Uitspraak
Postbus 164, 6440 AD Brunssum,
Kamer van Koophandel-nummer 14051037,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene.
1.Procedure
2.Beoordeling
“Bij deze het verzoek tot extra beloning voor de extra werkzaamheden voor de verhuizing van de heer de [betrokkene] . De extra werkzaamheden omvatten het doorgeven van de adreswijziging aan de relaties.”
naar behoren uit te voeren.
Bovendien volgt uit de Regeling niet, althans dat blijkt niet uit de tekst van de Regeling en evenmin uit de toelichting, dat administratieve werkzaamheden die verband houden met een verhuizing onder de werkzaamheden vallen waarop de jaarbeloning ziet. De Regeling maakt in het geheel geen onderscheid tussen verhuiswerkzaamheden van administratieve aard en van niet-administratieve aard.’ Uit voorgaande blijkt dat deze kantonrechter de toelichting anders leest. Immers, zouden de administratieve werkzaamheden niet onder de standaard jaarbeloning vallen, vanwaar is de verhuisvergoeding voor de bewindvoerder dan afhankelijk gemaakt van de vraag of er een mentor is/of een rechthebbende daartoe zelf in staat is?
Daarvan[lees: van uitzonderlijke omstandigheden, ktr]
is echter geen sprake want het komt geregeld voor dat een bewindvoerder een verhuizing moet regelen, vandaar ook dat de verhuizing in 2014, op advies van de Raad voor de rechtspraak (…[ [1] ]) aan de forfaitaire beloningsregeling voor bewindvoerders is toegevoegd.’
Aan artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder b, kan de verhuizing worden toegevoegd (zoals in de artikelen 2, vijfde lid, en 4, vierde lid). In sommige gevallen regelt de bewindvoerder ook de verhuizing, bijvoorbeeld omdat de rechthebbende dat zelf niet kan en er geen mentor of andere persoon is die de verhuizing van rechthebbende kan regelen.’ Ook hier moet zijn gedoeld op feitelijke verhuiswerkzaamheden, want de administratieve handelingen die samenhangen met een verhuizing verricht de bewindvoerder altijd, of er nou wel of geen mentor/rechthebbende/andere persoon is, en dus niet ‘in sommige gevallen’. Ook de Raad voor de Rechtspraak moet dus wel het oog hebben gehad op de niet-administratieve werkzaamheden die normaliter door anderen (mentor/rechthebbende/andere persoon) worden verricht.
De Aanbevelingen[toevoeging kantonrechter: van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK)]
lijken die ‘regeldruk’ weer naar de rechterlijke macht toe te trekken, met het risico dat de daarvoor benodigde capaciteit niet langer beschikbaar is voor inhoudelijk toezicht op het door de (professionele) bewindvoerder (en curator en mentor) in het kader van zijn taakuitoefening gevoerde beleid.’ De bewindvoerder hoeft echter slechts dezelfde onderbouwing te geven aan een verzoek voor een verhuisvergoeding als een mentor die hierop recht meent te hebben. In die zin valt het met die regeldruk dus wel mee.
- rechtbank Noord-Holland d.d. 1 april 2025 (vindplaats: ECLI:NL:RBNHO:2025:3820),
- rechtbank Den Haag d.d. 28 mei 2025 (vindplaats: ECLI:NL:RBDHA:2025:9752),
- rechtbank Oost-Brabant d.d. 3 april 2025 (vindplaats: ECLI:NL:RBOBR:2025:2121),
- rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 31 maart 2025 (vindplaats: ECLI:NL:RBZWB:2025:1805), en
- rechtbank Limburg d.d. 31 maart 2025 (vindplaats: ECLI:NL:RBLIM:2025:3037).
- artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (zie 2.3, eerste alinea)
- artikel 3 lid 5 aanhef en onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en de bijbehorende toelichting (zie 2.3, tweede alinea)
- de nota van toelichting bij voornoemde regeling (zie 2.3, vierde alinea en verder), en dan met name de in 2.3 aangehaalde passages die in de nota op de volgende plekken te vinden zijn:
- Aanbeveling C.8. van de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind (vastgesteld 31 januari 2023, zie 2.5)
- Aanbeveling B.H8 van de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap (vastgesteld 1 april 2025, zie 2.6)
3.Beslissing
28 november 2025uit te laten over het voornemen om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad alsmede over de inhoud van de te stellen vragen:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.