ECLI:NL:PHR:2025:1291

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
23/04890
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Motivering van de schadevergoedingsmaatregel in het strafrecht en de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht

In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor belaging, smaadschrift en vernieling. De Hoge Raad heeft op 25 november 2025 uitspraak gedaan over de motivering van de schadevergoedingsmaatregel die aan de verdachte is opgelegd. De verdachte is bij arrest van 30 november 2023 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, met een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft in zijn conclusie betoogd dat de motivering van de schadevergoedingsmaatregel ontoereikend is, omdat niet duidelijk is op welke grond de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht is gebaseerd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de motivering van de schadevergoedingsmaatregel onvoldoende is, omdat niet is aangegeven op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond de vergoeding van immateriële schade is gebaseerd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor herbehandeling van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de Hoge Raad heeft aangegeven dat de redelijke termijn voor het inzenden van de gedingstukken is overschreden. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam voor herbehandeling van de schadevergoedingsmaatregel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04890
Zitting25 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 30 november 2023 [1] door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. "belaging", 2. “smaadschrift, meermalen gepleegd” en 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van drie jaar, en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van honderdvijftig uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf is een aantal bijzondere voorwaarden verbonden, een en ander zoals nader in het arrest omschreven. Het hof heeft daarnaast een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en drie in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en G. Spong, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft L. Scheffer, advocaat in Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, naar ik begrijp alleen voor zover deze de vergoeding van door het slachtoffer geleden immateriële schade betreft. Het hof zou namelijk hebben verzuimd vast te stellen op welke in artikel 6:106 BW genoemde grond en op welke vastgestelde omstandigheden het de vergoeding van die schade heeft gebaseerd. In zoverre zou de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ontoereikend gemotiveerd zijn.
Voor de beoordeling van de zaak relevante stukken
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
zij in de periode van 17 juli 2020 tot en met 4 september 2021 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde] door
- die [benadeelde] (gedurende de nacht) (veelvuldig) (anoniem) te bellen en
- Instagramaccounts aan te maken waarbij (een deel van) de profielgegevens (sterk) gelijkend zijn op de gegevens van die [benadeelde] , onder andere
* het account ‘ [account 1] ’ met het bijschrift ' [bijnaam benadeelde] ' en
* het account ' [account 2] ' en/of het account ‘ [account 3] ’ met het bijschrift ‘My name is [benadeelde] . I do child trafficking. I fuck grandpa’s en phedophiles sö please contact me. [internetsite] ', en
* het account ' [account 4] ' met het bijschrift 'Ik heb escort Malout Model Escort en neuk en maak kids met lelijke opa’s.., ik heb daddy issues en ben een golddigger', waarbij zij, verdachte, eenmaal of meermalen gebruik maakt van (een) (bewerkte) foto/foto's van het hoofd, althans het lichaam [benadeelde] en (vervolgens)
- eenmaal of meermalen (op voornoemde) Instagramaccounts foto’s (afkomstig van de Instagram) van die [benadeelde] en/of berichten plaatst (met verwijzingen naar die [benadeelde] ), met onder andere de teksten:
* (op het Instagramaccount ’ [account 5] ’) ’Dit is mijn nieuwe neger lul die ik kan neuken’ en/of ’kijk mijn vieze lelijke kop en vieze tanden.., vinden opa’s en pedo’s lekker’ en/of ’One of my girls., this one is so fucking ugly no one wants to fuck her’ en
* (op het Instagramaccount ' [account 6] ') ’Poephoofd verkooptkids' en
- een of meerdere berichten en/of uitnodigingen via Instagram naar de ex-partner van die [benadeelde] te sturen en/of de ex-partner van die [benadeelde] te ’taggen’ in een of meerdere berichten (vanaf voornoemde door verdachte aangemaakte Instagramaccount(s)), met onder andere de tekst(en):
* (vanaf het Instagramaccount ' [account 7] ') ‘vieze pedo' en ‘vieze pedofiel’ en
* (vanaf het Instagramaccount ' [account 8] ') 'Pedofiel #pedohunter pedofiel’ (waarbij een of meerdere berichten worden vergezeld door meerdere poepemoticons) en
* (vanaf het Instagramaccount ‘ [account 9] ’) ‘Hallo opa, mijn naam is [benadeelde] Poephoofd, ik heb begrepen dat je het leuk vindt om kleine meisjes te neuken, ik ben een golddigger en ik zoek een sugardaddy en heb allemaal poep op mijn hoofd en kan kindjes maken.., wil je komen neuken” en
* (vanaf het Instagramaccount ‘ [account 10] ’) ‘I would like to thank my grandpa [naam] . He is always mindful but brainless’ en
- eenmaal of meermalen te reageren middels berichten onder foto’s op het persoonlijke en/of zakelijke Instagramaccount van die [benadeelde] , (vanaf voornoemde door verdachte aangemaakte Instagramaccount(s)), met onder andere de tekst(en):
* (vanaf het Instagramaccount ‘ [account 7] ‘)‘Je nagels zijn vies en je kop is lelijk met veel poep en je tanden zijn smerig., sletje opa en pedo's neuken' en/of ‘Vies, zoveel poep je hoofd en dan nog : denken datje mooi bent’ en/of 'Boerenslet lekker opa’s neuken’ (waarbij een of meerdere berichten worden vergezeld door meerdere poepemoticons) en/of
* (vanaf het Instagramaccount ' [account 11] ') ‘Own ur poephoofd boeren lelijke sletjes neuken, uit boerendorpen, willen graag snel komen’ en/of
* (vanaf het Instagramaccount ‘ [account 12] ’) ‘Ik heb een grote neger lul wil je neuken" en/of
* (vanaf het Instagramaccount ' [account 13] ') ‘ [naam] en ik willen graag komen neuken heb je leuke meisjes vannacht' en/of
* (vanaf het Instagramaccount ' [account 14] ' en/of ‘ [account 15] ’ en/of ‘ [account 16] ’) ‘Sletje ben je opa’s aan het neuken’ Ik wil ook voorje komen werken hierbij mijn sollicitatie; ik wil ook opa’s neuke ik ben heel goed met kleine lelijke neger opa’s .. hebben vaak grote lul' en/of
* (vanaf het Instagramaccount ' [account 17] ') ‘Ben je lekker opa’s aan het neuken’ Met je vieze tanden en je escort profiel’ en/of
- (mensen)poep voor de deur van de woning van die [benadeelde] heer te leggen en
- eenmaal of meermalen langs de woning van die [benadeelde] te rijden en/of lopen
met het oogmerk die [benadeelde] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2 primair
zij in de periode van 17 juli 2020 tot en met 4 september 2021 in Nederland, (telkens) opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde] heeft aangerand, door tenlastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, immers heeft verdachte met voormeld doel
- Instagramaccount(s) aangemaakt waarbij (een deel van) de profielgegevens (sterk) gelijkend zijn op de gegevens van die [benadeelde] , en (vervolgens) de bijschriften geplaatst:
* (op hetaccount ‘ [account 2] ’ en/of het account ‘ [account 3] ’) ‘My name is [benadeelde] . I do child trafficking.. I fuck grandpa’s en phedophiles so please contact me. [internetsite] ', en * (op het account ' [account 4] ') ‘Ik heb escort [A] en neuk en maak kids met lelijke opa’s., ik heb daddy issues en ben een golddigger’, en
- eenmaal of meermalen (op voornoemde) Instagramaccounts foto’s (afkomstig.van de Instagram) van die [benadeelde] en/of berichten geplaatst (met verwijzingen naar die [benadeelde] ), met onder andere de tekst(en):
* (op het Instagramaccount ‘ [account 18] ’) ‘Dit is mijn nieuwe neger lul die ik kan neuken’ en/öf ‘kijk mijn vieze lelijke kop en vieze tanden., vinden opa’s en pedo’s lekker’ en
* (pp het Instagramaccount ‘ [account 6] ’) ‘Poephoofd verkoopt kids’ en
- eenmaal of meermalen gereageerd middels berichten onder foto’s op het persoonlijke en/of zakelijke Instagramaccount van die [benadeelde] , (vanaf voornoemde door verdachte aangemaakte Instagramaccount(s)), met onder andere de tekst(en)
* (vanaf het Instagramaccount ‘ [account 13] ’) ‘ [naam] en ik willen graag komen neuken heb je leuke meisjes vannacht” en
* (vanaf het Instagramaccount ’ [account 14] ’ en/of ’ [account 15] ’ en/of’ [account 16] ’) ‘Sletje ben je opa’s aan het • neuken? Ik wil pok voorje komen werken hierbij mijn sollicitatie: ik wil ook opa’s neuke ik ben heel goed met kleine lelijke neger opa’s .. hebben vaak grote lul' en
* (vanaf het Instagramaccount ' [account 17] ') ‘Ben je lekker opa’s aan het neuken? Met je vieze tanden en je escort profiel’;
3. zij op 2 februari 2021 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een portiek aan een ander toebehorend onbruikbaar heeft gemaakt.”
2.3
Die bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest, waarnaar ik hier verwijs.
2.4
Onder de stukken van het geding bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van [benadeelde] , onder meer inhoudende:

Omschrijving immateriële schade
Psychische klachten en onrust voor mij en indirect kinderen (psycholoog) en heel veel verlies slaap, werktijd, focus, tijd v. kinderen en levensplezier. Constant onder druk en poep/vernielingen aantreffen, niet veilig in eigen huis, social media schade imago + klanten + modellen. In de basis dus mijn bedrijf compleet aangetast, mij persoonlijk, mijn buren en huis en het ergste: levenskwaliteit v. mijn kinderen. Zeer lastig in geld uit te drukken.
Misgelopen per maand in uren/hulp/imagoschade/focus/psychische hulp (met kracht, klantverlies, schade voor modellen)
per maand € 2000,- x 12 maanden = 24.000”
2.5
Door de rechtbank is de vordering toegewezen tot een bedrag van €10.000 voor immateriële schade. Blijkens een in het dossier gevoegde brief van mr. L Scheffer, advocaat in Amsterdam , van 6 november 2023 heeft [benadeelde] in hoger beroep opnieuw schadevergoeding gevorderd. Verzocht is om toekenning van € 26.487,43 voor materiële schade, bestaande uit gemiste omzet van het bedrijf van de benadeelde partij en kosten voor psychologische hulp, en € 10.000 voor immateriële schade. Het verzoek tot immateriële schadevergoeding is gegrond op de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze. Ten aanzien van de kosten waarvoor in eerste aanleg geen vergoeding is gevorderd, is gelet op artikel 421 lid 3 Sv verzocht alleen een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
2.6
De aan de brief van mr. L. Scheffer gehechte “bijlage 4” betreft een brief van psycholoog [deskundige] over het slachtoffer van 6 februari 2023 waarin onder andere is opgenomen:
“Gezien wordt een 28-jarige overwegend goed functionerende vrouw, moeder van twee jonge kinderen, thans in een nieuwe relatie, waarbij sprake is van sinds 2018 in meer of minder mate bestaande klachten van onrust, angst, schrikachtigheid, overdreven alertheid, benauwdheid, wazig zien, druk op de borst, moeite met beslissingen nemen, piekeren en somberheid. De klachten zijn ontstaan tijdens haar vorige relatie (vader van haar kinderen) waarbij was van verbale/emotionele mishandeling, en verergerd sinds het verbreken van de relatie waarbij er sprake was van bedreigingen door haar ex-partner, onder meer met fysiek geweld en het weghalen bij cliënte van de kinderen. Tevens van invloed op het ontstaan en instandhouden van de klachten is het feit dat
cliënte anderhalf jaar lang is gestalkt, na later bleek vermoedelijk door een ex-partner van betreffende ex-vriend. Deze persoon is veroordeeld en heeft een straatverbod hetgeen voor cliënte enige rust brengt, maar ook onzekerheid in verband met een lopend hoger beroep. Cliënte heeft vooral last van de schrikachtigheid en de constante alertheid die vooral lijken gekoppeld aan een of meerdere nare ervaringen met haar ex-vriend. Hoewel nu minder problematisch, lijkt de situatie weer te gaan verslechteren door een mogelijk naderende rechtszaak betreffende de omgang met de kinderen. De zorg voor en welzijn van de kinderen lijkt vooralsnog niet in gevaar, en cliënte zet de nodige stappen om dit zo te houden. Er zijn geen problemen op het gebied van eventuele verslavingen, huisvesting of financiële problematiek. (…)
Er zijn geen aanwijzingen voor het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis. Wel is er sprake van gevoelens van onzekerheid, de neiging het belang van anderen boven dat van zichzelf te stellen, gemakkelijk in te schikken en moeite met het aangeven van grenzen en/of zich overmatig schuldig voelen. In het contact valt op dat cliënte de neiging heeft te rationaliseren (zelf overal een verklaring voor bedenken), hetgeen een manier kan zijn controle te houden over ongewenste en pijnlijke gevoelens en emoties. Deze uiten zich bij cliënte vaak in (lichamelijke) spanningsklachten. Zij is ook geneigd ‘alles zelf te doen’. In classificerende/diagnostische zin kan gezien bovenstaand klachtenpatroon gesproken worden van een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis (voorlopige diagnose).”
2.7
De aan de brief van mr. L. Scheffer gehechte “bijlage 3” betreft een e-mail van het slachtoffer aan haar raadsvrouw van 6 november 2023. Deze houdt onder meer het volgende in:
“Goedemiddag mevrouw Scheffer,
Ik denk inderdaad dat het met dit behandelplan zeker voor het grootste deel op mijn ex afgeschoven wordt in plaats van op de verdachte. Alleen is de genoemde onrust met hem voor een groot deel naar boven gekomen doordat ik in de rechtszaak haar motief hoorde en de bewuste aanval op mij, wat met hem verbonden was. Daarmee kan ik niet zeggen dat zij de onrust met hem veroorzaakt heeft, maar ze heeft ervoor gezorgd dat de relatie verder verstoord is geraakt. Daar is hij mede verantwoordelijk voor, maar in het stuk stalking leg ik de oorzaak bij haar. (…)”
2.8
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2023 houdt over de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, voor zover van belang, het volgende in:
“De advocaat van de benadeelde partij wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en de vordering toe te lichten:
Ik realiseer me dat verhoging van de vordering in hoger beroep in principe niet mogelijk is. Evenwel heeft [benadeelde] in eerste aanleg zonder hulp of bijstand zelf het schadevergoedingsformulier ingevuld. Uit het formulier kun je afleiden dat zij feitelijk ook omzetverlies vordert, alleen heeft zij geen concreet bedrag ingevuld. Om deze reden vraag ik u om via oplegging van de schadevergoedingsmaatregel toch een hogere vergoeding toe te kennen. Het bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade is een reëel bedrag; het gaat hier om langdurige stalking met een enorme impact op het slachtoffer. Voor wat betreft de materiële schade sluit ik aan bij het dossier en wat daarover door het slachtoffer is gezegd. Door de stalking op haar zakelijke webpagina is zij veel werk misgelopen. Het is lastig aantonen hoeveel zij precies aan kosten kwijt is per model.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging – zakelijk weergegeven – als volgt.
(…)
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij:
De schadevergoedingsmaatregel is een strafrechtelijke sanctie. Het is niet de bedoeling om op deze manier het civiele recht te omzeilen. Ik betwist de post ‘omzetverlies’ nu de onderbouwing onvoldoende is. Het bedrijf is pas in 2019 opgericht en het was de periode van Corona. Ook de medische kosten betwist ik, nu er ook sprake was van andere problematiek bij het slachtoffer. Ik vraag u de gehele vordering niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de vordering gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van €2.000.
De advocaat van de benadeelde partij reageert als volgt.
Zoals ik al eerder heb aangevoerd, had de benadeelde partij aanvankelijk geen juridische bijstand. De schadevergoedingsmaatregel is juist bedoeld om het slachtoffer tegemoet te komen.”
2.9
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2023 volgt dat de benadeelde partij daar een slachtofferverklaring heeft voorgedragen, die zich eveneens tussen de stukken bevindt. Daarin staat onder meer het volgende:
“Tot op de dag van vandaag vraag ik mijn kinderen om niet zomaar de deur uit te lopen; ik wil altijd eerst een blik door de straat werpen. Overal waar ik ben neem ik de hele omgeving in me op.
Ik schrik wanneer de bel gaat of wanneer ik geluiden hoor voor de deur. Nog altijd kijk ik beneden uit automatisme of er niets voor de deur ligt. Elke dag voel ik weer een opluchting dat er geen poep, plas of maandverband te zien is. Dit is niet alleen een gevoel van opluchting, het is helaas een bevestiging dat ik er toch elke dag nog mee bezig ben.
Ik neem anonieme telefoontjes niet op. Überhaupt nummers die ik niet ken liever niet, Ik wacht eerst af totdat er gemaild wordt of er een voicemail ingesproken wordt, terwijl het vaak om werk gaat en ik kans heb om inkomsten mis te lopen. Ik neem ieder nummer op met ‘Hallo’, in plaats van ‘Met [benadeelde] van [A] ’. Niet professioneel, wel de enige manier waarop ik me veilig voel.
Het zijn maar enkele voorbeelden die elke dag opnieuw terugkeren. Het zijn gedachten en gewoonten die terugkeren ondanks dat ik er zo hard aan heb gewerkt om het achter me te laten. Twee trajecten bij de psycholoog verder, maken dat ik me minder angstig voel en weer vol durf te leven. Ik heb er keihard voor gewerkt om de angst achter me te laten. Toch laten deze paar kleine voorbeelden al zien dat ik niet meer onbevangen leef.
Wanneer ik teruglees wat er allemaal is gebeurd, wat er allemaal is gezegd en hoelang ik in overlevingsstand heb moeten functioneren, kan ik bijna niet bevatten dat ik overeind ben gebleven. Ik was bang en voelde me vernederd. Ik voelde me extreem kwetsbaar. Ik was niet lang ervoor alleenstaande moeder geworden en had al mijn energie en tijd nodig om voor mijn kinderen te zorgen die destijds pas net 1 en 2 waren, en om mijn bedrijf op te bouwen. Die tijd en energie werden me niet gegund. Ik was druk met dag en nacht de meest verschrikkelijke reacties verwijderen, Instagram profielen blokkeren en rapporteren, contact met de politie en ondertussen proberen te doen alsof er niets aan de hand was om de schade te beperken.
Ik vertrouwde niemand. Ik wist niet of de stalker een bekende of onbekende was. Ik kon niet verder met het bouwen van mijn bedrijf, want mijn imago werd dagelijks aangetast. Ik werd zelfs uitgemaakt voor kinderverhandelaar en foto’s van mijn modellen werden gebruikt met de boodschap dat ik ze verhuurde voor prostitutie. Minderjarige modellen. Meer dan dit verwijderen en melding maken bij de politie kon ik niet doen. Daar bovenop schaamde ik me. Net in een nieuwe buurt komen wonen en direct overlast veroorzaken voor alle buren is het laatste wat ik wilde. Het bleef maar doorgaan. (…) Ik kan eerlijk zeggen dat ik compleet in shock was van het motief en van alles wat er speelde. Het maakte me bang dat het bewust op mij was afgereageerd.(…) Het is dat ik heel veel doorzettingsvermogen heb gehad en dat ik heb gedurfd om psychische hulp te zoeken, ondanks dat ik daarvoor weinig tijd en energie over had door alles wat er speelde. Alleen dat is de reden geweest dat het met mijn kinderen in die periode goed is gegaan. Alleen daardoor heb ik ervoor kunnen zorgen dat we een dak boven ons hoofd hielden en dat mijn kinderen niets tekortkwamen. Als ik nu terugkijk naar de omstandigheden in die tijd kan ik me niet meer voorstellen hoe ik het heb gedaan. Ik kan eerlijk zeggen dat het de zwaarste jaren uit mijn leven waren. Ik heb er mee leren leven maar het zal me nooit meer volledig loslaten.”
2.1
In het bestreden arrest zijn de volgende overwegingen opgenomen over de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel:

Vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.000,00 aan vergoeding van immateriële schade bestaande uit gemiste omzet, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij aanvullende stukken ter onderbouwing van de vordering ingediend. Hieruit volgt dat de benadeelde partij € 26.487,43 vordert aan materiële schade (bestaande uit € 24.000,00 gemiste omzet en € 2.487,43 kosten voor psychische hulp) en € 10.000,00 aan immateriële schade (bestaande uit emotionele schade). Het hof verstaat dit als een vermeerdering van de originele vordering met € 10.000,00 aan immateriële kosten en € 2.487,43 aan materiële kosten.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van de eerst in hoger beroep gevorderde kosten. De advocaat-generaal heeft geadviseerd om voor die kosten aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de betalingsverplichting vast te stellen op € 12.487,43 te vermeerderen met de wettelijke rente.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de benadeelde partij in de gehele vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering ten onrechte in hoger beroep is verhoogd en voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de toewijzing te beperken tot een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade.
Oordeel hof materiële schade €24.000,00.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de summiere onderbouwing van de vordering en op de betwisting ervan door de verdediging, de beoordeling van de schade een te complexe kwestie is om in het kader van dit strafgeding te beslechten en aldus een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering wordt ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaard.
Oordeel hof immateriële schade en kosten psychische hulp
Ten aanzien van de in hoger beroep opgevoerde kosten voor de immateriële schade en de kosten voor psychische hulp overweegt het hof dat gelet op het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sr een benadeelde partij zich, voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep kan voegen. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep geen schadeposten mag opvoeren die zij in eerste aanleg niet heeft opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945). Nu voornoemde schadeposten door de benadeelde partij voor het eerst in hoger beroep zijn opgevoerd kan zij derhalve in zoverre niet in de vordering worden ontvangen en zal het hof de benadeelde partij voor wat betreft de in hoger beroep opgevoerde schadeposten van de emotionele schade en de kosten voor de psychische hulp niet-ontvankelijk verklaren.
Wel kan de strafrechter ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Artikel 36f Sr betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. Hieruit volgt dat de rechter niet is gehouden het bedrag van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36f Sr op hetzelfde bedrag te stellen als het bedrag waarvoor hij de daarmee verband houdende vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.9.2).
De schadevergoedingsmaatregel zal daarom ook worden opgelegd voor het bedrag van € 2.487,43 aan kosten voor psychische hulp en € 10.000,00 aan kosten voor de immateriële schade omdat de verdachte ook voor die schade naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De verdachte heeft immers onrechtmatig gehandeld jegens de benadeelde partij, ten gevolge waarvan deze rechtstreeks ook die schade heeft geleden. Daarnaast komen deze kosten, die met stukken zijn onderbouwd, het hof ook op dit onderdeel| niet onrechtmatig of ongegrond voor. Daarbij betrekt het hof dat de benadeelde partij in eerste aanleg geen juridische bijstand had en zelf de vordering heeft opgesteld en ingediend en pas in hoger beroep juridische bijstand heeft gekregen van een advocaat. Onder deze omstandigheden zou het tot een onbillijk resultaat leiden indien de schade van de benadeelde partij, mits in voldoende mate vast te stellen, niet vergoed zou kunnen worden. De schadevergoedingsmaatregel wordt daarom opgelegd voor een bedrag van € 12.487,43, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
Vordering van de [benadeelde]
Verklaart de [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.487,43 (twaalfduizend vierhonderdzevenentachtig euro en drieënveertig cent) bestaande uit € 2.487,43 (tweeduizend vierhonderdzevenentachtig euro en drieënveertig cent) aan materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.”
2.11
Het bestreden arrest bevat onder meer de volgende strafmaatoverwegingen:
“De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging, smaadschrift en het onbruikbaar maken van een portiek. Zij heeft het slachtoffer gedurende een periode van ruim 13 maanden op verschillende manieren het leven zuur gemaakt. Zij heeft veelvuldig met het slachtoffer geprobeerd contact te zoeken via diverse (sociale media) kanalen. Zij heeft daarbij onprettige en confronterende berichten en foto’s geplaatst. Daarnaast is zij langs de woning van het slachtoffer gegaan en heeft zij poep in het portiek van haar woning achtergelaten. Door aldus te handelen heeft de verdachte de grens van het toelaatbare ver overschreden en daarmee stelselmatig een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en moedwillig de naam en goede eer van het slachtoffer en haar bedrijf geschonden. Dit soort feiten wordt als buitengewoon beangstigend en bedreigend ervaren, hetgeen ook blijkt uit de in hoger beroep voorgedragen indringende slachtofferverklaring waarin zij beschrijft dat de impact van het handelen van de verdachte en haar gezin zo groot is geweest dat zij tot op de dag vandaag daarvan nog last en angstgevoelens ondervindt en dat zij daarvoor psychische hulp heeft gezocht.”
Het middel
2.12
Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst de steller van het middel naar een arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2024. [2] Daarin werd geoordeeld dat de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen tot immateriële schadevergoeding ontoereikend was gemotiveerd, omdat uit de motivering niet kon worden afgeleid “op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden” de toewijzing was gebaseerd. Dat arrest staat niet op zichzelf; ook uit andere uitspraken van de Hoge Raad volgt dat uit de vaststellingen en overwegingen van het hof in toereikende mate moet blijken dat het de toewijzing van een vordering benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding op één van de in artikel 6:106 BW genoemde gronden heeft kunnen baseren. [3] Dit betekent overigens niet dat de aan artikel 6:106 BW ontleende grond expliciet in de uitspraak moet worden vermeld.
2.13
Bedoelde rechtspraak ziet steeds op de situatie waarin de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding is toegewezen. In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake, nu de vordering benadeelde partij door het hof in zijn geheel niet-ontvankelijk is verklaard. De door de benadeelde partij gevorderde vergoeding voor immateriële schade en voor de kosten voor psychische hulp is door het hof evenwel toegekend in de vorm van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, waarvan het slachtoffer de begunstigde is. Deze omstandigheden in aanmerking genomen, werpt het middel in feite de vraag op in hoeverre de in de jurisprudentie geformuleerde eisen voor de motivering van de toewijzing van een vordering benadeelde partij ook gelden bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, meer specifiek of uit de vaststellingen en overwegingen van het hof ook bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel moet kunnen worden afgeleid op welke feitelijke omstandigheden en op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht is gebaseerd.
2.14
Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft de Hoge Raad zich nog niet eerder uitgesproken over deze kwestie. In de hiervoor aangehaalde rechtspraak speelde de schadevergoedingsmaatregel, die in alle gevallen in verband met de vordering benadeelde partij was opgelegd, slechts zijdelings een rol. De Hoge Raad oordeelde daarin telkens dat vanwege het motiveringsgebrek dat aan de toewijzing van de vordering benadeelde partij kleefde de schadevergoedingsmaatregel ook niet in stand kon blijven. [4] Daaruit kan echter niet zonder meer worden opgemaakt dat de in de jurisprudentie geformuleerde motiveringseis voor de toewijzing van de vordering benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding ook geldt voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
2.15
Teneinde te achterhalen hoever de motivering van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die strekt tot vergoeding van immateriële schade moet gaan, zal ik in het navolgende eerst bezien welke motiveringseisen meer in het algemeen gelden voor de oplegging van een strafrechtelijke maatregel. Vervolgens zal ik de schadevergoedingsmaatregel naast de vordering benadeelde partij leggen om na te gaan of er een rechtvaardiging bestaat om andere motiveringseisen te stellen aan de toewijzing van een vordering benadeelde partij dan aan de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Dat zal uitmonden in een uiteenzetting van de eisen die mijns inziens aan de motivering van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel worden gesteld. Tot besluit kom ik toe aan de bespreking van het middel.
Motivering van een maatregel
2.16
Voor de oplegging van maatregelen vloeit een algemene motiveringsverplichting voort uit artikel 359, leden 2 en 5, Sv, die ingevolge artikel 415 Sv ook van toepassing zijn in hoger beroep. Deze artikelleden houden (onder meer) in dat de beslissing tot oplegging van een maatregel met redenen omkleed dient te zijn (lid 2, eerste zin), en dat de uitspraak in het bijzonder de redenen opgeeft die tot de maatregel hebben geleid (lid 5). Behalve wanneer een nadere motivering is vereist omdat de rechter bij de oplegging van een maatregel afwijkt van een door of namens de verdachte dan wel door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (lid 2, tweede zin), [5] plegen uit deze bepalingen in het algemeen geen hoge eisen aan de motivering van de sanctieoplegging niet te worden afgeleid,
2.17
Voor het geval de wet echter bijzondere voorwaarden stelt waaraan voldaan moet zijn alvorens een bepaalde straf of maatregel mag worden opgelegd, moeten vaststellingen dienaangaande onderdeel uitmaken van de motivering. [6] Dergelijke vaststellingen maken het mogelijk om te toetsen of de bijzondere voorwaarden voor oplegging van de betreffende sanctie zijn vervuld. Dat aan de voorwaarden voor oplegging van een maatregel is voldaan hoeft daarbij niet steeds expliciet in de uitspraak te worden uiteengezet, maar kan ook besloten liggen in (andere) overwegingen of vaststellingen van de rechter. Ter illustratie ga ik in op de rechtspraak over de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) en de maatregel tot onttrekking aan het verkeer.
2.18
Voor de ISD-maatregel) heeft de Hoge Raad bepaald dat de rechter er in zijn beslissing blijk van moet geven dat aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan door “met zoveel woorden tot uitdrukking [te] brengen dat de voorwaarden als bedoeld in artikel 38m lid 1, aanhef en onder 2 en 3, Sr zijn vervuld”. [7] De enkele overweging van het hof Amsterdam dat de verdachte “voldoet aan de wettelijke criteria” voor oplegging van de maatregel, kon die toets niet doorstaan. [8] Anderzijds is het, ofschoon het wel de voorkeur verdient, niet strikt noodzakelijk dat de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel woordelijk worden afgelopen om tot de conclusie te komen dat die zijn vervuld. Blijkens HR 29 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2549, volstaat het dat de rechter er in voldoende mate blijk van geeft zich ervan te hebben vergewist dat aan de in artikel 38m Sr genoemde voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat op z’n minst uit de vaststellingen en overwegingen moet kunnen blijken dat de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel ex artikel 38m Sr zijn vervuld.
2.19
Voor wat betreft de voor de oplegging van de maatregel tot onttrekking aan het verkeer in art. 36c en 36d Sr gestelde voorwaarde dat het ongecontroleerde bezit van het betreffende voorwerp in strijd is met de wet of het algemeen belang, kan onder omstandigheden worden volstaan met de overweging dat het voorwerp, of de gezamenlijkheid van voorwerpen, strijdig is met de wet of het algemeen belang. Het gaat dan om zaken waarin wordt bevolen tot onttrekking aan het verkeer van voorwerpen waarvan al uit de aard voortvloeit dat het ongecontroleerde bezit ervan strijdt met de wet of het algemeen belang [9] , zoals foto’s of video’s met kinderpornografisch materiaal. [10] Afzonderlijke overwegingen waarom aan die eis is voldaan, zijn dan niet nodig; afdoende is de vaststelling dát aan die eis is voldaan. Wanneer het geen gemeengevaarlijke voorwerpen betreft, behoeft de beslissing tot onttrekking aan het verkeer juist wel nadere motivering. Voorbeelden van zaken waarin de Hoge Raad heeft gecasseerd vanwege het ontbreken van zo’n nadere motivering zijn talrijk, waarbij het ging om voorwerpen als tassen, horloges en een broodmes. [11] Een andere bijzondere voorwaarde voor onttrekking aan het verkeer, specifiek op grond van artikel 36c Sr, is een relatie tussen het te onttrekken voorwerp en het bewezenverklaarde strafbare feit zoals omschreven in onderdeel 1° tot en met 5°. Van het bestaan van een zodanige relatie zal moeten blijken. Ingeval de onttrekking is bevolen ex onderdeel 2°, te weten omdat het voorwerp met betrekking tot het feit is begaan, wordt evenwel niet gevergd dat de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat van zo’n relatie sprake is. Ten minste zal uit de uitspraak of het proces-verbaal van de terechtzitting moeten kunnen worden afgeleid dat het feit met betrekking tot het voorwerp is begaan. [12]
2.2
Dat de rechterlijke uitspraak in beginsel moet uiteenzetten dat aan de bijzondere voorwaarden voor oplegging van een maatregel is voldaan, geeft echter niet direct antwoord op de vraag hoever deze motivering dient te gaan. Kan worden volstaan met de overweging dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht? Is de overweging van het hof voldoende, inhoudende dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens “de benadeelde partij”, ten gevolge waarvan deze laatste rechtstreeks schade heeft geleden, terwijl de betreffende kosten met stukken zijn onderbouwd en het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen? Of dient, zoals de steller van het middel aanvoert, te worden vermeld op welke in artikel 6:106 BW genoemde grond en op welke vastgestelde omstandigheden het de vergoeding van die schade heeft gebaseerd?
2.21
Om te proberen hier antwoord op te geven, zal ik nader ingaan op de verhouding tussen de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. Kort gezegd verschillen deze beide rechtsfiguren naar aard en procedureel kader, maar komen zij vrijwel geheel overeen als het aankomt op de materiële toepassingsvoorwaarden.
De vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
2.22
Tussen de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij bestaan grote, deels fundamentele verschillen. De voegingsprocedure is een door het slachtoffer te entameren civiele procedure ter verkrijging van schadevergoeding binnen de context van een strafzaak, terwijl de schadevergoedingsmaatregel een strafrechtelijke sanctie is die aan de verdachte kan worden opgelegd, strekkend tot betaling aan de staat van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer. Hieruit vloeit een aantal andere verschillen voort. Om te beginnen betreft de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, anders dan een beslissing op een vordering benadeelde partij, een discretionaire bevoegdheid. De rechter kan ambtshalve overgaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, zelfs als die mogelijkheid op zitting niet is besproken of een aan de orde zijnde vordering benadeelde partij die strekt tot vergoeding van dezelfde schade niet-ontvankelijk wordt verklaard. [13] Tegelijk kan de rechter nalaten een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ondanks een daartoe strekkend verzoek van een procesdeelnemer. Een beslissing over een vordering benadeelde partij kan alleen worden genomen als de benadeelde partij zich ook met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd. Als zo’n vordering is ingediend, is de rechter evenwel gehouden daarop te beslissen. Dit lijdt geen uitzondering in het geval een vordering benadeelde partij aan de orde is en de rechter kiest voor oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Ook dan kan een beslissing op de vordering niet achterwege blijven. [14] Bovendien is de wettelijke grondslag voor de motivering van beide beslissingen verschillend: artikel 361 lid 4 Sv voor de beslissing op de vordering benadeelde partij tegenover de hiervoor al aangehaalde algemene, voor sancties geldende, motiveringsplicht in artikel 359, leden 2 en 5, Sv voor de schadevergoedingsmaatregel. Een ander verschil is dat de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel in handen is van het openbaar ministerie (hierna: OM), terwijl de benadeelde partij er in het geval van een toegewezen vordering tot schadevergoeding zelf zorg voor draagt dat deze geëxecuteerd wordt.
2.23
Inhoudelijk bestaan tussen de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel echter vooral overeenkomsten. Dat heeft hoofdzakelijk te maken met de toepasselijkheid van het materiële burgerlijke recht op zowel de vordering benadeelde partij als de schadevergoedingsmaatregel. Volgens dat materiële burgerlijke recht komt een vordering benadeelde partij voor toewijzing in aanmerking voor zover het gaat om schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van een onrechtmatige gedraging van de verdachte. [15] Voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel dient eveneens naar materieel burgerlijk recht aansprakelijkheid van de verdachte te bestaan voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. [16] Dit brengt met zich dat bij beide modaliteiten volgens dezelfde regels wordt vastgesteld en beoordeeld of sprake is van schade die voor vergoeding in aanmerking komt, of er grond bestaat voor toekenning van schade, tot welke omvang schade kan worden vergoed, alsook de soort schade die kan worden vergoed. Een toegewezen vordering benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel kunnen beide bestaan uit vergoeding van geleden materiële, maar ook immateriële schade. [17] De in artikel 6:98 BW neergelegde eis van causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade, in art. 51f lid 1 Sv nader bepaald als een rechtstreeks verband, geldt eveneens voor beide mogelijkheden ter verkrijging van schadevergoeding. [18] Verder is de kring van personen wiens schade voor vergoeding in aanmerking komt bij de voegingsprocedure nagenoeg gelijk aan die van de schadevergoedingsmaatregel. Bovendien valt te noemen dat beide primair herstel van de rechtmatige toestand en, in het geval van immateriële schadevergoeding, leedverzachting voor het slachtoffer beogen, ondanks dat de een in de vorm van een civiele rechtsingang en de ander in de vorm van een strafrechtelijke maatregel is gegoten. [19]
2.24
De inspanningen van de wetgever zijn de afgelopen decennia ook gericht geweest op nadere harmonisering van de regeling van de schadevergoedingsmaatregel met die van de vordering benadeelde partij. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gewezen op het uitbreiden van de kring van personen die zich met een vordering benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen tot ook de erfgenamen van een overleden slachtoffer, net zoals het geval zou zijn bij de op dat moment nog nieuw in te voeren schadevergoedingsmaatregel. Het doel van die uitbreiding was uitdrukkelijk om het verschil tussen de kring van voegingsgerechtigden en van begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel “zo goed als ongedaan” te maken, omdat werd gedacht dat slachtoffers dat verschil niet rechtvaardig zouden vinden. [20] Een ander voorbeeld betreft de wetswijziging die het per 1 januari 2014 mogelijk heeft gemaakt om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen in het geval aan de verdachte geen straf, maar alleen een maatregel wordt opgelegd. Ook daaraan lag de intentie ten grondslag om de schadevergoedingsmaatregel op dat vlak gelijk te trekken met de vordering benadeelde partij, waarbij oplegging van enkel een maatregel ook toen al geen beletsel vormde voor toewijzing ervan. [21]
2.25
Ook in de praktijk zijn de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel steeds meer met elkaar verbonden geraakt. Dit was bij de invoering niet per se voorzien. De wetgever heeft niet het oorspronkelijke voorstel gevolgd van de commissie, op wier advies het wetsvoorstel was gebaseerd tot uitbreiding van de voegingsmogelijkheden van de benadeelde partij en de invoering van de schadevergoedingsmaatregel was gebaseerd. Dit advies hield in dat de schadevergoedingsmaatregel (in het voorstel van de commissie: een schadevergoedingsstraf) alleen kon worden opgelegd als de benadeelde partij zich in het strafgeding had gevoegd. [22] De parlementaire geschiedenis bevat verdergaande aanwijzingen dat de rechter dient te kiezen tussen óf de toewijzing van de vordering benadeelde partij óf de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad heeft uiteindelijk de knoop doorgehakt dat dit gelijktijdig kon. [23]
2.26
Er kunnen dan twee situaties worden onderscheiden. Enerzijds de gevallen waarin de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd ter ondersteuning van de toewijzing van de vordering benadeelde partij. De maatregel strekt dan tot betaling aan de staat van dezelfde schade als is toegewezen op basis van de vordering benadeelde partij. Het voordeel daarvan is dat de staat overgaat tot inning, waarbij het middel van de gijzeling ter beschikking staat, en dat door de benadeelde partij eventueel een beroep kan worden gedaan op de voorschotregeling van art. 6.4.2. lid 7 Sv. In het leeuwendeel van de strafzaken is de schadevergoedingsmaatregel nu accessoir aan de toegewezen vordering benadeelde partij, en kan worden gesproken van min of meer inwisselbare beslissingen. Dit brengt ook mee dat voor de motivering van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel kan worden teruggevallen op de motivering die de rechter heeft gegeven voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
2.27
Wanneer anderzijds de schadevergoedingsmaatregel geheel of gedeeltelijk niet wordt gecombineerd met een toewijzing van de vordering benadeelde partij, kan wederom een tweedeling worden gemaakt. Ten eerste zijn er die gevallen waarin de maatregel wordt ingezet als substituut van de vordering benadeelde partij. Daartoe wordt blijkens de jurisprudentie wel overgegaan als een ingediende vordering benadeelde partij op formele gronden niet kan worden toegewezen, terwijl genoegzaam vast is komen te staan dat de verdachte aansprakelijk is voor door de benadeelde partij geleden schade. In zo’n geval komt het voor dat de rechter een schadevergoedingsmaatregel oplegt ter hoogte van het bedrag waartoe de vordering benadeelde partij zou zijn toegewezen, indien die had voldaan aan de daaraan te stellen formele eisen. In de onderhavige zaak heeft het hof iets soortgelijks gedaan door een schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor het bedrag waarmee de vordering benadeelde partij in hoger beroep in strijd met artikel 421 lid 3 Sv is verhoogd. Het karakter van de schadevergoedingsmaatregel als vervanging voor een toegewezen vordering benadeelde partij tekent zich nog sterker af in zaken waarin als gevolg van een strafbaar feit meerdere slachtoffers zijn, slechts een deel daarvan een vordering benadeelde partij heeft ingediend, de rechter hun vorderingen (gedeeltelijk) toewijst en ten behoeve van diegenen die geen vordering hebben ingediend een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van hetzelfde bedrag oplegt. [24] Daarmee wordt dan beoogd de positie van de slachtoffers als het ware gelijk te trekken. Hoewel het in beginsel is toegestaan de schadevergoedingsmaatregel op deze wijze toe te passen, bestaat bij rechters soms toch enige terughoudendheid om hun discretionaire bevoegdheid hiertoe te gebruiken als daardoor de wettelijke eisen voor de indiening of verhoging van een vordering benadeelde partij kunnen worden ontweken. [25] Ook in het bestreden arrest voelde het hof de noodzaak te vermelden dat de benadeelde partij geen rechtsbijstand had gehad bij het opstellen van de oorspronkelijke vordering benadeelde partij om daarmee te rechtvaardigen dat het gebruikmaakte van de mogelijkheid een schadevergoedingsmaatregel op te leggen die verderging dan die vordering.
2.28
Ten tweede zijn er de gevallen waarin een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd zonder dat ooit sprake is geweest van een al dan niet ontvankelijke vordering benadeelde partij (tot dat bedrag). Dan kan zich het probleem voordoen dat de rechter, het openbaar ministerie en de verdediging niet over voldoende gegevens beschikken om zich een oordeel te vormen over de hoogte van de schade en de noodzaak tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de maatregel komt dit tot uitdrukking als wordt gesteld dat de rechter bij voorkeur geen schadevergoeding toekent als het slachtoffer dat niet wil en juist de vordering benadeelde partij de informatie geeft dat het slachtoffer dat juist wel graag wil. [26] Verder wordt daarin vermeld: “De gegevens die het slachtoffer moet verschaffen om zich te voegen als benadeelde partij, zoals de
grondslagen de hoogte van de vordering, heeft het openbaar ministerie ook nodig om de schadevergoedingsmaatregel te vorderen.” (cursivering toegevoegd; MvW). Daarin komt tot uitdrukking dat het partijdebat dat eigen is aan het voeren van een civiele procedure ook noodzakelijk kan zijn om een schadevergoedingsmaatregel te kunnen opleggen. Voor de vordering benadeelde partij gelden daarbij, in tegenstelling tot voor de schadevergoedingsmaatregel, de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. De consequentie hiervan is dat op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last rust “de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden”. De Hoge Raad heeft aangegeven dat die stelplicht in de context van het strafproces “in het bijzonder betrekking heeft op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde stafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade”. [27]
Motivering oplegging schadevergoedingsmaatregel
2.29
Bij de vraag welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, dient mijns inziens uitgangspunt te zijn dat waar de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij overeenkomen, namelijk waar het gaat om de vaststelling van de aansprakelijkheid naar burgerlijk recht, dezelfde motiveringseisen dienen te worden gesteld, tenzij uit de aard van de rechtsfiguren of het toepasselijke procedurele kader iets anders volgt.
2.3
Een onderscheid is niet te rechtvaardigen door de verschillende aard van de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. In beide gevallen is in ieder geval ook het eigendomsrecht van de verdachte in het geding, alsmede de relatie tussen de verdachte en het slachtoffer. Evenmin kan ik uit de verschillende procedurele kaders een reden afleiden voor zo’n onderscheid. De wettelijke grondslag voor de motivering verschilt weliswaar, maar beide wetsbepalingen kunnen met dezelfde motiveringseisen worden ingevuld. Het gegeven dat aan de beslissing over de vordering benadeelde partij altijd een vorm van een partijdebat ten grondslag ligt, kan ook reden zijn om onderscheid te maken. Betoogd zou kunnen worden dat juist in gevallen waarin geen debat is gevoerd waardoor standpunten en stellingen duidelijk zijn geworden, de motivering van het rechterlijk oordeel die duidelijkheid moet bieden. In de situatie dat op zitting de mogelijkheid van een plicht tot schadevergoeding niet ter sprake is gekomen en daaromtrent geen uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden, is het redelijk om van de rechter meer te verlangen qua motivering. Aangezien de rechter ambtshalve tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel kan overgaan, zelfs zonder dat die mogelijkheid op zitting is besproken, kan die oplegging een verdachte rauw op z’n dak vallen. In een dergelijk geval is het aangewezen dat de rechter zich bij de motivering van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel actief opstelt, en zijn beslissing van een uitvoeriger motivering voorziet.
2.31
Dat neemt niet weg dat als de verdachte jegens het slachtoffer een strafbaar feit heeft gepleegd, dat gewoonlijk ook een onrechtmatige daad oplevert, om welke reden de rechter daaraan geen afzonderlijke overwegingen hoeft te wijden. [28] In het kader van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ligt de motivering van de onrechtmatige daad in de meeste gevallen dan ook besloten in de bewezenverklaring en de bewijsconstructie, en kan daarmee worden volstaan. Ook dat is voldaan aan het vereiste van rechtstreekse schade vloeit in veel gevallen voort uit de bewijsconstructie. Als bij een vernieling bijvoorbeeld een fiets wordt beschadigd, is het causaal verband tussen het strafbare feit en de schade aan de fiets evident. Vaststellingen dienaangaande zijn dan niet noodzakelijk.
2.32
Wat de motivering van de soort schade tot vergoeding waarvan wordt verplicht betreft, komt het door de steller aangehaalde arrest in beeld. Daaruit volgt voor de toewijzing van de vordering benadeelde partij dat uit de overwegingen van het hof moet kunnen worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW bedoelde rechtsgrond de vergoeding van immateriële schade is gebaseerd. De achtergrond voor die motiveringseis wordt gevormd door de toepasselijkheid van het materiële burgerlijke recht in combinatie met de limitatieve opsomming van gronden voor toekenning van immateriële schadevergoeding in artikel 6:106 BW. Dit leid ik af uit het in die uitspraak geciteerde arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, dat onder meer inhoudt dat een vordering benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet, niet kan worden toegewezen, en dat mede om die reden “een enkele verwijzing naar de billijkheid” in artikel 6:106 BW niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een geval voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. De omstandigheid dat de vordering niet is weersproken of dat de verdediging zich aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd maakt dat niet anders. Weliswaar zal de rechter in die gevallen uitgaan van de juistheid van de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en de vordering in de regel toewijzen, maar dat lijdt uitzondering wanneer de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. [29]
2.33
Gelet op hetgeen ik hiervoor heb geschreven dient derhalve ook bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel kenbaar te zijn op welke rechtsgrondslag de toekenning van immateriële schadevergoeding steunt, waarbij niet beslissend is of door of namens de verdachte verweer op die rechtsgrondslag is gevoerd. Voor de goede orde merk ik op dat dit logischerwijs meebrengt dat de uitspraak ook de omstandigheden moet bevatten waarop die rechtsgrondslag van toepassing wordt geacht. Om te toetsen of aanleiding bestaat voor toekenning van immateriële schadevergoeding op basis van een aan artikel 6:106 BW ontleende grondslag, schiet de enkele vermelding van die grondslag immers tekort.
Bespreking van het middel
2.34
In het overzichtsarrest over de vordering benadeelde partij heeft de Hoge Raad over de vergoeding van immateriële schade onder meer het volgende overwogen:
“2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.16 Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.” [30]
2.35
Het is juist dat in de onderhavige zaak niet uitdrukkelijk in het arrest is opgenomen op welke in artikel 6:106 BW vermelde grond het hof de vergoeding van immateriële schade, in het kader van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, heeft gebaseerd. De vraag is of een aan artikel 6:106 BW ontleende rechtsgrondslag niettemin in het door het hof overwogene kan worden ‘ingelezen’.
2.36
Blijkens het dictum heeft het hof de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde, oftewel de belaging en het plegen van smaadschrift. [31] De vaststellingen van het hof houden daarover in dat de verdachte het slachtoffer gedurende een periode van ruim dertien maanden het leven zuur heeft gemaakt, waarbij de verdachte veelvuldig heeft geprobeerd contact met het slachtoffer te zoeken via diverse (socialemedia)kanalen, de verdachte onprettige en confronterende berichten en foto’s heeft geplaatst, en langs de woning van het slachtoffer is gegaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte volgens het hof de grens van het toelaatbare ver overschreden, stelselmatig een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en moedwillig “de naam en goede eer” van het slachtoffer en haar bedrijf geschonden. Verder heeft het hof acht geslagen op de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring, waaruit het afleidt dat de impact van het bewezenverklaarde op het slachtoffer en haar gezin zo groot is geweest dat zij daar nog altijd last en angstgevoelens van ondervindt, en zij daarvoor psychologische hulp heeft gezocht. [32] In de specifiek aan de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel gewijde overwegingen is bovendien opgenomen dat het verzoek tot schadevergoeding met stukken is onderbouwd, zonder te vermelden waarop het hof het oog heeft,. Mogelijk wordt gedoeld op het onder randnummer 2.6 bedoelde behandelplan van de psycholoog en de onder randnummer 2.7 aangeduide e-mail van het slachtoffer aan haar raadsvrouw. Uit het behandelplan van de psycholoog volgt dat het slachtoffer sinds 2018 kampt met zowel mentale als fysieke klachten die zijn ontstaan vanwege verbale en emotionele mishandeling tijdens haar vorige relatie en die zijn verergerd vanwege het verbreken van die relatie. Volgens de psycholoog is de bewezenverklaarde belaging “tevens van invloed op het ontstaan en instandhouden van de klachten”, die hij tezamen duidt als “[a]ndere psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis”. In de onder randnummer 2.7 genoemde e-mail van het slachtoffer aan haar raadsvrouw geeft zij met zoveel woorden aan dat haar klachten voor het grootste deel voortkomen uit haar relatie met haar ex-partner, maar dat de onrust met hem voor een belangrijk deel naar boven is gekomen door de strafzaak tegen de verdachte.
2.37
Het slachtoffer heeft het verzoek om immateriële schadevergoeding blijkens de toelichting op de vordering benadeelde partij in hoger beroep zelf gebaseerd op de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Het hof vult zelf de rechtsgronden aan en is op zich niet aan deze rechtsgrondslag gebonden, maar de vermelding van deze grond wijst ook op de feitelijke aard van de schade die volgens de benadeelde partij is ontstaan.
2.38
Hoe dan ook valt uit de overwegingen van het hof in de voorliggende zaak niet op te maken dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan met de intentie om het slachtoffer immateriële schade te berokkenen in de zin van art. 6:106, aanhef en onder a, BW. Het behoeft verder geen toelichting waarom het hof de beslissing tot immateriële schadevergoeding niet heeft kunnen stoelen op de in artikel 6:106, aanhef en onder c, BW vermelde grond. De in artikel 6:106 BW, aanhef en onder b, bedoelde aantasting in de persoon valt uiteen in drie subcategorieën, waarvan de eerste evident niet aan de orde is. Van lichamelijk letsel is immers geen sprake. Onduidelijk blijft echter welke van de twee resterende gronden voor immateriële schade het hof aan de orde acht en op grond van welke vaststellingen.
2.39
Bij schending van de eer en goede naam gaat het met name om de aantasting van de achting die men bij anderen geniet. Het nadeel waar schadevergoeding op deze grond soelaas voor biedt, kan volgens Lindenbergh bestaan uit gevoelens van vernedering en, in het verlengde daarvan, boosheid en angst voor de gevolgen van het bekend worden van de onrechtmatige gedraging bij een breder publiek. [33] In geval van bewezenverklaring van smaadschrift is niet ondenkbaar dat aanleiding bestaat voor toekenning van immateriële schadevergoeding wegens schending van de eer en goede naam. De strafbaarstelling van smaadschrift vindt zijn rechtvaardiging namelijk ook in de bescherming van ieders aanspraak op zijn eer en goede naam. [34] In het arrest wordt naar mijn inzicht echter onvoldoende ingegaan op de aard en inhoud van de door de verdachte geplaatste berichten en foto’s om zonder meer aan te nemen dat het hof op grond van schending van de eer en goede naam is overgegaan tot toekenning van smartengeld. De enkele overweging van het hof dat de verdachte moedwillig “de naam en goede eer van het slachtoffer en haar bedrijf” heeft geschonden, schiet daarvoor wat mij betreft tekort.
2.4
Wat de categorie van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ betreft, acht ik het volgende relevant. Uit de stukken die ter onderbouwing van de vordering benadeelde partij zijn aangeleverd, meer in het bijzonder het behandelplan van de psycholoog en de e-mail van het slachtoffer aan haar raadsvrouw, leid ik af dat sprake is van mentale klachten van het slachtoffer die de grens van enkel psychisch onbehagen passeren. Voor een belangrijk deel is het verzoek om immateriële schadevergoeding door het slachtoffer ook onderbouwd met informatie over haar fysieke en geestelijke klachten. Daarnaast is echter ook niet uit te sluiten dat het hof heeft geoordeeld dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In deze categorie moet het gaan om gevallen waarin door onrechtmatig handelen zwaarwegende persoonsbelangen zijn getroffen, zonder dat dit heeft geleid tot aantasting van de fysieke of geestelijke gezondheid. [35] In casu is immers zonder meer sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.
2.41
Alles overziend kan uit de overwegingen van het hof niet worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW bedoelde rechtsgrondslag en welke vastgestelde omstandigheden de toekenning van immateriële schadevergoeding is gefundeerd. Daarvoor zijn die overwegingen te diffuus. Dat leidt mij tot de slotsom dat de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, voor zover die strekt tot vergoeding van immateriële schade, ontoereikend is gemotiveerd.
2.42
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Afronding

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor het inzenden van de gedingstukken met ruim twee maanden is overschreden, nu namens de verdachte op 13 december 2023 cassatie is ingesteld en de Hoge Raad de stukken op 15 oktober 2024 heeft ontvangen. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Naar verwachting zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de instelling van het cassatieberoep. De zaak komt daarom in aanmerking voor strafvermindering. [36]
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf volgens de gebruikelijke maatstaf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak enkel wat betreft de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel opnieuw zal worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer 23-000431-22.
2.HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:263.
3.Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:33, rov. 3.4, HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:30, rov. 2.6, HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:96, rov. 3.3 en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:400, rov. 3.4.
4.Daarbij werd steeds verwezen naar HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, waarin uiteen is gezet wanneer belang bij cassatie bestaat in geval van een klacht over de toewijzing van de vordering benadeelde partij, maar niet over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
5.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.6.
6.A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
7.HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8975.
8.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1012.
9.AG Hofstee gebruikt deze terminologie in zijn conclusie van 30 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1756, onder randnummer 8.
10.Vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2488.
11.Vgl. HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:571 en HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1298.
12.HR 19 december 1978,
13.E.J. Hofstee, Tekst & Commentaar Strafrecht, art. 36f Sr aant. 2b (actueel t/m 15 april 2025).
14.Vgl. HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408.
15.Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.4.1 voor de vordering benadeelde partij.
16.Zo volgt uit artikel 36f lid 2 Sr.
17.De vergoeding van immateriële schade past volgens de memorie van toelichting zelfs bij het karakter van de schadevergoedingsmaatregel,
18.Voor de vordering benadeelde partij volgt dit uit de tekst van art. 51a lid 1 Sv en art. 51f Sv. Voor de schadevergoedingsmaatregel is dit bevestigd in bijv. HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:175.
19.E.J. Hofstee, Tekst & Commentaar Strafrecht, art. 36f Sr aant. 10b (actueel t/m 15 april 2025).
23.HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408.
24.Vgl. Rechtbank Rotterdam 28 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6724.
25.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 13 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1267, rov.13.3 waarin het hof juist had geweigerd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen omdat daarmee het verbod op verhoging van de vordering in hoger beroep zou worden omzeild. Zie ook Gerechtshof Den Haag 27 november 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2236.
27.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.8.1.
28.Vgl. M.R. Hebly en S.D. Lindenbergh,
29.HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, rov. 2.4.2.
30.Met weglating van voetnoten.
31.Hierdoor wordt de bewering in het middel, dat onduidelijk is voor welke feiten de burgerlijke aansprakelijkheid van de verdachte is aangenomen, gelogenstraft.
32.Deze vaststellingen maken onderdeel uit van de strafmaatoverwegingen van het hof.
33.Lindenbergh,
34.A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis,
35.S.D. Lindenbergh,
36.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.