Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:581

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/01827
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, lid 2, letter a, Wet OBpost a.1, van Tabel I bij de Wet OBpunt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep cassatie inzake omzetbelasting magische truffels

Belanghebbende, een B.V., had beroep ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over door haar betaalde omzetbelasting over de periode van oktober 2019 tot januari 2020, met betrekking tot magische truffels als levensmiddelen voor menselijke consumptie.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de argumenten die ook in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:450) zijn behandeld en heeft geoordeeld dat de middelen van belanghebbende falen.

Er is geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest bevestigt de eerdere beslissingen dat de omzetbelasting terecht is geheven en sluit aan bij het rechtszekerheidsbeginsel en de interpretatie van de Wet op de Omzetbelasting en de BTW-richtlijn.

De uitspraak is op 10 april 2026 in het openbaar gewezen door de Hoge Raad, waarbij het beroep in cassatie ongegrond is verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de omzetbelastingheffing over magische truffels blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01827
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 april 2024, nrs. BK-ARN 22/1696 tot en met BK-ARN 22/1699 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 20/2787, AWB 20/3055, AWB 20/3056 en AWB 20/3751) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 oktober 2019 tot en met 31 januari 2020.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.