ECLI:NL:RBLIM:2025:13158

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:0000226874:B001
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële vragen over forfaitaire verhuisvergoeding voor bewindvoerders

In deze beschikking van de Rechtbank Limburg, uitgesproken op 14 november 2025, heeft de kantonrechter het verzoek van Verder Bewind Zuid B.V. om een beloning voor extra werkzaamheden in verband met de verhuizing van een rechthebbende afgewezen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de bewindvoerder geen recht heeft op een forfaitaire verhuisvergoeding, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden en de werkzaamheden niet onder de standaard jaarbeloning vallen. De kantonrechter heeft in eerdere zaken soortgelijke verzoeken afgewezen, waarbij de wetgeving en de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren zijn geraadpleegd. De kantonrechter heeft het voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad over de interpretatie van de regeling, met name of een bewindvoerder altijd recht heeft op de verhuisvergoeding als er geen mentor is en of aanvullende werkzaamheden vereist zijn. De kantonrechter heeft de bewindvoerder de gelegenheid gegeven om zich uit te laten over dit voornemen. De zaak is van belang voor de rechtseenheid, gezien de tegenstrijdige uitspraken van verschillende rechtbanken over dit onderwerp.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Toezicht
Locatie Maastricht
toezichtnummer
:
NL:TZ:0000226874:B001
CBM-nummer
:
BM380630
beschikkingsnummer
:
1
datum
:
14 november 2025
Beschikking van de kantonrechter
op verzoek van:
Verder Bewind Zuid B.V.,
Postbus 164, 6440 AD Brunssum,
Kamer van Koophandel-nummer 14051037,
hierna te noemen: verzoeker,
met betrekking tot:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene.

1.Procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 13 oktober 2025.
1.2.
De kantonrechter heeft op grond van de ontvangen informatie afgezien van een mondelinge behandeling.

2.Beoordeling

2.1.
Verzoeker vraagt om een beloning toe te kennen voor een verhuizing.
2.2.
Verzoeker licht het verzoek als volgt toe:
“Bij deze het verzoek tot extra beloning voor de extra werkzaamheden voor de verhuizing van de heer de [betrokkene] . De extra werkzaamheden omvatten het doorgeven van de adreswijziging aan de relaties.
2.3.
De kantonrechter heeft in eerdere soortgelijke zaken beloningsverzoeken afgewezen met de volgende motivering:
Op grond van artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de bewindvoerder aanspraak op beloning overeenkomstig de regels die daaromtrent bij de Regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn vastgesteld. Deze regels zijn vastgesteld in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de regeling).
In artikel 3 lid 1 van de regeling staat dat de kantonrechter de beloning van een bewindvoerder vaststelt overeenkomstig het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid. In lid 2 staat de standaard jaarbeloning. In lid 5 staat een aantal aanvullende beloningen, bijvoorbeeld ‘voor verkoop of ontruiming van een woning, of in geval er geen mentor is, een verhuizing’.
De vraag is dan of een bewindvoerder in het geval er geen mentor is en rechthebbende verhuist altijd recht heeft op de vergoeding.
Het antwoord op deze vraag kan worden afgeleid uit de Nota van Toelichting bij de Regeling beloning. Hierin staat voor zover van belang:
‘Naast de jaarbeloning kunnen professionele vertegenwoordigers in voorkomende gevallen tevens aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden, zoals werkzaamheden in verband met een verhuizing.
Uitgangspunt is dat de curator, bewindvoerder en mentor adequaat worden beloond voor de uitoefening van hun taken. (…) Een adequate beloning betekent ook dat vertegenwoordigers in staat moeten worden gesteld om hun werkzaamheden in het belang van de betrokkene[hier kan ook worden gelezen: rechthebbende]
naar behoren uit te voeren.
De jaarbeloning geldt als gemiddelde. Het ene mentorschap of bewind zal meer tijd vergen dan het andere. Het zal ook voorkomen dat gedurende een aantal jaren veel uren aan een betrokkene worden besteed en de volgende jaren minder dan het gemiddelde aantal uren waarop de forfaitaire jaarbeloning is gebaseerd. Het voordeel van het hanteren van een forfaitaire beloning is dat de administratieve afhandeling relatief eenvoudig is. Daarmee wordt beoogd de regeldruk voor de vertegenwoordigers en de rechterlijke macht te verminderen.
De beloning voor werkzaamheden in verband met de verkoop of ontruiming van de woning van rechthebbende, of in geval er geen mentor is, de verhuizing van de rechthebbende, bedraagt (5 uren * € 65 =) € 325.[Toevoeging kantonrechter: inmiddels bedraagt deze vergoeding € 412,-.]
De werkzaamheden in het kader van een verhuizing vallen in beginsel onder de taak van de mentor. Daarom dient een beloning voor werkzaamheden in het kader van een verhuizing alleen te worden toegekend indien de rechthebbende daartoe zelf niet in staat is en er geen mentor is die de verhuizing kan regelen.”
Als een rechthebbende een mentor heeft, ontvangt een bewindvoerder geen aanvullende beloning in het geval van een verhuizing. Dit terwijl een verhuizing wel extra werk betekent voor de bewindvoerder. Zo moet hij adressenlijsten aanpassen, adreswijzigingen de deur uitdoen, in een voorkomend geval een nieuwe aanvraag doen voor bijzondere bijstand, een nieuwe begroting maken et cetera. Klaarblijkelijk is de wetgever van mening dat voor deze extra werkzaamheden de standaard jaarbeloning een adequate beloning inhoudt in het forfaitaire systeem, waarbij de wetgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat meeruren in het ene dossier in een jaar worden gecompenseerd door minderuren in andere dossiers en/of andere jaren.
De vraag is dan of het de bedoeling van de wetgever is geweest om deze administratieve werkzaamheden ineens wel voor extra vergoeding in aanmerking te laten komen als er toevallig geen mentor is, maar de bewindvoerder desondanks enkel die taken uitvoert die normaliter onder de standaard jaarbeloning vallen.
De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Immers staat in de Nota van Toelichting dat een beloning in het kader van een verhuizing alleen wordt toegekend als er geen mentor is én indien de rechthebbende daartoe zelf niet in staat is. De crux zit hem in deze toevoegingen. Immers: wat doet de mentor of rechthebbende zelf bij een verhuizing? Niet de administratieve afhandeling, maar de niet-administratieve verhuiswerkzaamheden (verhuizer inhuren, busje huren et cetera). Als er niemand is om die feitelijke verhuiswerkzaamheden te regelen en de bewindvoerder dat op zich moet nemen, heeft de bewindvoerder recht op de vergoeding die normaliter de mentor toekomt. Een mentor heeft immers ook alleen recht op de verhuisvergoeding indien hij daadwerkelijk werkzaamheden in verband met de verhuizing van rechthebbende verricht, zo blijkt uit de toelichting bij artikel 4 lid 4 onderdeel c, en dat zijn niet de administratieve, want die zijn des bewindvoerders.
Het is niet aannemelijk dat een bewindvoerder die niet de werkzaamheden verricht die een mentor wel moet verrichten voor een recht op beloning, toch recht heeft op deze verhuisvergoeding. Anders zou de bewindvoerder immers ineens een extra beloning krijgen voor werkzaamheden die – als er wel een mentor is / een rechthebbende zelf de verhuizing kan uitvoeren – vallen onder de standaard jaarbeloning, die volgens de wetgever adequaat is.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden komt tot een ander oordeel (ECLI:NL:GHARL:2025:5177 d.d. 21 augustus 2025). Die overweegt: ‘
Bovendien volgt uit de Regeling niet, althans dat blijkt niet uit de tekst van de Regeling en evenmin uit de toelichting, dat administratieve werkzaamheden die verband houden met een verhuizing onder de werkzaamheden vallen waarop de jaarbeloning ziet. De Regeling maakt in het geheel geen onderscheid tussen verhuiswerkzaamheden van administratieve aard en van niet-administratieve aard.’ Uit voorgaande blijkt dat deze kantonrechter de toelichting anders leest. Immers, zouden de administratieve werkzaamheden niet onder de standaard jaarbeloning vallen, vanwaar is de verhuisvergoeding voor de bewindvoerder dan afhankelijk gemaakt van de vraag of er een mentor is/of een rechthebbende daartoe zelf in staat is?
Verder overweegt het Hof Arnhem-Leeuwarden: ‘
Daarvan[lees: van uitzonderlijke omstandigheden, ktr]
is echter geen sprake want het komt geregeld voor dat een bewindvoerder een verhuizing moet regelen, vandaar ook dat de verhuizing in 2014, op advies van de Raad voor de rechtspraak (…[ [1] ]) aan de forfaitaire beloningsregeling voor bewindvoerders is toegevoegd.
De Raad voor de Rechtspraak schreef: ‘
Aan artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder b, kan de verhuizing worden toegevoegd (zoals in de artikelen 2, vijfde lid, en 4, vierde lid). In sommige gevallen regelt de bewindvoerder ook de verhuizing, bijvoorbeeld omdat de rechthebbende dat zelf niet kan en er geen mentor of andere persoon is die de verhuizing van rechthebbende kan regelen.’ Ook hier moet zijn gedoeld op feitelijke verhuiswerkzaamheden, want de administratieve handelingen die samenhangen met een verhuizing verricht de bewindvoerder altijd, of er nou wel of geen mentor/rechthebbende/andere persoon is, en dus niet ‘in sommige gevallen’. Ook de Raad voor de Rechtspraak moet dus wel het oog hebben gehad op de niet-administratieve werkzaamheden die normaliter door anderen (mentor/rechthebbende/andere persoon) worden verricht.
Ten slotte overweegt het Hof Arnhem-Leeuwarden dat met de toevoeging van de verhuizing aan de forfaitaire beloningsregeling de administratieve afhandeling van het beloningsverzoek relatief eenvoudig werd en de regeldruk voor de rechterlijke macht werd verminderd. Het Hof vervolgt: ‘
De Aanbevelingen[toevoeging kantonrechter: van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK)]
lijken die ‘regeldruk’ weer naar de rechterlijke macht toe te trekken, met het risico dat de daarvoor benodigde capaciteit niet langer beschikbaar is voor inhoudelijk toezicht op het door de (professionele) bewindvoerder (en curator en mentor) in het kader van zijn taakuitoefening gevoerde beleid.’ De bewindvoerder hoeft echter slechts dezelfde onderbouwing te geven aan een verzoek voor een verhuisvergoeding als een mentor die hierop recht meent te hebben. In die zin valt het met die regeldruk dus wel mee.
Gelet op voorstaande oordeelt de kantonrechter dat enkel aanspraak bestaat op de forfaitaire verhuisvergoeding indien werkzaamheden zijn verricht in het kader van een verhuizing die niet onder de standaard jaarbeloning vallen. Oftewel: er moeten andere werkzaamheden zijn verricht dan de standaard administratieve werkzaamheden. Uit de door de bewindvoerder gegeven toelichting blijkt hier niet van. Er bestaat derhalve geen recht op de forfaitaire verhuisvergoeding.
Wel zou recht kunnen bestaan op een aanvullende vergoeding op grond van artikel 3 lid 6 van de Regeling beloning. Hiervoor is echter vereist dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Ook hiervan is niet gebleken.
2.4.
Slotsom was daarom steeds dat het beloningsverzoek werd afgewezen In dit geval wil de kantonrechter, alvorens definitief te beslissen, echter prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad en wel vanwege het volgende.
2.5.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft al voor eerdergenoemde beschikking d.d. 21 augustus 2025 in een soortgelijke verzoek beslist tot toewijzing (4 februari 2025, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2025:563). Na deze beschikking is het onderwerp besproken op een vergadering van de Expertgroep CBM en is besloten de lijn te handhaven dat verzoeken waarbij enkel de standaardwerkzaamheden zijn verricht die ook worden verricht als er wel een mentor is worden afgewezen. Dit besluit is per brief van 4 april 2025 gecommuniceerd aan de brancheverenigingen van bewindvoerders. Hierin stond onder meer:
‘In genoemde uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat zodra er sprake is van een verhuizing en er geen mentor is die betrokkene bij de verhuizing kon ondersteunen de bewindvoerder de aangewezen persoon is om dat te doen en dat dan de betreffende forfaitaire beloning wordt toegekend. Anders dan het Hof zijn de leden van de Expertgroep CBM van oordeel dat de administratieve handelingen die een bewindvoerder altijd dient te verrichten bij de verhuizing van een cliënt (of er nu wel of geen mentor is) vallen onder de standaardwerkzaamheden van een bewindvoerder en daarmee niet onder de werkzaamheden vallen waarvoor de regeling een beloning bij verhuizing toekent. Als een bewindvoerder geen andere werkzaamheden dan de genoemde administratieve handelingen heeft gesteld, wordt dus niet voldaan aan voornoemd criterium.
(…)
Conclusie
De kantonrechters hebben in de Expertgroep CBM afgesproken dat een verzoek tot het toekennen van een beloning voor werkzaamheden voor een verhuizing van betrokkene moet worden onderbouwd met de feitelijke werkzaamheden die zijn verricht. Als die onderbouwing achterwege blijft of als uit de onderbouwing volgt dat het alleen gaat om administratieve handelingen, zal het verzoek in beginsel worden afgewezen (zie bijvoorbeeld deze uitspraken van 31 maart jl.: ECLI:NL:RBZWB:2025:1805 en ECLI:NL:RBZWB:2025:1826).’
2.6.
Het besluit is in overeenstemming met de toenmalig geldende Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT) op 31 januari 2023. In C.8. stond:
‘Ten aanzien van de extra beloning in verband met verhuizen geldt dat dit een beloning is voor de inspanningen die een bewindvoerder verricht ten aanzien van de feitelijke verhuizing van de betrokkene. Daarbij kan gedacht worden aan de bewindvoerder die een verhuisbedrijf moet inschakelen, die een schoonmaakploeg moet inhuren en dergelijke, omdat de betrokkene en zijn sociale omgeving of mentor dit niet zelf kunnen regelen. De bewindvoerder moet vermelden waarom de betrokkene dit niet zelf kan. De administratieve werkzaamheden die gepaard gaan met een verhuizing horen tot de normale taak van een bewindvoerder. Daarnaast kent de Regeling beloning een vergoeding voor ontruiming van de woning van de betrokkene. Er bestaat alleen recht op deze beloning als de bewindvoerder zelf werkzaamheden in het kader van de ontruiming van de woning heeft moeten verrichten. Het gaat dan bijvoorbeeld om de inschakeling van een bedrijf voor de uitvoering van de ontruiming, het aanwezig zijn in de woning om vast te stellen welke goederen wel en welke goederen niet afgevoerd kunnen worden en het verzorgen van opslag van goederen die behouden dienen te blijven.’
2.7.
In de huidige Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap, die op 3 april 2025 door het LOVT is vastgesteld, is aan deze lijn vastgehouden, zij het in andere bewoordingen. Aanbeveling B.H8 luidt:
‘De administratieve werkzaamheden vanwege een verhuizing horen in beginsel tot de
normale taak van een bewindvoerder. De extra beloning in verband met verhuizen is bedoeld
voor extra werkzaamheden die een bewindvoerder moet verrichten ten aanzien van de
feitelijke verhuizing van betrokkene. Daarbij kan gedacht worden aan omzetten van het
energie- of internetcontracten, een verhuisbedrijf inschakelen, een schoonmaakploeg inhuren
en dergelijke, omdat betrokkene en zijn sociale omgeving of mentor dit niet zelf kunnen
regelen. De bewindvoerder moet vermelden waarom betrokkene dit niet zelf kan. Daarnaast
kent de Regeling beloning een vergoeding voor ontruiming van de woning van betrokkene.
Er bestaat alleen recht op deze beloning als de bewindvoerder zelf werkzaamheden in het
kader van de ontruiming van de woning heeft moeten verrichten omdat betrokkene en zijn
sociale omgeving of mentor dit niet zelf kunnen regelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de
inschakeling van een bedrijf voor de uitvoering van de ontruiming, het aanwezig zijn in de
woning om vast te stellen welke goederen wel en welke goederen niet afgevoerd kunnen
worden en het regelen van opslag van goederen. In bijzondere situaties kan zowel een
vergoeding voor verhuizing als voor ontruiming worden toegekend, bijvoorbeeld als er na een
verhuizing nog aanzienlijke ontruimingswerkzaamheden moeten worden verricht en voor de
beide vergoedingen is voldaan aan de hierboven vermelde criteria.’
2.8.
Zie voor voorbeelden van de na de vergadering gehandhaafde lijn de beschikkingen van onder andere (er wordt maar een klein percentage van beschikkingen in eerste aanleg gepubliceerd):
2.9.
Naar aanleiding van de eerdergenoemde beschikking van 21 augustus 2025 van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is het onderwerp wederom besproken in de Expertgroep CBM en is besloten om kantonrechters aan te bevelen de lijn van het Hof te volgen. Per e-mail van 11 september 2025 is aan de brancheverenigingen van bewindvoerders meegedeeld dat het besluit van de Expertgroep CBM van 4 april 2025 (zie 2.5) per direct kwam te vervallen en dat de nieuwe aanbeveling aan de kantonrechters waarin de lijn van het Hof wordt gevolgd per direct inging. Voor zover bekend bij deze kantonrechter volgen in ieder geval drie rechtbanken de nieuwe aanbeveling niet (rechtbank Limburg, rechtbank Oost-Brabant en rechtbank Noord-Holland) en twee rechtbanken beraden zich nog (Den Haag en Zeeland-West-Brabant). De overige rechtbanken volgen wel de lijn van het Hof Arnhem-Leeuwarden. Dit alles geldt in beginsel, want individuele beslissingen kunnen weer anders uitvallen, omdat het aan iedere afzonderlijke kantonrechter is om de aanbeveling wel of niet te volgen en binnen sommige gerechten is er intern geen consensus. Het is overigens lastig één en ander te concretiseren aangezien meerdere rechtbanken verzoeken zonder schriftelijke beschikkingen afdoen in het digitale systeem van Toezicht en, voor zover er wel beschikkingen worden geschreven, deze vrijwel nooit worden gepubliceerd. Zie voor een voorbeeld van een afwijzing sinds de nieuwe aanbeveling de beschikking die is gepubliceerd door deze rechtbank, vindplaats ECLI:NL:RBLIM:2025:9160 d.d. 23 september 2025.
2.10.
Op 24 september 2025, dus na verzending van voornoemde e-mail van 11 september 2025 werd een hieraan voorafgaand gewezen beschikking van het gerechtshof ’sHertogenbosch gepubliceerd (vindplaats: ECLI:NL:GHSHE:2025:2330, d.d. 28 augustus 2025). Dit hof heeft een beloningsverzoek van een bewindvoerder afgewezen. Het ging om een verhuizing zonder mentor waarbij geen andere werkzaamheden waren verricht dan de standaardwerkzaamheden. Het Hof overwoog:
‘In de inleidende verzoeken heeft [de bewindvoerder] slechts aangegeven dat zij administratieve werkzaamheden rondom de verhuizing van [de rechthebbende] heeft uitgevoerd en dat er geen meerdere werkzaamheden zijn verricht. Uit de toelichting op art. 3, vijfde lid, onder b van de Regeling en uit de Aanbevelingen volgt dat genoemde administratieve werkzaamheden in beginsel tot de normale taak van de bewindvoerder behoren. Derhalve is niet gesteld of gebleken dat [de bewindvoerder] naast administratieve werkzaamheden nog andere werkzaamheden ten behoeve van de verhuizing van [de rechthebbende] heeft verricht.’
2.11.
Op 8 oktober 2025, heeft het gerechtshof Den Haag ook een beschikking gewezen over deze materie (ECLI:NL:GHDHA:2025:2086), en hierin wordt de lijn van Arnhem-Leeuwarden gevolgd en is een beloningsverzoek van een bewindvoerder, die enkel de standaardwerkzaamheden had verricht, toegewezen, omdat er geen mentor was.
2.12.
Kortom: in den lande worden door rechters tegenstrijdige beslissingen genomen en de hiermee gepaard gaande rechtsonzekerheid is onwenselijk. Hierbij komt dat er veelvuldig zodanige verzoeken worden gedaan (deze kantonrechter heeft er de afgelopen maand tientallen afgewezen, waarvan er één is gepubliceerd, en heeft nu weer een veertigtal nieuwe verzoeken liggen, en dat zal voor andere kantonrechters niet anders zijn). Gelet op deze aantallen en de tegenstrijdige beschikkingen (vanuit eerste aanleg zoals hiervoor al overwogen veelal niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) is de eenduidige beantwoording van de vraag of altijd recht bestaat op aanvullende beloning als een rechthebbende die onder bewind staat verhuist en geen mentor heeft, voor de praktijk van de kantonrechters van groot belang. Aldus wordt voldaan aan het vereiste van artikel 392 lid 1, aanhef en onder b, Rv, waarin staat:
‘1. De rechter kan (…) ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen en rechtstreeks van belang is:
(…)
b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.’
2.13.
De kantonrechter heeft het voornemen om prejudiciële vragen te stellen besproken tijdens de vergadering van de landelijke Expertgroep CBM op 30 oktober 2025. De leden van de Expertgroep onderschrijven het verzoek aan de Hoge Raad om prejudiciële vragen te beantwoorden, omdat het gelet op de huidige verdeelde rechtspraak in het belang van de rechtseenheid is dat de Hoge Raad over de forfaitaire verhuiskostenvergoeding uitsluitsel geeft.
2.14.
Voor een antwoord op de prejudiciële vragen zijn naar het oordeel van de kantonrechter met name volgende, meestal reeds hiervoor aangehaalde, bepalingen en bronnen van belang:
 artikelen 1:438 lid 2 jo. 439 en 440 BW, waaruit volgt dat een rechthebbende die onder bewind staat, anders dan een ondercuratelegestelde (zie art. 1:381 lid 2 BW), handelingsbekwaam is, [2]
  • artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (zie 2.3, eerste alinea)
  • artikel 3 lid 5 aanhef en onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en de bijbehorende toelichting (zie 2.3, tweede alinea)
  • de nota van toelichting bij voornoemde regeling (zie 2.3, vierde alinea en verder), en dan met name de in 2.3 aangehaalde passages die in de nota op de volgende plekken te vinden zijn:
o Onder 1. Algemeen, vijfde, zesde en zevende alinea
o Onder 2. Artikelsgewijs > Artikel 3, Lid 5, onderdeel b.
  • Aanbeveling C.8. van de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind (vastgesteld 31 januari 2023, zie 2.5)
  • Aanbeveling B.H8 van de Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap (vastgesteld 1 april 2025, zie 2.6)
2.15.
In aanvulling hierop wil de kantonrechter nog wijzen op het volgende dat van belang zou kunnen zijn voor beantwoording van de te stellen vragen.
2.15.1.
In de conceptregeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, die van 8 juli 2014 tot en met 18 augustus 2014 beschikbaar was om op te reageren, luidde artikel 3, lid 5, aanhef en onder b als volgt:
‘5. Naast de jaarbeloning kan de kantonrechter in voorkomende gevallen de volgende
beloningen toekennen:
(…)
b. voor de verkoop of ontruiming van een woning € 325; [3]
In de conceptregeling werd dus niet voorzien in een aanvullende beloning in geval van een verhuizing.
2.16.
Hoewel in de nota van toelichting niet is vermeld waarom de verhuizing is toegevoegd, lijkt aannemelijk dat dit is gebeurd naar aanleiding van een advies van de Raad voor de rechtspraak, die schreef (zie ook aangehaald hiervoor onder 2.3, veertiende en vijftiende alinea, met de vindplaats in voetnoot 1):
‘Aan artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder b, kan de verhuizing worden toegevoegd (zoals in de artikelen 2, vijfde lid, en 4, vierde lid). In sommige gevallen regelt de bewindvoerder ook de verhuizing, bijvoorbeeld omdat de rechthebbende dat zelf niet kan en er geen mentor of andere persoon is die de verhuizing van rechthebbende kan regelen.’
2.17.
Met inachtneming van al het voorgaande is de kantonrechter voornemens de volgende vragen aan de Hoge Raad te stellen:
Vraag A:
Heeft een beschermingsbewindvoerder altijd recht op de verhuisvergoeding genoemd in artikel 3 lid 5 onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren als rechthebbende verhuist en er geen mentor is, of moet de bewindvoerder in aanvulling op de standaardwerkzaamheden aanvullende werkzaamheden verrichten die normaliter door rechthebbende of diens mentor (of een andere persoon) zouden worden verricht (en hierbij aanvoeren dat rechthebbende hiertoe zelf niet in staat is)?
Vraag B:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kan de bewindvoerder volstaan met de mededeling dat er geen mentor is en bewijs dat rechthebbende is verhuisd, of moet de bewindvoerder meer aanvoeren, en zo ja, wat?
Vraag C:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kunnen bewindvoerders de vergoeding met terugwerkende kracht aanvragen, met inachtneming van de verjaringstermijn van vijf jaar, of moet een andere termijn worden gehanteerd (bijvoorbeeld de einddatum van de laatste rekening en verantwoording)?
De bewindvoerder zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het voornemen om de hiervoor gemelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.

3.Beslissing

De kantonrechter
3.1.
stelt de bewindvoerder in de gelegenheid om zich uiterlijk
28 november 2025uit te laten over het voornemen om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad alsmede over de inhoud van de te stellen vragen:
Vraag A:
Heeft een beschermingsbewindvoerder altijd recht op de verhuisvergoeding genoemd in artikel 3 lid 5 onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren als rechthebbende verhuist en er geen mentor is, of moet de bewindvoerder in aanvulling op de standaardwerkzaamheden aanvullende werkzaamheden verrichten die normaliter door rechthebbende of diens mentor (of een andere persoon) zouden worden verricht (en hierbij aanvoeren dat rechthebbende hiertoe zelf niet in staat is)?
Vraag B:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kan de bewindvoerder volstaan met de mededeling dat er geen mentor is en bewijs dat rechthebbende is verhuisd, of moet de bewindvoerder meer aanvoeren, en zo ja, wat?
Vraag C:
Indien dat eerste (altijd recht op…): kunnen bewindvoerders de vergoeding met terugwerkende kracht aanvragen, met inachtneming van de verjaringstermijn van vijf jaar, of moet een andere termijn worden gehanteerd (bijvoorbeeld de einddatum van de laatste rekening en verantwoording)?
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Drenth, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking (digitaal) is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

2.Anders dan wat de verzoekende bewindvoerder lijkt te hebben willen betogen in voornoemde zaken van gerechtshof ’s-Hertogenbosch (r.o. 3.6) d.d. 28 augustus 2025, en gerechtshof ’Den Haag (r.o. 5.1) d.d. 8 oktober 2025.