Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel namens de verdachte
proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020314471-6, gesloten en ondertekend op [datum] 2020 door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op
pagina 73 en 74, zakelijk weergegeven:
Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgemaakt door [naam 1] , arts en patholoog, op 14 juli 2020, voor zover inhoudende op
pagina 347, 348 en 349, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], met proces-verbaalnummer 20200707.1110, gesloten en ondertekend op [datum] 2020 door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op
pagina 279, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], met proces-verbaalnummer 20200717.1114, gesloten en ondertekend op 17 juli 2020 door [verbalisant 4] en [verbalisant 6] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op
pagina 289, 290, 298 en 299zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20200707.1750, gesloten en ondertekend op [datum] 2020 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland, voor zover inhoudende op
pagina 110, 111, 112, 113 en 117, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20200921.1300, gesloten en ondertekend op 21 september 2020 door [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op
pagina 152, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20201203.1105, gesloten en ondertekend op 3 december 2020 door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op
pagina 183, 184 en 186, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal ter terechtzitting van 31 maart 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte op
pagina 3 en 5, zakelijk weergegeven:
zijnde een weergave van een opgenomen telefoongesprek op 13 juli 2020 om 11.52 uur, voor zover inhoudende op
pagina 10, 11 en 12zakelijk weergegeven:
proces-verbaal ter terechtzitting van 31 maart 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige [naam 2] op
pagina 6, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 16 oktober 2024, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte op
pagina 4, 5, 7, 8, 9, 15 en 16, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], met proces-verbaalnummer 20200813.1512, gesloten en ondertekend op 13 augustus 2020 door [verbalisant 11] , inspecteur van politie en werkzaam bij de Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op
pagina 424, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal Forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] , Arnhem), genummerd PL0600-2020314471-19, gesloten en ondertekend op 15 oktober 2020 door [verbalisant 7] , [verbalisant 8] . [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , voor zover inhoudende op
pagina 60 en 63, zakelijk weergegeven:
Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Arnhem op [datum] 2020, op 19 november 2020 opgemaakt door [naam 2] , NFI-deskundige wapens en munitie, voor zover inhoudende op
pagina 391, 395 en 399, zakelijk weergegeven:
proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 16 oktober 2024 voor zover inhoudende als verklaring van forensisch wapen- en munitiedeskundige [naam 2] op
pagina 16, 17 en 18zakelijk weergegeven:
Inleiding
bewust heeft aanvaard. Er kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van [slachtoffer] , bewust heeft aanvaard.
bewust heeft aanvaardoverweegt het hof het volgende.
NJ2003/552 m.nt. Buruma (HIV I) leidend. Daarin overwoog de Hoge Raad in r.o. 3.6 onder meer:
NJ2017/85, punt 2 mijns inziens terecht op dat de benadering van waakzaamheidsopzet niet overal zo goed past als bijvoorbeeld bij verdovende middelen. In drugszaken wordt in de bewijsconstructie van het voorwaardelijk opzet regelmatig gebruik gemaakt van de algemene ervaringsregel dat bij bijvoorbeeld bepaalde risicovluchten een verdachte die een koffer van een derde meeneemt op die vlucht zich “welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de koffer drugs bevatte, zulks in het licht van de algemene bekendheid te achten omstandigheid dat die drugs niet zelden via het vliegveld binnen een land wordt gebracht’. [9] Gebruikmaking van zorgvuldigheidseisen in de bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet is mijns inziens bezwaarlijk wanneer dit in feite meebrengt dat geen werkelijke betekenis meer toekomt aan het vereiste van de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (aanmerkelijke kans) of impliceert dat de daadwerkelijke aanvaarding daarvan door de individuele verdachte niet echt wordt gefundeerd. [10] Voorkomen moet immers worden dat onvoorzichtigheid en opzet praktisch gesproken aan elkaar worden gelijkgesteld: de verdachte heeft opzet als blijkt dat hij onvoorzichtig is geweest. Het theoretische verschil tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld dient zich daarom – zoals Lindenberg en Wolswijk benadrukken – te vertalen in een verschil in eisen aan het benodigde bewijs omdat anders het verschil tussen opzet en culpa vervaagt. [11]
NJ2024/251, r.o. 3.4.2 en 3.4.3 (cursivering hierna
PHvK) over een verdachte die als natuurgenezeres het natuurgeneesmiddel iboga(ïne) had toegediend en verstrekt aan cliënten (verslaafden) ten gevolge waarvan één van hen overleed. De Hoge Raad overwoog dat het hof niet onbegrijpelijk tot de gevolgtrekking was gekomen
combinatie van het meer risicovolle gebruik van het wortelextract, het
achterwege laten van een adequaat onderzoeknaar de conditie van [het slachtoffer], het bij de behandeling van [het slachtoffer ]
niet in acht nemen van de veiligheidsvoorschriftenmet het oog op de beperking van toxiciteit en letaliteit van iboga(ïne) en ook de verdere wijze waarop de behandeling van [het slachtoffer] door de verdachte als niet-medisch geschoolde behandelaar plaatsvond – de
reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestonddat de iboga(ïne)behandeling tot gevolg zou hebben dat [het slachtoffer] zou overlijden, welk risico zich heeft verwezenlijkt.”
dat zij ondanks die wetenschap is doorgegaan met de behandelingen. De verdachte
heeft bij deze voortzetting van de behandelingen haar werkwijze niet aangepast en zij heeft niet de aanvullende veiligheidsvoorschriften, zoals die waren opgenomen in de haar bekende rapporten […],
in acht genomen, terwijl de door haar als niet-medisch geschoolde behandelaar toegepaste maatregelen waarop in het namens haar gevoerde verweer een beroep is gedaan – zoals het tevoren laten controleren van de hartfunctie, zonder dat daarbij het doel van die controle kenbaar mocht worden gemaakt, en het monitoren van de cliënt door middel van een beeld- en geluidverbinding – geenszins toereikend waren om de genoemde risico’s af te wenden.”
NJ2004, 375 m.nt. Mevis (slaan met doorgeladen pistool, sprake van voorwaardelijk opzet), HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3349,
NJ2016/59 m.nt. Keijzer (tijdens worsteling gericht houden van pistool op buik van de ander, sprake van voorwaardelijk opzet), HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2060,
NJ2016/421 (ineens afgaan vuurwapen bij het op verzoek van het slachtoffer tonen ervan, ontoereikende bewijsvoering voorwaardelijk opzet) en HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482,
NJ2015/404 m.nt. Keijzer (afgaan pistool tijdens worsteling, ontoereikende bewijsvoering roekeloosheid).
PHvK), op de “fire” stand staat, blijkt uit het onderzoek van [naam 2] dat “
een duidelijk drukpunt voelbaar”was “vlak voor de gespannen hamer door het overhalen van de trekker werd vrijgegeven”. [21] Ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [naam 2] verklaard dat “iets of iemand (…) die trekker
met een bepaalde krachtnaar achter [moet] hebben gehaald”. [22] (Onderstrepingen
PHvK.)
firestaat en de trekker wordt overgehaald” en dat “het wapen die ochtend schietklaar was en dat verdachte de trekker heeft overgehaald”.
NJ2003/552 m.nt. Buruma (HIV I) kan sprake zijn van contra-indicaties waardoor ondanks dat gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt te zijn gericht op het gevolg toch niet kan worden aangenomen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
NJ2017/250, r.o. 3.5 (bewust laag schieten levert contra-indicatie op) en deels ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0235,
NJ2010/584 m.nt. Keijzer (steken met een welbewust sterk verkort mes levert contra-indicatie op). Evenmin gaat het daarbij om voorzorgsmaatregelen. Het hof heeft toegelicht waarom de in de deelklacht genoemde omstandigheden c.q. handelingen op zichzelf niet impliceren dat de verdachte reeds eerder niet de kans op het dodelijke gevolg heeft aanvaard. Dit betekent dat het oordeel van het hof betreffende de contra-indicaties niet onbegrijpelijk is.
4.De schriftuur van de benadeelde partij
NJ2026/61 en HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177 respectievelijk HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1676 en HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958,
NJ2023/285 m.nt. Smeehuijzen. Ingeval de Hoge Raad een inhoudelijke behandeling op prijs stelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.