Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
17 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het openen van een oven door de politie, waarin een tas met contant geld lag, als een onrechtmatige doorzoeking moest worden aangemerkt omdat daarvoor geen machtiging van de rechter-commissaris was verkregen.
De politie had op 13 juli 2021 een woning betreden op grond van een machtiging tot binnentreden ter inbeslagneming. Tijdens het zoekend rondkijken zag een verbalisant door het ovenraam een tas liggen. Hij opende de oven, nam de tas in beslag en vond daarin een geldbedrag van €43.900. De verdachte werd vervolgd voor witwassen van dit bedrag.
De verdediging stelde dat het openen van de oven een doorzoeking was waarvoor een aparte machtiging nodig was, en dat het bewijs daarom onrechtmatig was verkregen. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het openen van de oven viel onder het zoekend rondkijken en het in beslag nemen van voor de hand liggende voorwerpen, en dat het bekijken van de inhoud van de tas na inbeslagneming geen doorzoeking was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. De redelijke termijn was overschreden, maar gezien de korte gevangenisstraf van drie weken werd geen verdere sanctie opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het openen van de oven voor inbeslagname geen onrechtmatige doorzoeking is en verwerpt het cassatieberoep.