ECLI:NL:HR:2026:1297

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/02707
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28c Invorderingswet 1990Art. 30 Invorderingswet 1990Art. 30j AWRArt. 30ha AWRArt. 28b Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over vergoeding kosten beroepsmatige rechtsbijstand en redelijke termijn in bpm-zaak

Belanghebbende, een BV, betaalde in 2020 bpm voor twee personenauto's en maakte bezwaar tegen deze belastingaanslagen. De Inspecteur deed deels uitspraak op bezwaar, waarbij een deel van de bpm werd teruggegeven met rentevergoeding en een vergoeding voor kosten van beroepsmatige rechtsbijstand in de bezwaarfase. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van elf maanden voor bezwaar en beroep samen.

Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel en wees een integrale vergoeding van proceskosten af. Belanghebbende stelde in cassatie meerdere middelen aan, waaronder dat de Inspecteur van rechtswege rentevergoeding moet toekennen over een langere periode dan volgens de nationale wetgeving, dat griffierechten onverenigbaar zijn met Unierecht, en dat een volledige vergoeding van kosten van rechtsbijstand moet worden toegekend.

De Hoge Raad verwierp de middelen die stelden dat de nationale regeling in strijd is met Unierecht en bevestigde dat de ontvanger bevoegd is om aanvullende rentevergoeding toe te kennen op verzoek van belanghebbende. Wel verhoogde de Hoge Raad de vergoeding van kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in de bezwaarfase naar € 1.332, gebaseerd op actuele waardes en wegingsfactoren. De Hoge Raad hield de beslissing over de vergoeding van cassatiekosten aan en gaf belanghebbende gelegenheid nadere gegevens te verstrekken. Tevens wordt de Staat in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een verzoek om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de vergoeding van kosten beroepsmatige rechtsbijstand in bezwaar en houdt verdere beslissingen aan voor nadere gegevens en termijnvergoeding in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02707
Datum17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 juni 2024, nrs. BK-23/264 en BK-23/265 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/4243 en SGR 21/4367) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft bij portaalbericht van 14 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende heeft in het jaar 2020 belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op registratie van twee personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister. Belanghebbende heeft tegen de beide voldoeningen op aangifte bezwaar gemaakt.
2.2.1
De Inspecteur heeft op 4 juni 2021 respectievelijk 8 juni 2021 uitspraken op bezwaar gedaan. De uitspraak van 4 juni 2021 houdt in dat de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afwijst.
De uitspraak van 8 juni 2021 houdt in dat de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaart, dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van bpm ten bedrage van € 1.194, en dat voor de terugbetaling met de daarmee gepaard gaande rentevergoeding aan belanghebbende nog een aparte kennisgeving zal worden gestuurd.
2.2.2
In verband met deze teruggaaf heeft de Inspecteur belanghebbende een vergoeding van € 530 toegekend voor de ter zake van de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Bij het berekenen van de hoogte van deze vergoeding is de Inspecteur uitgegaan van twee proceshandelingen (bezwaarschrift en horen), wegingsfactor 1, en de waarde per punt van het in punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna het Besluit) vermelde bedrag (€ 265; tekst 2021).
2.3.1
De Rechtbank heeft op 1 maart 2023 het tegen de hiervoor bedoelde uitspraken op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft – in hoger beroep onbestreden – vastgesteld dat de Inspecteur na het doen van uitspraak op bezwaar bij een beschikking als bedoeld in artikel 30j, lid 1, AWR aan belanghebbende belastingrente heeft vergoed ter zake van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde teruggaaf. Overeenkomstig artikel 30ha AWR is aan belanghebbende een bedrag van € 17 aan belastingrente vergoed over de periode van 1 april 2021 tot 6 augustus 2021. Voor zover belanghebbende in de onderhavige procedure aanspraak maakt op een rentevergoeding over een langer tijdvak dan voortvloeit uit hoofdstuk VA AWR, moet belanghebbende zich op de voet van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) wenden tot de ontvanger, aldus de Rechtbank. Zo een dergelijk verzoek is gedaan, ligt de beslissing daarover niet in deze zaak voor, aldus de Rechtbank.
2.3.2
Omdat de als redelijk aan te merken termijn voor de behandeling van het bezwaar en het beroep tezamen met elf maanden is overschreden, heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Aangezien die termijnoverschrijding aan beide fases valt toe te rekenen, heeft de Rechtbank zowel de Inspecteur als de Staat veroordeeld tot het betalen van een aan ieder aan hen toe te rekenen deel van die schade, alsmede ieder van hen veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten en het door belanghebbende betaalde griffierecht.
Bij het berekenen van de hoogte van de vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is de Rechtbank uitgegaan van twee proceshandelingen (beroepschrift en verschijnen ter zitting), de waarde per punt als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 (€ 837; tekst 2023) van de bijlage bij het Besluit, en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak.
2.3.3
De Rechtbank heeft geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet voor een hogere vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan de vergoeding zoals die voortvloeit uit toepassing van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit, en ook niet voor een integrale vergoeding van proceskosten. Het standpunt van belanghebbende dat aan artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op een hogere vergoeding of zelfs een integrale vergoeding kan worden ontleend, vindt naar het oordeel van de Rechtbank geen steun in het recht. Verder heeft belanghebbende ook niet gesteld dat het haar vanwege de proceskosten onmogelijk of uiterst moeilijk is gemaakt om een beroep te doen op het Unierecht, aldus de Rechtbank.
2.4
Het Hof heeft bij uitspraak van 5 juni 2024 de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Middel I voert aan dat in het geval dat het recht op vergoeding van rente voortvloeit uit de vaststelling dat belasting in strijd met het Unierecht is geheven, de inspecteur van rechtswege moet beslissen dat belanghebbende recht heeft op rentevergoeding, niet alleen over het tijdvak zoals voorgeschreven in hoofdstuk VA AWR maar ook over het tijdvak zoals dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte het oordeel van de Rechtbank bevestigd dat belanghebbende zich voor de vergoeding van die aanvullende rente op de voet van artikel 28c IW 1990 moet wenden tot de ontvanger. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, stelt het middel dat de keuze van de wetgever in strijd is met het Unierecht. De Unierechtelijke verplichting tot het vergoeden van rente wegens in strijd met het Unierecht geheven heffingen valt volgens het middel niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten. Indien de Hoge Raad die opvatting niet deelt, verzoekt het middel de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
3.2
Bij de behandeling van middel I wordt het volgende vooropgesteld.
3.2.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.1 is vermeld, staat vast dat de Inspecteur na het doen van uitspraak op bezwaar belanghebbende ter zake van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde teruggaaf van bpm uit eigen beweging bij beschikking belastingrente heeft vergoed met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk VA AWR. Die beschikking is in deze procedure geen voorwerp van geschil. Het belang van belanghebbende bij middel I is gelegen in het verkrijgen van een aanvullende rentevergoeding, te weten voor zover de periode waarover de Inspecteur overeenkomstig hoofdstuk VA van de AWR belanghebbende belastingrente heeft vergoed, niet overeenstemt met de langere periode waarover volgens het arrest van het Hof van Justitie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250, nationale rente moet worden vergoed in gevallen waarin belasting in strijd met het Unierecht is geheven. [2] Middel I gaat uit van de opvatting dat het in artikel 28c, lid 1, IW 1990 neergelegde voorschrift dat invorderingsrente ter zake van in strijd met het Unierecht geheven belasting alleen op verzoek van de belanghebbende wordt vergoed, in strijd is met het Unierecht.
3.2.2
Volgens artikel 28c, lid 1, IW 1990 wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur is gehouden belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven. De te vergoeden invorderingsrente bij teruggaaf wordt volgens het tweede lid van artikel 28c IW 1990 berekend over de periode vanaf de dag na die waarop de belasting is voldaan of afgedragen tot op de dag voorafgaand aan de terugbetaling. Deze vergoeding wordt niet berekend over dagen waarover ingevolge Hoofdstuk VA AWR belastingrente wordt vergoed of waarover ingevolge artikel 28b IW 1990 invorderingsrente wordt vergoed.
3.2.3
Op grond van artikel 30, lid 1, IW 1990 beslist de ontvanger op het hiervoor bedoelde verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit betekent dat bij uitsluiting de ontvanger bevoegd is om bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre op grond van artikel 28c IW 1990 invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter toekomen aan de beoordeling van die beschikking inzake invorderingsrente. [3] Sinds 1 januari 2015 is de belastingrechter niet bevoegd de inspecteur te gelasten om over in strijd met het Unierecht geheven belasting meer rente te vergoeden dan het bedrag dat de inspecteur op grond van artikel 30ha AWR moet vergoeden, ook niet in voorkomende gevallen als (neven)beslissing op de voet van artikel 8:73 Awb Pro onderscheidenlijk artikel 8:90 Awb Pro. [4]
3.2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.3 is overwogen, kan middel I niet tot cassatie leiden. Hetgeen middel I beoogt te bereiken, te weten dat de Inspecteur wordt gelast om de hiervoor in 3.2.2 bedoelde invorderingsrente te betalen, kan in deze procedure namelijk niet vallen binnen de grenzen van het geschil in beroep respectievelijk hoger beroep vanwege het voor belastingzaken geldende gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich voor een vergoeding van rente over de verleende teruggaaf van bpm tot de ontvanger dient te wenden (artikel 28c IW 1990). In dit oordeel ligt besloten het oordeel dat in deze procedure geen uitspraak kan worden gedaan over de klacht van belanghebbende dat de hiervoor in 3.2.2 bedoelde invorderingsrente alleen op verzoek van de belastingschuldige wordt uitbetaald. Dat oordeel is juist.
Bij deze stand van zaken kan in deze cassatieprocedure niet aan behandeling van de door de klacht opgeworpen rechtsvraag worden toegekomen. Het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, waarop middel I aandringt, kan dan ook niet bijdragen aan de beslechting van deze zaak.
3.2.5
Opmerking verdient dat indien belanghebbende volhardt in het opeisen van de hiervoor in 3.2.2 bedoelde invorderingsrente zonder daartoe aan de ontvanger een verzoek te doen, zij zich bij het ontbreken van een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 30, lid 1, IW 1990, en dus bij gebreke van een rechtsingang bij de belastingrechter, moet wenden tot de burgerlijke rechter.
3.3.1
Middel II klaagt erover dat het Hof het standpunt van belanghebbende heeft verworpen dat het Unierecht de lidstaten verbiedt voor te schrijven dat rechtzoekenden voor het verkrijgen van toegang tot de rechter griffierecht naar een vast tarief moeten betalen. Dat is niet terecht geweest. Volgens middel II was het Hof ook niet bevoegd dat oordeel te geven omdat alleen het Hof van Justitie bevoegd is om het Unierecht uit te leggen en toe te passen.
3.3.2
De klachten van middel II falen. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.1.2 tot en met 3.4 respectievelijk rechtsoverwegingen 3.7.1 tot en met 3.7.4 van het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915 (hierna: het arrest van 12 juni 2026), ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
3.4.1
Middel III is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het geen aanleiding ziet voor het toekennen van een hogere of zelfs integrale vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van het behandelen van het bezwaar en van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het geding voor de Rechtbank. Het middel stelt dat in deze zaak gekwalificeerde schendingen van het Unierecht hebben plaatsgevonden waaraan het gevolg moet worden verbonden dat belanghebbende op grond van het Unierecht per definitie recht heeft op een volledige of nagenoeg volledige vergoeding van de door haar werkelijk gemaakte kosten.
3.4.2
De klachten van middel III kunnen niet tot cassatie leiden. Anders dan middel III stelt, volgt uit de vaststellingen van de Rechtbank dat de redelijke termijn van berechting wat betreft de fase in eerste aanleg met elf maanden is overschreden en dat deze overschrijding is toe te rekenen aan de Inspecteur en de Staat, niet dat een gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft plaatsgevonden.
Anders dan middel III verder stelt, komt zelfs indien een gekwalificeerde schending van het Unierecht heeft plaatsgevonden, de belanghebbende niet méér schadevergoeding toe dan de vergoeding van immateriële schade die verband houdt met de door de belanghebbende als gevolg van de duur van de procedure ondervonden spanning en frustratie, en – in geval van schade in de vorm van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand – de kosten voor zover zij betreffen het doen van het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting. [5] De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende voor de Rechtbank of het Hof niet heeft gesteld dat zij ter zake van het doen van het verzoek om immateriële schade meer kosten heeft gemaakt dan de hiervoor in 2.3.2 bedoelde vergoeding die de Rechtbank haar heeft toegekend.
Gelet op het voorgaande, is het voor de beslechting van dit geschilpunt niet noodzakelijk prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
3.5.1
Middel IV voert met betrekking tot de hiervoor in 2.2.2 weergegeven berekening van de vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake van het behandelen van het bezwaar verder aan dat de Inspecteur ten onrechte is uitgegaan van de in punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit (tekst 2021) vermelde waarde per punt (€ 265), en niet van de in punt 2 van onderdeel B2 van die bijlage vermelde waarde per punt (€ 534). Het middel concludeert dat de Hoge Raad, in lijn met het arrest van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (hierna: het arrest van 12 juli 2024), dat is gewezen nadat het Hof op 5 juni 2024 uitspraak had gedaan, die vergoeding moet verhogen.
3.5.2
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 5.8.1 en 5.8.2 van het arrest van 12 juli 2024.
3.6
Middel V is gericht tegen de oordelen van het Hof dat de Rechtbank en het Hof niet zijn gehouden om bij de behandeling van zaken waarin toepassing van het Unierecht aan de orde is, zoals het geval is in deze procedure, het Hof van Justitie prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van dat Unierecht teneinde geschillen over die uitleg te beslechten. De klachten van middel V falen. Op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 3.7.1 tot en met 3.7.4 van het arrest van 12 juni 2026, ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
3.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van bezwaar vast op € 1.332, uitgaande van twee proceshandelingen (bezwaarschrift en horen), wegingsfactor 1, en de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. [6]

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Met betrekking tot de hoogte van de vergoeding van deze kosten overweegt de Hoge Raad in onderdeel 5 als volgt.

5.Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, [7] gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast. De Staatssecretaris zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.

6.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

Belanghebbende heeft op 14 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Staat wordt in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.

7.Beslissing

De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 en 6 beschreven procedures zijn gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HvJ 22 februari 2024, Gemeente Dinkelland, C-674/22, ECLI:EU:C:2024:147.
3.Vgl. HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341, rechtsoverweging 2.2.4.
4.Vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790, rechtsoverweging 4.2.
5.Vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, rechtsoverweging 5.2.
6.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
7.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.