Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
3 februari 2026.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor belaging en smaadschrift jegens het slachtoffer. Het hof had bewezenverklaard dat verdachte het slachtoffer ruim 13 maanden belaagde via anonieme telefoontjes, beledigende socialmediaberichten en het achterlaten van poep bij de woning van het slachtoffer.
Het hof oordeelde dat verdachte de grens van het toelaatbare had overschreden en een ernstige inbreuk had gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de naam en goede eer van het slachtoffer en haar bedrijf. Het slachtoffer ondervond nog steeds angstgevoelens en had psychische hulp gezocht. Het hof kende een schadevergoedingsmaatregel toe van €12.487,43, bestaande uit materiële en immateriële schade.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof zijn beslissing voldoende had gemotiveerd en dat de aansprakelijkheid van verdachte naar burgerlijk recht terecht was vastgesteld. Tevens werd de schadevergoedingsmaatregel als strafrechtelijke sanctie bevestigd, los van de voegingsprocedure. Wel werd de taakstraf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid verdachte voor immateriële schade en vermindert taakstraf wegens termijnoverschrijding.