Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:585

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
24/03123
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 letter a Wet OBpost a.1 Tabel I Wet OBpunt 1 Bijlage III BTW-richtlijn 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep in cassatie inzake omzetbelasting magische truffels

Belanghebbende voerde beroep in cassatie aan tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, waarin uitspraken waren gedaan over door belanghebbende betaalde omzetbelasting en naheffingsaanslagen met betrekking tot magische truffels over diverse tijdvakken van september 2020 tot januari 2022.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld aan de hand van de argumenten van belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën. De middelen van belanghebbende faalden op de gronden die in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2026:450) zijn uiteengezet.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het hof in stand, waarbij de omzetbelastingheffing op magische truffels conform de toepasselijke wet- en regelgeving is bevestigd.

Het arrest benadrukt het belang van het rechtszekerheidsbeginsel in de context van omzetbelasting en de toepassing van de Wet OB en de BTW-richtlijn 2006, met name artikel 9, lid 2, letter a, en de relevante bijlagen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de omzetbelastingheffing op magische truffels.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03123
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, nrs. 22/1573 tot en met 22/1587 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 21/1158, BRE 21/1584, BRE 21/2200, BRE 21/2959, BRE 21/3418, BRE 21/4052, BRE 21/4249, BRE 21/5117, BRE 21/5327, BRE 22/1535, BRE 22/1670, BRE 22/1988, BRE 22/2058, BRE 22/2352 en BRE 22/2800) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 september 2020 tot en met 31 januari 2022, een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2021 tot en met 31 juli 2021, en een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 augustus 2021 tot en met 31 augustus 2021.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door A.J.C. Perdaems, advocaat.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 23/03016, ECLI:NL:HR:2026:450.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.