Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2.Uitgangspunten in cassatie
Naar aanleiding van de bevindingen van een onderzoek naar de door belanghebbende opgegeven handelsinkoopwaarde van die personenauto is ter zake van die registratie aan belanghebbende met dagtekening 8 juli 2020 een naheffingsaanslag in de bpm opgelegd van € 7.081. Daarbij is een beschikking inzake belastingrente ten bedrage van € 47 gegeven.
In verband met deze verminderingen heeft hij belanghebbende een vergoeding van € 530 toegekend voor de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij het berekenen van de hoogte van deze vergoeding is de Inspecteur uitgegaan van twee proceshandelingen (bezwaarschrift en horen), wegingsfactor 1, en voor de waarde per punt van het in punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna het Besluit) vermelde bedrag (€ 265; tekst 2021).
Omdat de als redelijk aan te merken termijn voor de behandeling van het bezwaar en het beroep tezamen met vier maanden is overschreden en die termijnoverschrijding geheel valt toe te rekenen aan de bezwaarfase, heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500.
In deze veroordeling heeft de Rechtbank aanleiding gezien de Inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 181, alsmede tot een vergoeding van € 759 voor de in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij het berekenen van de hoogte van deze laatstbedoelde vergoeding is de Rechtbank uitgegaan van twee proceshandelingen (beroepschrift en verschijnen zitting), de waarde per punt als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit (€ 759; tekst 2022), en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak.
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van de middelen
Verenigbaarheid van toepassing van de artikelen 19 en 20 AWR met artikel 110 VWEU Pro op de markt van tweedehands motorvoertuigen
Bij deze geoorloofde wijze van heffing mag van de hiervoor bedoelde koper – als de belastingplichtige die moet worden geacht op de hoogte te zijn van de voor de belastingheffing relevante feiten over het te registreren motorvoertuig – worden verlangd dat hij het verschuldigde belastingbedrag in overeenstemming met de belastingwet berekent.
In het verlengde van deze wijze van belastingheffing laat artikel 110 VWEU Pro lidstaten de ruimte om in hun rechtsorde voor de belastingautoriteiten de mogelijkheid te scheppen een door middel van voldoening op aangifte geheven bedrag aan belasting te corrigeren indien die autoriteiten vaststellen dat het door de belastingplichtige berekende en betaalde bedrag aan verschuldigde belasting te laag is geweest.
Daarop stuiten ook af de stellingen van middel I dat ofwel de wetgever moet voorzien in een wettelijke regeling die een dergelijke onzekerheid en/of vrees bij kopers uitsluit, ofwel de Belastingdienst die onzekerheid en/of vrees voorafgaand aan het belastbare feit van registratie zou moeten uitsluiten door in alle gevallen aan de koper voorafgaand aan de voldoening op aangifte het definitief te betalen bedrag aan bpm mee te delen.
Middel I voor het overige faalt daarom ook.
De inspecteur is bevoegd om tijdens een gerechtelijke procedure een belastingaanslag waarop het beroep betrekking heeft te verminderen of te vernietigen. In dat geval moet de inspecteur op grond van artikel 6:19, lid 3, Awb de rechter onmiddellijk van deze vermindering of vernietiging op de hoogte brengen. De rechter zal vervolgens moeten beslissen over de rechtmatigheid van de belastingaanslag zoals die na aanpassing tijdens die gerechtelijke procedure is komen te luiden. Heeft de inspecteur de belastingaanslag verminderd en is deze naar het oordeel van de rechter op het juiste bedrag vastgesteld, dan verklaart de rechter het beroep gegrond en laat hij de belastingaanslag in stand zoals deze nader – na de vermindering – is vastgesteld. [7] Uit het bepaalde in artikel 6:24 Awb Pro volgt dat artikel 6:19 Awb Pro van overeenkomstige toepassing is, indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie wordt ingesteld.
Het middel betoogt dat de overschrijding van de redelijke termijn van berechting een voldoende gekwalificeerde inbreuk is op het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht van eenieder op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Schending van dat grondrecht moet recht geven op een volledige vergoeding van die kosten, aldus het middel.
Verder voert middel III aan dat in deze procedure al met het doen van de hiervoor in 2.2 bedoelde uitspraak op bezwaar waarbij de naheffingsaanslag is verlaagd, is komen vast te staan dat de Inspecteur met die naheffingsaanslag artikel 110 VWEU Pro heeft geschonden. Ook deze schending is volgens het middel een voldoende gekwalificeerde inbreuk die een volledige vergoeding van proceskosten rechtvaardigt, omdat de naheffingsaanslag een miskenning van de rechtspraak van het Hof van Justitie over het fiscale discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro betrof.
Zodra is voldaan aan de drie zogenoemde Francovich-voorwaarden, zoals volgens het middel hier het geval is, heeft de belanghebbende recht op een volledige vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, of iets wat die kosten ten minste sterk benadert, zo leidt het middel af uit punt 49 van de conclusie van advocaat-generaal G. Hogan bij het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2020, Sole-Mizo Zrt. en Dalmandi Mezőgazdasági Zrt., gevoegde zaken C-13/18 en C-126/18, ECLI:EU:C:2020:292. Met een proceskostenvergoeding die volgens het nationale wettelijke systeem slechts een fractie van de werkelijke kosten van rechtsbijstand beoogt te vergoeden, wordt zowel het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel als het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel geschonden, aldus nog steeds middel III.
Bij gebreke van een Unieregeling ter zake is het naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, ten volle te beschermen. Daarbij geldt dat het in beginsel ook aan de staat is om in het kader van het nationale aansprakelijkheidsrecht de gevolgen van de veroorzaakte schade ongedaan te maken, met dien verstande dat de door de nationale wettelijke regelingen ter zake van schadevergoeding vastgestelde voorwaarden niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor gelijksoortige nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en niet van dien aard mogen zijn dat zij het verkrijgen van schadevergoeding in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). [8]
Artikel 7:15, lid 2, Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de kosten die de belanghebbende in verband met het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend op verzoek van de belanghebbende vergoedt voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Artikel 8:75, lid 1, Awb geeft de bestuursrechter de exclusieve bevoegdheid om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, met dien verstande dat natuurlijke personen alleen worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de wederpartij heeft moeten maken in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
Een belastingrechter die wegens gegrondverklaring van het beroep het bestreden besluit vernietigt, moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het bestuursorgaan in beginsel in de proceskosten van het beroep bij de bestuursrechter veroordelen. Indien de belastingrechter desalniettemin geen termen aanwezig acht voor een veroordeling in de proceskosten als vorenbedoeld, moet hij die beslissing met redenen omkleden. [10] De mogelijkheid van het toekennen van een vergoeding van proceskosten is niet beperkt tot zaken waarin het beroep, hoger beroep of beroep in cassatie gegrond wordt verklaard; ook bij ongegrondverklaring is de rechter bevoegd de rechtzoekende een proceskostenvergoeding toe te kennen, hetgeen bijvoorbeeld als regel gebeurt wanneer de rechter vaststelt dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.
Daarnaast biedt artikel 2, leden 2 en 3, van het Besluit de rechter de mogelijkheid om van de hiervoor weergegeven wijze van berekenen van de vergoeding af te wijken door de volgens de voorschriften van de bijlage van het Besluit vast te stellen vergoeding te matigen dan wel te verhogen om zodoende méér recht te doen aan de verhouding tussen enerzijds het door de belanghebbende met het procederen bereikte resultaat (artikel 2, lid 2, van het Besluit) of de bijzondere omstandigheden van de procedure (artikel 2, lid 3, van het Besluit) en anderzijds de daadwerkelijk gemaakte kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Indien de bestuursrechter gebruikmaakt van de bevoegdheid om het bepaalde in artikel 2, lid 2 of lid 3, van het Besluit toe te passen, moet hij die beslissing motiveren. [11]
Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen aan dit recht worden gesteld indien deze noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dergelijke beperkingen moeten bij wet worden gesteld en moeten het hiervoor bedoelde recht wezenlijk eerbiedigen. [12]
Hierbij wordt in aanmerking genomen dat elke belanghebbende de belastingrechter kan verzoeken op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit wegens bijzondere omstandigheden naar boven af te wijken van de volgens de bijlage bij het Besluit vast te stellen proceskostenvergoeding, onder aanvoering van concrete en specifieke omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de daadwerkelijk gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand de volgens artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van het Besluit toe te kennen vergoeding verregaand overtreffen.
Gelet op dit een en ander kan – anders dan middel III aanvoert – niet worden geoordeeld dat de in het Besluit neergelegde regeling in strijd is met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.
Anders dan middel III verder stelt, komt zelfs indien een gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft plaatsgevonden, de belanghebbende niet méér schadevergoeding toe dan de vergoeding van immateriële schade die verband houdt met de door de belanghebbende als gevolg van de duur van de procedure ondervonden spanning en frustratie, en – in geval van schade in de vorm van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand – de kosten voor zover zij betreffen het doen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. [26] De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor de Rechtbank of het Hof niet heeft gesteld dat hij ter zake van het doen van het verzoek om immateriële schade meer kosten heeft gemaakt dan de hiervoor in 2.3 bedoelde vergoeding die de Rechtbank hem heeft toegekend.
Middel III voor het overige faalt ook.
5.Slotsom
Aangezien de hiervoor in 2.3 weergegeven beslissing van de Rechtbank om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten voor het geding van de Rechtbank, berust op de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase en deze beslissing in hoger beroep door de Inspecteur niet is bestreden, zal de Hoge Raad die veroordeling in stand laten.
6.Proceskosten
7.Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
8.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
De Staat wordt in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.