ECLI:NL:HR:2026:612
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in bestuursrechtelijke belastingzaak
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een bestuursrechtelijke belastingzaak. Na het verstrijken van de cassatietermijn diende belanghebbende nog een geschrift in, dat door de Hoge Raad niet in behandeling is genomen. Tevens werden verzoeken om wraking door belanghebbende ingediend, die niet zijn toegewezen.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de klachten nader te motiveren, omdat deze geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.