Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. Zij heeft daarbij voorts schriftelijk haar zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend. Hij heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.
2.Uitgangspunten in cassatie
Op 17 augustus 2006 heeft LuxCo A-aandelen verkregen en volgestort tot een waarde van 95 procent van het nominale aandelenkapitaal van belanghebbende, zijnde (afgerond, zoals hierna alle bedragen) € 10 miljoen. NL Bank heeft op diezelfde dag B-aandelen verkregen en volgestort tot een waarde van 5 procent van dat nominale aandelenkapitaal, zijnde € 500.000. Daarnaast heeft NL Bank € 424,5 miljoen op haar B-aandelen als agio gestort.
(i) € 500 miljoen te investeren in een door derden uitgegeven obligatieportefeuille met variabele rente (hierna: de obligatieportefeuille). Deze € 500 miljoen is voor € 425 miljoen afkomstig uit de kapitaalstorting van NL Bank en voor € 75 miljoen uit de Super Senior Loan van LuxCo. De variabele rente is door middel van een renteswapovereenkomst met NL Bank omgezet in een vaste rente van 4,176 procent.
(ii) € 425 miljoen te investeren in een combinatie van door een Luxemburgse dochtervennootschap van LuxCo (hierna: LuxSub) uitgegeven gewone aandelen en (alle)preferente aandelen. Deze € 425 miljoen is voor € 10 miljoen afkomstig uit de kapitaalstorting van LuxCo en voor € 415 miljoen uit de LR Loans. Belanghebbende verkreeg met deze transactie een belang van 15 procent (nominaal) in LuxSub en LuxCo behield een belang van 85 procent (nominaal).
Verder heeft zij van LuxCo een deel van de gewone aandelen in LuxSub en alle preferente aandelen in die vennootschap gekocht die in verband met deze tweede tranche door LuxSub waren uitgegeven, tot een bedrag van in totaal € 325 miljoen. Daarbij is het belang van belanghebbende in LuxSub 15 procent nominaal gebleven.
3.De oordelen van het Hof
Het Hof heeft geoordeeld dat er in Luxemburg een compenserende heffing is ter zake van de door LuxCo aldaar verantwoorde rente op de LR Loans.
Naar het oordeel van het Hof heeft het door partijen ambtshalve voor te houden dat de tegen-tegenbewijsregeling ook in voornoemde periode van toepassing kan zijn, anders dan belanghebbende stelde, de grenzen van de rechtsstrijd niet overschreden. Er was, aldus het Hof, geen reden om aan te nemen dat de aanvankelijke beperking door de Inspecteur van de toepassing van de tegen-tegenbewijsreling op een bewuste keuze was gebaseerd; vermoedelijk vloeide de aanvankelijk door de Inspecteur in aanmerking genomen temporele beperking van zijn beroep op de tegen-tegenbewijsregeling voort uit een kennelijke dwaling in het recht. In een zodanige situatie ziet artikel 8:69, lid 2, Awb erop dat de wet, bij een beroep op de tegen-tegenbewijsregeling, juist wordt toegepast, ongeacht of die juiste toepassing tot voordeel van een belanghebbende dan wel het bestuursorgaan strekt, aldus het Hof.
Volgens het Hof is het beroep van de Inspecteur niet als tardief te beschouwen omdat het rechtstreeks voortvloeit uit de desbetreffende wettelijke regeling, en het pro rata toerekenen van de in geschil zijnde rente aan dat deel van het boekjaar geen nader feitenonderzoek vergt. Met inachtneming van de aan belanghebbende geboden mogelijkheid schriftelijk nader op het nadere standpunt van de Inspecteur te reageren, heeft het Hof gehandeld met inachtneming van hetgeen op basis van (ongeschreven) regels van een goede procesorde van hem mag worden verwacht, aldus nog steeds het Hof.
Het Hof heeft aannemelijk geacht dat belanghebbende uit hoofde van de obligatieportefeuille slechts een gering risico droeg, als gevolg van de aard van de obligaties, de samenstelling van de portefeuille en de tussen belanghebbende en NL Bank gesloten renteswapovereenkomst, alsmede dat met die renteswap het rendement op de obligatieportefeuille was afgestemd op de gecreëerde rentelast. Daarnaast heeft het Hof het aannemelijk geacht dat een aan het resultaat van belanghebbende en aan het Nederlandse belastingtarief gerelateerde ‘vervangende (synthetische) belasting’ aan LuxCo ten goede kwam, en dat (mede) langs deze weg het door belanghebbende, door middel van het benutten van het zogenoemde Bosal-gat, gerealiseerde belastingvoordeel met LuxCo werd gedeeld. In het bijzonder hierin komt een fiscaal gedreven bedoeling van de door LuxCo en NL Bank opgezette belastingbesparende constructie tot uiting. Van deze belastingbesparende constructie vormt de verwerving en tussenschakeling van belanghebbende een onmisbaar onderdeel, aldus het Hof.
Belanghebbende heeft hierbij een belang in LuxSub verworven met een lening van LuxCo terwijl het uiteindelijke belang van de Franse Bank en LuxCo in LuxSub nauwelijks wijzigde. Voorts ruilde LuxCo onder de renteswapovereenkomsten de van belanghebbende ontvangen rente met de variabele rente die LuxSub op de door haar aangeschafte obligatieportefeuille ontving. Het aldus met behulp van de renteswaps gefixeerde rendement op haar obligatieportefeuille bleef bij LuxSub in Luxemburg relatief laag belast door de daartegenover staande aftrekbare vergoeding op haar preferente aandelen. De vergoeding op de preferente aandelen was bij belanghebbende onbelast op grond van de deelnemingsvrijstelling en de verschuldigdheid van de rente op de LR Loans was hierbij afgestemd op de vergoedingen op de preferente aandelen.
De winst van belanghebbende kan volgens het Hof naar willekeur en herhaalbaar worden verminderd, terwijl zonder de door de Franse Bank en NL Bank opgezette structuur vennootschapsbelasting zou worden geheven over de obligatieportefeuille. De herhaalbaarheid en gekunsteldheid komt tot uiting in het speciaal, met het oog op de in geding zijnde constructie, verwerven van belanghebbende, het daarin onderbrengen van een obligatieportefeuille waarvan het rendement, behoudens enkele correcties ten gunste van LuxCo – waaronder een synthetische belastingcorrectie ten gunste van LuxCo –, is gekoppeld aan de B-aandelen van belanghebbende en welke portefeuille ook rechtstreeks, met het eigen vermogen dat NL Bank in belanghebbende heeft gestort, door NL Bank had kunnen worden verworven en gehouden. De gekunsteldheid en herhaalbaarheid komen tevens tot uiting in het verhangen van het belang van LuxCo in LuxSub door de uitgifte van de preferente aandelen aan belanghebbende en de financiering van de preferente aandelen door middel van de LR Loans van LuxCo, waarvan de rente en aflossing gekoppeld zijn aan de opbrengst van de preferente aandelen en welke rente ten laste komt van het rendement op de obligatieportefeuille (winstdrainage). Aldus wordt de op gekunstelde wijze gecreëerde, over de LR Loans verschuldigde rente afgezet tegen, door tussenschakeling van belanghebbende, op gekunstelde wijze bij haar opgekomen voordelen, aldus nog steeds het Hof.
Deze uit het benutten van het Bosal-gat voortvloeiende belastingverlichting is naar het oordeel van het Hof in strijd met het stelsel van de Wet, zoals dat stelsel na het Bosal-arrest moet worden opgevat. Doel en strekking van de Wet verzetten zich immers ertegen dat de heffing van vennootschapsbelasting, door het bij elkaar brengen van enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten, op een willekeurige en voortdurende wijze wordt verijdeld door – voor het bereiken van op zichzelf beschouwd zakelijke doeleinden – rechtshandelingen te bezigen die voor het bereiken van die doeleinden niet noodzakelijk zijn en enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende motief van het bewerkstellingen van de beoogde fiscale gevolgen, aldus het Hof onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1152 (hierna: het arrest van 16 juli 2021), rechtsoverweging 4.2.8.
Aan het arrest Lexel kan volgens het Hof dus geen ruimere strekking worden verbonden dan die waarop de desbetreffende specifieke prejudiciële vraag en de specifieke casus van het arrest betrekking hebben.
Middelonderdeel c faalt.
De vennootschappelijke verhoudingen en rechtsverhoudingen tussen de Franse Bank, NL Bank en belanghebbende, alsmede de verwerving van de obligatieportefeuille door belanghebbende spelen zich buiten die 10a-structuur af. De vraag of zich in dit geval winstdrainage voordoet, moet met inachtneming van de in dit verband relevante feiten en omstandigheden worden beantwoord.
Anders dan het middel betoogt, is het oordeel van het Hof juist dat de compenserende heffing in Luxemburg niet in de weg staat aan de mogelijkheid dat zich buiten de 10a-structuur strijd met doel en strekking van de Wet als geheel voordoet.
De daaropvolgende oordelen van het Hof dat de herhaalbaarheid en de gekunsteldheid van de onderhavige structuur tot uiting komen in de door de Franse Bank en NL Bank opgezette constructie (zie hiervoor in 3.5.5) waarin de op gekunstelde wijze bij belanghebbende gecreëerde rentelast wordt afgezet tegen de op gekunstelde wijze bij haar gecreëerde voordelen, en dat doel en strekking van de Wet zich verzetten tegen het op deze willekeurige en voortdurende wijze verijdelen van belastingheffing over het rendement op de obligatieportefeuille, geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel III faalt.
Wat betreft het leerstuk van wetsontduiking, dat in het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822 – waarnaar in het arrest van 16 januari 2026 wordt verwezen – niet aan de orde was, heeft te gelden dat dit leerstuk in dit verband naar dezelfde maatstaven moet worden uitgelegd en toegepast als de regeling van artikel 10a van de Wet. Dit wil zeggen dat het ook bij het leerstuk van wetsontduiking gaat om de beoordeling of (een onderdeel van) een samenstel van (rechts)handelingen een volstrekt kunstmatig karakter heeft en specifiek is bedoeld om belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. [7] Anders dan het middel betoogt, gaat dit leerstuk daarom niet verder dan de bestrijding van misbruik in Unierechtelijke zin.
Het Hof heeft dit een en ander met zijn hiervoor in 3.6.2 tot en met 3.6.4 weergegeven oordelen niet miskend. Die oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.