ECLI:NL:HR:2026:457
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt matiging proceskostenvergoeding bij geschil over WOZ-waarde en informatieverstrekking
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting voor 2022. Hij verzocht om afschriften van bepaalde gegevens op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, maar de heffingsambtenaar voldeed hier niet volledig aan.
De Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat de waarde van de woning mogelijk te hoog was vastgesteld en kende belanghebbende een proceskostenvergoeding toe vanwege het formele gebrek dat de heffingsambtenaar niet volledig aan het informatieverzoek had voldaan. De Rechtbank matigde de vergoeding met een wegingsfactor van 0,25.
In hoger beroep was alleen de hoogte van de wegingsfactor in geschil. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde de matiging van de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat het belang van belanghebbende beperkt was en het gebrek formeel van aard was.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hij oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel over de matiging van de proceskostenvergoeding niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de matiging van de proceskostenvergoeding wordt bevestigd.