Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
2.Uitgangspunten en feiten
4.Beslissing
17 juli 2026.
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure gaat het om de vraag of een beschermingsbewindvoerder recht heeft op een specifieke vergoeding voor werkzaamheden in verband met de verhuizing van de rechthebbende, en welke voorwaarden daaraan verbonden zijn. De kantonrechter had prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de uitleg van art. 3 lid 5 onder Pro b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
De Advocaat-Generaal stelde dat de Hoge Raad de zaak nog niet moest behandelen, maar eerst de kantonrechter de rechthebbende als belanghebbende moest laten horen. De Hoge Raad bevestigt dat de kantonrechter de rechthebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen, terwijl dit wel had moeten gebeuren omdat de beloning van de bewindvoerder door de rechthebbende betaald moet worden en deze daardoor rechtstreeks in zijn rechten wordt geraakt.
De Hoge Raad besluit daarom de zaak aan te houden en verwijst de kantonrechter op om de rechthebbende alsnog te horen over het voornemen en de inhoud van de prejudiciële vragen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de belangen van de rechthebbende worden betrokken bij de prejudiciële procedure.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan om de kantonrechter de rechthebbende alsnog te laten horen over het voornemen prejudiciële vragen te stellen.