vorderingen A tot en met C zijn ingesteld tegen Rabobank en de vorderingen D en E tegen Lloyds c.s.
In het tussenarrest is geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam rechtsmacht heeft ten aanzien van vordering D en dat de collectieve actie wat betreft de vorderingen A, B en D voldoet aan de in artikel 3:305a (oud) BW gestelde ontvankelijkheidseisen. Gezien deze voorgaande beoordeling kunnen vonnissen I en II waartegen het hoger beroep is gericht niet geheel in stand blijven. Om praktische redenen zullen de vonnissen worden vernietigd en zal een nieuw dictum worden geformuleerd.
3.2
Het hof zal de zaak ter verdere afdoening terugverwijzen naar de rechtbank. Terugverwijzing past bij de door de rechtbank respectievelijk het hof geaccordeerde processuele afspraken die partijen in eerste aanleg en in hoger beroep hebben gemaakt. Deze afspraken strekken ertoe dat de behandeling en beoordeling van deze zaak vooralsnog is beperkt tot de in het tussenarrest behandelde voorvragen van processuele aard en dat pas wordt toegekomen aan behandeling van het materiële geschil nadat over deze voorvragen is beslist.
Los daarvan is het zich hier voordoende geval, waarin de Stichting in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar op de voet van artikel 3:305a (oud) BW ingestelde collectieve vorderingen, op één lijn te stellen met het geval waarin een uitzondering op het verbod op terugverwijzing is aanvaard omdat ten onrechte ontslag van instantie is verleend. Er is op louter processuele gronden niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Dit is voorts een duidelijk omschreven en in de praktijk goed te hanteren geval waarin uitzondering op het verbod op terugverwijzing gerechtvaardigd is.
Dat dit leidt tot een langere procedure dan als het hof de zaak aan zich houdt en het materiële geschil in één feitelijke instantie wordt afgedaan, leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan de Stichting betoogt, doet dit geen afbreuk aan de door de wetgever met de collectieve actie beoogde efficiëntie en doelmatigheid, die ziet op de gebundelde afdoening van vorderingen in één collectieve actie in twee feitelijke instanties.”

3.Beoordeling van het middel

Internationale bevoegdheid

3.1
In cassatie geldt als onbestreden uitgangspunt dat de enige in aanmerking komende grond waarop de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd om kennis te nemen van vordering E, de bevoegdheidsgrond betreffende samenhangende vorderingen is, te weten art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis [6] (ten aanzien van Lloyds Bank en ICAP), art. 6, punt 1, EVEX II [7] (ten aanzien van UBS Zwitserland) en art. 7 lid 1 Rv Pro (ten aanzien van UBS Japan). Deze bepalingen stemmen – voor zover van belang voor de behandeling van de onderhavige zaken – inhoudelijk overeen. De Hoge Raad zal daarom hierna kortheidshalve alleen ingaan op art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis. De daarop betrekking hebbende overwegingen gelden op overeenkomstige wijze voor art. 6, punt 1, EVEX II en art. 7 lid 1 Rv Pro. [8]
3.2.1
Onderdeel 1.2 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.13 dat voor vordering E niet is voldaan aan de eis van ‘eenzelfde situatie rechtens’ (zie hiervoor in 2.6.2). Het onderdeel klaagt dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt omdat art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis niet vereist dat de vorderingen tegen alle verweerders worden beheerst door hetzelfde rechtsstelsel, dan wel dat de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels steeds regelingen kennen met een gelijke inhoud en strekking of die tot hetzelfde resultaat leiden. De enkele omstandigheid dat op vorderingen die tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, (mogelijk) verschillende rechtsstelsels toepasselijk zullen zijn waarvan de inhoud, de strekking of het resultaat (mogelijk) ongelijk is, kan (op zichzelf) dus niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is van eenzelfde situatie rechtens, aldus het onderdeel.
3.2.2
Art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis bevat een bijzondere bevoegdheidsregel die ziet op het geval dat er sprake is van meer dan één verweerder. Zij bepaalt dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, ook kan worden opgeroepen, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) kunnen beslissingen niet reeds onverenigbaar worden geacht omdat zij tot een divergentie in de beslechting van het geschil leiden; daarvoor is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. [9]
3.2.3
Voor het aannemen van ‘eenzelfde situatie rechtens’ als bedoeld in de rechtspraak van het HvJEU over art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis is niet vereist dat op de vorderingen tegen de verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat deze vorderingen op dezelfde rechtsgrondslag berusten. [10] Het hof heeft dit niet miskend. Het heeft overwogen dat niet aannemelijk is dat vordering E, die ertoe strekt groepsaansprakelijkheid zoals bedoeld in art. 6:166 BW Pro vast te stellen, jegens de verschillende verweerders steeds wordt beheerst door Nederlands recht en dat het evenmin voldoende aannemelijk is dat de mogelijk toepasselijke rechtsstelsels een regeling kennen met eenzelfde inhoud en strekking of die tot eenzelfde resultaat leidt als art. 6:166 BW Pro. Het hof heeft dus geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de vorderingen worden beheerst door (in hoofdzaak) dezelfde of vergelijkbare materiële rechtsnormen. Door aldus te oordelen heeft het hof niet het vereiste van ‘eenzelfde situatie rechtens’ miskend. [11] De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht faalt.
3.3.1
Onderdeel 1.3 keert zich eveneens tegen rov. 4.13. Het klaagt dat het hof, bij de beantwoording van de vraag naar de inhoud van het op de vorderingen toepasselijke recht, ten onrechte de aannemelijkheidsmaatstaf heeft toegepast. Deze maatstaf kan volgens het onderdeel enkel bij feitelijke beslissingen worden toegepast en is in ieder geval niet van toepassing bij de vraag naar de inhoud van het toepasselijke (buitenlandse) recht. Het hof had dat zelfstandig kunnen en moeten onderzoeken, aldus het onderdeel.
3.3.2
In de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid beoordeelt de aangezochte rechter noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering; hij identificeert in die fase uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat die zijn bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis rechtvaardigen. [12] Het is daarbij aan de rechter om te beoordelen of er, met betrekking tot de vorderingen tegen de verschillende verweerders, sprake is van ‘eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens’ als bedoeld in de rechtspraak van het HvJEU over deze bepaling, rekening houdend met alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, daaronder begrepen, in voorkomend geval, gegevens die de verweerder heeft verstrekt. [13] Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verweerder de stellingen van de eiser betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. [14] De doelstelling van rechtszekerheid vereist immers dat de aangezochte rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken zonder dat hij gedwongen is om uitspraak ten gronde te doen. [15]
Gelet op het voorgaande geldt dat de rechter ook bij de beoordeling of sprake is van ‘eenzelfde situatie rechtens’ als bedoeld in de rechtspraak van het HvJEU over art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis toetst aan alle relevante gegevens van de bij hem aanhangige zaak, waaronder de stellingen van partijen. [16] De rechter kan in dit verband volstaan met een beoordeling of, rekening houdend met hetgeen partijen hebben aangevoerd, aannemelijk is welk recht van toepassing is op de vorderingen tegen de verschillende verweerders en wat het buitenlandse recht inhoudt. Hieraan staat art. 10:2 BW Pro niet in de weg (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.17).
3.3.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, faalt de hiervoor in 3.3.1 weergegeven klacht.
Terugwijzing in collectieve actie art. 3:305 (oud) BW
3.4.1
Onderdeel 3.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechter in hoger beroep de zaak na vernietiging van een einduitspraak in beginsel niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Deze regel geldt ook indien de rechter in eerste aanleg een partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.4.2
Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt dat de rechter in hoger beroep na vernietiging van een einduitspraak de zaak niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. Aan die rechtspraak heeft de Hoge Raad ten grondslag gelegd dat door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak, zoals zij voor de eerste rechter diende, naar de hogere rechter wordt overgebracht ter beslissing door deze en dat de hogere rechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. De rechter in hoger beroep mag de zaak wel terugwijzen indien de rechter in eerste aanleg op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen, hetgeen aan de orde is wanneer de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen of ten onrechte ontslag van de instantie heeft verleend. [17] Dat geldt ook in een geval waarin de rechter in hoger beroep heeft vastgesteld dat het eindvonnis vernietigd moet worden omdat het (mede) is gewezen door een daartoe niet meer bevoegde rechter. [18]
3.4.3
Ten aanzien van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) heeft de Hoge Raad bij uitspraak van heden [19] geoordeeld dat ook in het geval waarin de rechter in hoger beroep een uitspraak vernietigt waarbij de rechter in eerste aanleg een eisende belangenorganisatie niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van het bepaalde in art. 1018c lid 5 Rv, een uitzondering moet worden aanvaard op het hiervoor in 3.4.2 vermelde uitgangspunt en de rechter in hoger beroep dus in dat geval de zaak mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg.
Bij een collectieve actie op de voet van art. 3:305a (oud) BW moet, met het oog op de eisen van de praktijk, bij het voorgaande aansluiting worden gezocht. Dat brengt mee dat in het geval waarin de rechter in hoger beroep een uitspraak vernietigt waarbij de rechter in eerste aanleg een eisende belangenorganisatie niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat zij niet voldoet aan de vereisten voor ontvankelijkheid bedoeld in art. 3:305a lid 1 en lid 2 (oud) BW, de rechter in hoger beroep eveneens na vernietiging van de einduitspraak de zaak mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg.
3.4.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 is overwogen, faalt de hiervoor in 3.4.1 weergegeven klacht.
Overige klachten
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak
- aan de zijde van Rabobank begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
- aan de zijde van Lloyds Bank begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
- aan de zijde van UBS c.s. begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
- aan de zijde van ICAP begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
17 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1196.
2.Rechtbank Amsterdam 14 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5827.
3.Rechtbank Amsterdam 9 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6122.
4.Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:451.
5.Gerechtshof Amsterdam 11 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1595.
6.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
7.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano, 30 oktober 2007, PbEU 2009, L 147.
8.Zie ook HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.3 en 4.2.2.
9.Zie o.m. HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC Hydrogen Peroxide), punt 20; HvJEU 13 februari 2025, zaak C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 22; HvJEU 16 april 2026, zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain), punt 51.
10.Vgl. o.m. HvJEU 11 oktober 2007, zaak C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport), punt 46-47; HvJEU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer), punt 80 en 84; HvJEU 11 april 2013, zaak C-645/11, ECLI:EU:C:2013:228 (Land Berlin), punt 44; HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC Hydrogen Peroxide), punt 23.
11.Vgl. ook HvJEU 27 september 2017, zaken C-24/16 en C-25/16, ECLI:EU:C:2017:724 (Nintendo), punt 49; HvJEU 7 september 2023, zaak C-832/21, ECLI:EU:C:2023:635 (Beverage City Polska), punt 29.
12.Vgl. HvJEU 13 februari 2025, zaak C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 41.
13.Vgl. HvJEU 13 februari 2025, zaak C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 25 en 43.
14.Vgl. HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa), punt 61-63; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, rov. 3.4.4.
15.Vgl. HvJEU 3 juli 1997, zaak C-269/95, ECLI:EU:C:1997:337 (Benincasa), punt 27; HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa), punt 61; HvJEU 29 juli 2024, zaak C-774/22, ECLI:EU:C:2024:646 (FTI Touristik), punt 33; HvJEU 13 februari 2025, zaak C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 42; HvJEU 16 april 2026, zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain), punt 86.
16.Vgl. ook HvJEU 13 februari 2025, zaak C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 44.
17.HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, rov. 3.5.2; HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:97, rov. 3.4; HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857, rov. 3.4.1.
18.HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:604, rov. 3.5.3.
19.HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1198, rov. 4.2.4.