Conclusie
1.Overzicht
joint venturevan twee aandeelhouders: de in Luxemburg gevestigde zakenbank [A] (95%; A-aandelen) en de in Nederland gevestigde zakenbank [B] (5%; B-aandelen). Belanghebbendes financiering en haar daaruit bekostigde investeringen is/zijn tweeërlei:
Senioren een
Junior Limited Recourse Loan(LR Loans) met vaste rente verstrekt ad € 410 miljoen resp. € 5 miljoen. De belanghebbende heeft met deze € 425 miljoen van haar halfmoeder/financier [A] gewone en preferente aandelen gekocht in de Luxemburgse vennootschap [C] , die tot dan toe volledig werd gehouden door [A] . Na die aankoop is 15% van [C] in handen van de belanghebbende en 85% in handen van [A] . [C] en [A] zijn gevoegd in een Luxemburgse
intégration fiscale.
limited recourseop de door [A] aan de belanghebbende verstrekte
LR Loanshoudt in dat betaling van aflossing en aangegroeide en lopende rente beperkt is tot het bedrag dat de belanghebbende ontvangt op haar [C] -prefs.
swappedtegen een vaste rente: de belanghebbende en [C] betalen de op hun obligatieportefeuilles ontvangen variabele rente door aan [B] en [A] in ruil voor een vaste rente die [B] (4,176% over € 425 miljoen) en [A] (4,176% over € 600 miljoen) betalen aan de belanghebbende respectievelijk [C] .
swaps, etc.) de [X] -obligatieportefeuille is vergroot met € 325 miljoen en de [C] -obligatieportefeuille met € 460 miljoen. Op 11 september 2009, ten tijde van de kredietcrisis, gaf [B] aan te willen stoppen met de structuur, waarna [A] de B-aandelen in de belanghebbende van [B] heeft gekocht voor € 750 miljoen.
LR loansen de van [A] gekochte prefs niet als civielrechtelijk betekenisloos kan worden beschouwd; belanghebbendes belang in [C] kan niet als risicoloos en als economische eigendom van haar financier/moeder/ [C] -mede-aandeelhoudster [A] beschouwd worden. Voor de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb heeft de belanghebbende volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de interne leningen en de externe financiering voldoende parallel liepen om te slagen voor de tegenbewijsregeling in art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Evenmin achtte de Rechtbank bewezen dat de
LR loansen de daarmee verband houdende koop van de prefs in overwegende mate zakelijk waren ingegeven. Wel heeft de belanghebbende een compenserende heffing over de rente bij [A] aannemelijk gemaakt en is zij daarmee geslaagd in het tegenbewijs van art. 10a(3)(b) Wet Vpb. Nu de Inspecteur heeft verklaard geen beroep te doen op de tegen-tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(b) Wet Vpb, komt de Rechtbank niet toe aan de vraag of aan de
loansen de daarmee verband houdende pref-aankoop in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Daardoor slaagt belanghebbendes beroep op de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(b) Wet Vpb.
fraus legisconstateert de Rechtbank dat de structuur gebruik maakt van het
Bosalgat, [1] dat geacht moet worden onderdeel uit te maken van het wettelijke stelsel. Voordeeltrekking daaruit is echter niet onbegrensd en kan worden beperkt door
fraus legis. In casu leidt aftrek van de rente betaald aan [A] volgens de Rechtbank tot strijd met doel en strekking van de Wet Vpb voor zover die rente wordt afgezet tegen het rendement op de [X] -obligatieportefeuille. De Rechtbank heeft daarom de renteaftrek op de LR Loans geweigerd.
het Hofgeen grond voor zelfstandige fiscale kwalificatie van de feiten en achtte ook hij schuldparallellie (art. 10a(3)(a) Wet Vpb) niet aannemelijk. Ook hij achtte aannemelijk dat behalen van belastingvoordeel de doorslag heeft gegeven bij de opzet van de structuur. Volgens het Hof heeft de rechtbank terecht overwogen dat doordat [A] een deel van haar 100%-belang in [C] aan de belanghebbende heeft verkocht (maar indirect dat belang behield) en daarvoor een lening heeft verstrekt, de daarmee samenhangende rentelast is omgeleid langs de belanghebbende om bij haar een aftrekbare rentelast te creëren. Dat daarvoor een zakelijke reden bestond, heeft de belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [B] de [X] -obligatieportefeuille ook rechtstreeks van derden had kunnen kopen en dat [A] , die al 100% aandeelhouder van [C] was, ook zonder tussenschakeling van de belanghebbende een obligatieportefeuille via [C] had kunnen verwerven. Bij [C] ontstond een aftrekbare last door het hybride karakter van (de vergoeding op) de prefs.
LR loansof de daarmee verband houdende verwerving van prefs niet overwegend zakelijk gemotiveerd zijn. Het Hof baseert zich daarvoor op zijn eerdere overwegingen over de dubbele zakelijkheidstoets: de belanghebbende liep weinig risico op de obligatieportefeuille en zij deelde het met het
Bosalgat gerealiseerde belastingvoordeel met [A] , wat volgens het Hof duidt op een overwegend fiscale bedoeling achter de door [A] en [B] opgezette structuur. Op basis van de vastgestelde feiten acht het Hof aannemelijk dat de belanghebbende met de rente op de tot financiering van de prefs aangegane
LR loansheffing van Nederlandse belasting wilde ontgaan over het rendement op haar obligatieportefeuille (winstdrainage). Volgens het Hof staat dan art. 10a Wet Vpb in de weg aan aftrek van de rente op de
LR loansin de periode 1 januari 2008 t/m 30 september 2008 en in het gehele boekjaar 2008/09.
fraus legismoet worden beschouwd. Volgens het Hof lag aan de met de
LR loansgecreëerde rentelast de bedoeling ten grondslag om door de wetgever voorziene belastingheffing te verijdelen. Anders dan de belanghebbende stelt, meent het Hof dat dat oogmerk niet is gericht op belastingontwijking bij [B] , maar op belastingontwijking bij de belanghebbende. Met de Rechtbank meent het Hof dat de fiscale voordeeltrekking uit het
Bosalgat niet onbegrensd is. Gegeven HR
BNB2021/136 is het in strijd met doel en strekking van de wet om kunstmatig gecreëerde rentelasten af te zetten tegen op gekunstelde wijze daarmee bijeen gebrachte belaste voordelen. Volgens het Hof doet zich die situatie in casu voor omdat belanghebbendes belastbare winst naar willekeur en herhaalbaar kan worden verkleind, terwijl zonder de opgezette structuur vennootschapsbelasting zou zijn verschuldigd over de ontvangen obligatierente. Uit HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse) volgt dat de omstandigheid dat bij [A] over de rente op de
LR loanscompenserend wordt geheven niet aan toepassing van
fraus legisin de weg hoeft te staan. Het Hof heeft daarom ook de aftrek van rente op de
LR loansover de periode 1 oktober 2007 t/m 31 december 2007 geweigerd als
fraus legis.
Lexelacht het Hof in casu niet relevant. Bovendien heeft de belanghebbende misbruik van recht gemaakt, in welk geval – aldus HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse) en HR
BNB2021/137 (
Hunkemöller) – geen beroep open staat op EU-recht, dat immers rechtsmisbruik verbiedt. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
vier middelen van cassatievoor:
middel (i)bestrijdt ’s Hofs oordeel dat het de Inspecteur nog vrij staat tegen-tegenbewijs aan te voeren ondanks zijn verklaring bij de Rechtbank dat hij zich niet op die regeling beroept. Het Hof heeft die verklaring niet uitgelegd als een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud afzien van de mogelijkheid van (tegen)bewijs ex art. 10a(3)(b) Wet Vpb, maar als slechts inhoudende dat de Inspecteur “geen behoefte” had aan die mogelijkheid om het geschil - op andere gronden al - in zijn voordeel te doen beslechten. ‘s Hofs verwijzing naar “de context van de bevraging door de rechtbank” houdt dus in dat hij de verklaring van de Inspecteur verstaat als inhoudende dat de Inspecteur meende voor dat boekjaar geen (tegen)bewijs in de zin van art. 10a(3)(b) Wet Vpb nodig te hebben; niet als inhoudende dat hij categorisch afzag van elk gebruik daarvan in elke instantie, en te minder als beperking van het geschil over de (on)aftrekbaarheid van de litigieuze rente. Die uitleg van de gang van zaken en van de betekenis van de uitlatingen van de Inspecteur lijken mij niet onbegrijpelijk. Het ligt niet voor de hand dat de Inspecteur in deze zaak een mogelijkheid om de rente-aftrek te weigeren bij voorbaat zou hebben willen prijsgeven.
middel (ii)is het Hof ten onrechte voorbij gegaan aan belanghebbendes beroep op het Besluit
BNB2006/90 dat zegt dat van de zakelijkheid van de schuldigerkenning en de rechtshandeling wordt uitgegaan bij een compenserende heffing. Het Hof heeft expliciet vastgesteld dat de belanghebbende zich in het kader van de tegen-tegenbewijsregeling heeft beroepen op het Besluit en geoordeeld dat het beroep van de Inspecteur op de tegen-tegenbewijsregeling slaagt. Dat impliceert het oordeel dat het Besluit BNB 2006/90 niet in de weg staat aan toelating van tegen-tegenbewijs ondanks een compenserende heffing. Dat is een rechtsoordeel over de uitleg van die beleidsregel dat niet gemotiveerd hoeft te worden, maar wel rijst de vraagt of ’s Hofs uitleg van de beleidsregel rechtskundig juist is. Naar zijn tekst en context in 2005 gold de beleidsregel niet voor belanghebbendes geval omdat hij alleen zag op het toenmalige lid 1 van art. 10a Wet Vpb (schuldigerkenningen). Het ligt mijns inziens ook niet voor de hand dat hij ook het oog op lid 2 zou hebben gehad, waarvoor wél de twee tegenbewijsmogelijkheden golden die niet voor lid 1-gevallen golden, zodat voor lid 1-gevallen behoefte bestond aan een redelijkheids- en doelmatigheidsuitzondering als compenserend werd geheven. In de parlementaire geschiedenis van de tegen-tegenbewijsregeling is talloze malen herhaald dat een compenserende heffing over de verschuldigde rente bij de ontvanger geen
safe harbouris. Daarmee strandt mijns inziens ook het (herhaalde) beroep op het vertrouwensbeginsel: het besluit gaat niet over dit geval.
in fraudem legisis opgezet. Mij lijkt dat dit middel voor wat betreft het
subjectievecriterium (verijdelingsoogmerk) op verkeerde lezing van de uitspraak berust dan wel het geenszins onbegrijpelijke bewijsoordeel bestrijdt dat het oogmerk niet alleen bij [B] maar ook bij de belanghebbende bestond. Volgens HR BNB 2017/162 en HR
BNB2021/137 kan aan het oogmerkvereiste ook worden voldaan als heffing wordt verijdeld ‘via’ of ‘met tussenschakeling van’ de belastingplichtige. HR
BNB2001/96 (
market maker) baat de belanghebbende niet omdat zij geen onafhankelijke financiële dienstverlener is met een eigen, geheel commercieel marge-belang, die niet hoeft te weten van de motieven van de derden die bij hem aankloppen.
objectievecriterium (strijd met doel en strekking van de wet) is de te beantwoorden vraag uiteindelijk simpel: zijn in casu gekunstelde intraconcern-rentelasten afgezet tegen “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen” in de zin van uw
Triple dip-arrest HR BNB 2021/136? Anders geformuleerd: zijn, zoals in uw
Hunkemöller-arrest HR BNB 2021/137, “enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten bij elkaar gebracht” waarmee willekeurig en voortdurend belasting kon worden verijdeld door voor het bereiken van op zichzelf beschouwd zakelijke doeleinden onnodige rechtshandelingen te bezigen die enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende motief van het bewerkstelligen van de beoogde fiscale gevolgen?
Hunkemöller) geoordeeld dat dat rendement op gekunstelde wijze bij de belanghebbende is samengebracht met de eveneens gekunstelde gelieerde leenfinanciering van de aankoop van [C] -prefs die het 100%-belang van belanghebbendes (deel)moeder/financier [A] in [C] niet wijzigde, maar - tezamen met gekunsteld samenbrengen met obligatierendement - wel de deur naar het
Bosal-gat opende die daarna voortdurend en naar believen verder open of dicht gezet kon worden. Het Hof heeft mijns inziens voldoende uiteengezet hoe hij tot zijn rechtsoordeel van normschending is gekomen met zijn overwegingen (r.o. 5.15.10) dat belanghebbendes winst naar willekeur en herhaalbaar wordt verminderd, terwijl zonder de structuur belasting zou worden geheven over het obligatierendement en dat de kunstmatig- en herhaalbaarheid van bijeenbrengen van obligatierendement en renteaftrek (ook) tot uiting komt in (i) het speciaal voor de constructie oprichten van de belanghebbende, het in haar onderbrengen van een effectenportefeuille waarvan het rendement na synthetische belastingcorrectie voor [A] werd gekoppeld aan het dividend op [B] ’s B-aandelen in de belanghebbende en die [B] ook rechtstreeks zelf had kunnen kopen met het eigen vermogen dat [B] in de belanghebbende stortte, (ii) het verhangen van een deel van [A] ’s belang in [C] door uitgifte van prefs aan de belanghebbende zonder [A] ’s belang in [C] te wijzigen en (iii) de financiering van belanghebbendes verwerving van die [C] -prefs met leningen van [A] waarop de rente en aflossing gekoppeld werd aan het door de belanghebbende ontvangen en bij haar vrijgestelde dividend op die prefs.
Crédit Suissede renteaftrek werd toegestaan voor zover afgezet tegen eigen winsten van de belanghebbenden, doet daar niet aan af. In die zaken waren de eigen rendementen van de belanghebbenden niet gekunsteld naar hen toe gedirigeerd van elders in het concern
omeen gecreëerd
Bosal-gat te kunnen exploiteren, maar ging het om eigen marges voor dienstverlening door die belanghebbenden.
fraus legisook geldt voor de periode na 1 januari 2008, voor welke periode het Hof die kwalificatie niet heeft gebruikt omdat hij aftrek toen al uitgesloten achtte op basis van door de Inspecteur geleverd tegen-tegenbewijs zoals bedoeld in art. 10a(3)(b) Wet Vpb.
fraus legisEU-recht schendt, gegeven het HvJ-arrest in de zaak
Lexel AB. Art. 10a Wet Vpb is echter een maatregel zonder onderscheid, en de Zweedse anti-BEPS-regeling in
Lexelis niet vergelijkbaar met het ‘onmiskenbaar’ tegen misbruik gerichte en bewijsrechtelijk veel genuanceerder art. 10a Wet Vpb, en nog minder met het per definitie van
overkillgespeende
fraus legis. EU-recht kan bovendien niet ingeroepen worden om misbruik van recht af te dekken. Het beroep op HvJ
Lexelstrandt mijns inziens op de gronden in de conclusie in de aanhangige zaak 20/03946.
swaptnaar [C] . Dat is echter door de feitenrechters niet vastgesteld.
2.De feiten, het geding bij de feitenrechters en het geding in cassatie
De feiten
joint venturevan twee banken: [B] N.V. ( [B] ), gevestigd in [Q] , en
[D]S.A. ( [D] ) gevestigd in Frankrijk. Onderdeel van [D] is [A] S.A. ( [A] ), gevestigd in Luxemburg en moeder van de belanghebbende. [A] heeft de belanghebbende gekocht als plankvennootschap. De belanghebbende heeft geen werknemers maar wel drie statutaire directeuren; twee namens [D] en één namens [B] .
super senior loanad € 75 miljoen; rente 12-maands Euribor + 15 basispunten; looptijd tot 17 augustus 2015;
senior limited recourse loanad € 410 miljoen; rente 4,376%; looptijd idem;
junior limited recourse loanad € 5 miljoen; rente 5,176%; looptijd idem.
super senior loanwas preferent ten opzichte van de
senior limited recourse loan, die weer preferent was ten opzichte van de
junior limited recourse loan. De belanghebbende heeft in het kader van de discussie over zakelijkheid en schuldparallellie drie op naam van [A] gestelde documenten genaamd ‘swift code’ overgelegd die bedragen aan extern ingeleende gelden vermelden waarvan het totaal overeenkomt met het bedrag dat [A] in totaal aan de belanghebbende heeft uitgeleend.
fiduciairy deposit agreement [2] aangegaan ter waarde van € 500 miljoen. Daarvan is € 425 miljoen afkomstig uit de kapitaalstorting van [B] en € 75 miljoen uit de
super senior loanvan [A] .
[E]S.A. voor € 100 en (ii) 45.455 preferente aandelen van [A] gekocht voor € 425.191.169. Na deze aankopen hield de belanghebbende 15% nominaal in [C] . De overige 85% was in handen van [A] .
senior unsecured loanvan € 175 miljoen verstrekt met een vast rente ad 4,176%. Deze lening is op 29 december 2006 omgezet in een door [C] aan [A] uitgegeven
profit sharing bondmet dezelfde hoofdsom en een winstdelende rente: een lage vaste rente plus 99% van [C] ’s cumulatieve winsten voor belasting na vergoeding op de door de belanghebbende gehouden [C] -prefs.
intégration fiscale: de separaat bepaalde resultaten van de dochtervennootschappen worden belast bij de moeder. Volgens een
Tax Sharing Agreementbetaalt [C] aan [A] de Luxemburgse vennootschapsbelasting die zij zonder
intégration fiscaleverschuldigd zou zijn.
loansvan [A] aan de belanghebbende
limited recoursebieden betekent dat terugbetaling van hoofdsom en aangegroeide en lopende rente beperkt is tot het bedrag dat de belanghebbende ontvangt op haar [C] -prefs. Als zij bij terugbetaling van het pref-kapitaal in combinatie met de vergoeding op de prefs onvoldoende middelen ontvangt om aan haar verplichtingen uit hoofde van de LR loans te voldoen, dan vervalt [A] ’s aanspraak op het deel van de hoofdsom en de rente op de LR loans dat daarbovenuit gaat.
interest rate swap(IRS of
swap) gesloten met een hoofdsom van € 425 miljoen en een rente van 4,176%: [B] betaalt een vaste rente betaalt aan de belanghebbende en de belanghebbende een variabele rente aan [B] . Aldus werden belanghebbendes variabele rente-inkomsten op de [X] -portefeuille vast. Tegelijk zijn de belanghebbende en [B] spiegelbeeldig een voorwaardelijke renteswap (
contingent interest rate swap) overeengekomen die van kracht zou worden bij faillissement en die de eerste rente
swapongedaan maakt. [C] en [A] zijn vergelijkbare rente
swapsovereen-gekomen met hoofdsom € 600,5 miljoen en rente 4,176%, waardoor ook [C] ’s variabele rente-inkomsten gefixeerd. Ook [C] en [A] zijn spiegelbeeldig een voorwaardelijke renteswap overeengekomen die van kracht zou worden bij faillissement.
Participation Agreement) hebben [B] en [A] hun dividend op de A- en B-aandelen in de belanghebbende verdeeld. Het dividend op de B-aandelen (dus voor [B] ) is gelijk aan een deel van de bruto winst op de [X] -portefeuille gecorrigeerd voor (i) de belastingbesparing (“taxation in lieu of the taxation charge levied in [X] ’s accounts (the Substitute Tax Charge)”); en (ii) de kosten van en uitgaven voor de [X] -portefeuille (“costs and expenses incurred by [X] (the Net Income and Expense Adjustment)”). Het dividend op de A-aandelen (dus voor [A] ) bestaat uit het winstbedrag dat beschikbaar is voor uitkering na het dividend op de B-aandelen.
senior B limited recourse loanad € 325 miljoen, rentende 4,288%, met een looptijd tot 17 augustus 2015. De belanghebbende heeft daarmee haar [X] -portefeuille uitgebreid met € 325 miljoen en heeft van [A] 27.273 gewone aandelen en 45.455 preferente aandelen in [C] gekocht voor € 325.054.013 (nadat [A] een Franse kasgeldvennootschap ter waarde van € 325.363.122 in [C] had ingebracht). Belanghebbendes belang in [C] bleef aldus 15% nominaal. De door [C] aan [A] uitgegeven
profit sharing bond[A] is met € 135 miljoen verhoogd.
profit sharing bond) gebruikt voor de koop van euro-obligaties met variabele rente uitgegeven door een [D] -groepsvennootschap op Curaçao.
swapsaangegaan die vergelijkbaar zijn met de in 2.11 hierboven weergegeven
swaps. In de aandeelhouders-overeenkomst tussen [A] en [B] is een vergelijkbare dividendverdeling over de A- en B-aandelen in de belanghebbende afgesproken als weergeven in onderdeel 2.12 hierboven.
joint venturebeëindigd. [A] heeft toen alle B-aandelen in de belanghebbende van [B] gekocht en die doorverkocht aan [F] BV, een Nederlandse dochter van [D] . [F] financierde die koop grotendeels met een lening van [A] ad € 710 miljoen.
super senior loanen de
LR loans- in totaal € 815 miljoen - afgelost.
LR loansen de dividenden op de prefs bij de fiscale winstberekening buiten beschouwing blijven; (ii) de rente op de
LR loansop grond van art. 10a Wet Vpb niet-aftrekbaar is; (iii) de ontvangen dividenden op de prefs vrijgestelde deelnemingsvoordelen zijn als bedoeld in art. 13(1) Wet Vpb of belaste voordelen uit een laagbelaste beleggingsdeelneming als bedoeld in art. 13(9) en (10) Wet Vpb; en (iv) de rente op de
LR loansen de dividenden op de prefs buiten beschouwing blijven op grond van
fraus legis.
LR loansen de prefs) kan geen zelfstandige civielrechtelijke betekenis ontzegd worden.
safe harbourvan art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Evenmin heeft de belanghebbende aannemelijk gemaakt dat overwegend zakelijke overwegingen ten grondslag lagen aan de
LR loansen de daarmee verband houdende verkrijging van de prefs. Wel aannemelijk is geworden dat over de afgetrokken rente compenserend wordt geheven bij [A] , zodat de belanghebbende is geslaagd in het tegenbewijs ex art. 10a(3)(b) Wet Vpb. Omdat de Inspecteur ter zitting heeft “aangegeven zich van zijn kant niet te beroepen op deze tegenbewijsregeling” (r.o. 4.55 Rechtbank), komt de Rechtbank niet toe aan de vraag of aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling toch overwegend antifiscale overwegingen ten grondslag lagen (art. 10a(3)(b) Wet Vpb). De belanghebbende kan zich dus ex art. 10a(3)(b) Wet Vpb op het tegenbewijs van een compenserende heffing beroepen, aldus de Rechtbank.
fraus legisconstateerde de Rechtbank dat de structuur gebruik maakt van het
Bosalgat, [7] dat in beginsel geacht moet worden onderdeel van het stelsel van de Wet Vpb te zijn. Gegeven HR
BNB2017/162 (zie 5.12-5.14 hieronder) kan echter niet onbeperkt gebruik worden gemaakt van dat gat, dat kan worden beperkt in geval van
fraus legis,
i.e.als met doorslaggevend oogmerk van belastingverijdeling renteaftrek wordt gecreëerd in strijd met het stelsel van de Wet Vpb na het
Bosal-arrest. De Rechtbank heeft daarover overwogen dat (i) het gaat om een samenstel van rechtshandelingen waardoor de rendementen op de [X] - en [C] -obligatieportefeuilles grotendeels onbelast bleven in Nederland resp. Luxemburg; (ii) het realiseren van die belastingvoordelen de doorslag gaf bij de keuze van de structurering en het aangaan van de
joint venture; en (iii) het samenstel van rechtshandelingen en daarmee de belastingverijdeling desgewenst op elk moment kan worden herhaald. Onder deze omstandigheden leidt aftrek van de rente die de belanghebbende aan [A] betaalde tot strijd met doel en strekking van de Wet Vpb voor zover afgezet tegen het rendement op de [X] -portefeuille. Dat dat rendement geen ‘gekochte winst’ is zoals bedoeld in HR
BNB2017/162 maakt dat volgens de Rechtbank niet anders. Zij achtte aannemelijk dat de belanghebbende de obligatieportefeuille had aangekocht met het vooropgezette doel het daarop te realiseren rendement af te zetten tegen de met de
LR loansgecreëerde renteaftrek. Het risico op die portefeuille was zeer beperkt en met de rente
swapwerd het portefeuillerendement afgestemd op de gecreëerde rentelast om het Bosal-gat optimaal te benutten. Het belastingvoordeel werd verdeeld tussen [A] en [B] . Dat strijdt met doel en strekking van de Wet Vpb, met name art. 10a en art. 8 Wet Pro Vpb
junctoart. 3.8 Wet IB 2001. Ook al bestonden de obligatierendementen nog niet bij aankoop van de portefeuille, in deze omstandigheden kan volgens de Rechtbank niet worden gezegd dat tegenover de renteaftrek eigen winsten staan van de belanghebbende of van het concern waartoe zij behoort. De Rechtbank heeft daarom renteaftrek geweigerd.
In antwoord op vragen van de rechtbank verklaart de gemachtigde van verweerder [de belanghebbende; PJW]:
NLF2019/1737
)becommentarieerde de uitspraak van de Rechtbank onder meer als volgt (ik laat voetnoten weg):
NTFR2019/1880) becommentarieerde de uitspraak van de Rechtbank onder meer als volgt (ik laat voetnoten weg):
Crédit Suisse; PJW], NTFR 2017/1240 met commentaar van Steenman. Het leerstuk van fraus legis vormt een effectief vangnet rond het Bosal-gat.
LR loansniet de belanghebbende aanging, maar haar financier/aandeelhouder [A] en belanghebbendes bezit ervan daarom met zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten in afwijking van het civiele recht zou moeten worden genegeerd.
LR loansen [A] ’s externe financiering te groot. Bovendien achtte het Hof onvoldoende bekend geworden over de identiteit van de verstrekker van de externe leningen en over diens feitelijke vestigingsplaats.
LR loan-financiering zijn omgezet in vreemd vermogen dat de belanghebbende aan [A] schuldig is en (ii) belanghebbendes investeringen juridisch zodanig zijn gestructureerd dat [D] en [B] hun belangen in respectievelijk de [C] -portefeuille en de [X] -portefeuille gescheiden hielden. Met de Rechtbank achtte het Hof aannemelijk dat belastingvoordeel de doorslag gaf bij de door [D] en [B] gekozen structuur en
joint venture. Doordat [A] een deel van haar 100%-belang in [C] aan de belanghebbende verkocht (maar indirect een (bijna) 100%-belang behield) en de belanghebbende daarvoor leenfinanciering verstrekte, is de daarmee samenhangende rentelast langs de belanghebbende omgeleid die bij haar een aftrekpost deed ontstaan. Dat daarvoor een zakelijke reden bestond, heeft de belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Terecht ook heeft de Rechtbank overwogen dat [B] de [X] -obligatieportefeuille ook rechtstreeks van derden had kunnen kopen en dat [A] , die alle aandelen [C] hield, ook zonder tussenschakeling van de belanghebbende een obligatieportefeuille via [C] had kunnen verwerven. Bovendien ontstond bij [C] een aftrekbare last door het hybride karakter van (de vergoeding op) de prefs.
league table statusen een
Credit Default Swapmet [G] ) haar tussenschakeling en de wijze van financiering van haar prefs-aankoop niet kunnen verklaren. Hetzelfde geldt voor het door de belanghebbende gestelde (i) “verkrijgen van een hogere geloofwaardigheid voor de eigen executie- en plaatsingscapaciteit van [D] bij het arrangeren en plaatsen van een aanzienlijk aantal onafhankelijke uitgiftes voor verschillende Europese institutionele emittenten”, (ii) “genereren van aanzienlijke commissie-inkomsten voor [D] ”, (iii) “assisteren van [B] bij het aantrekken van maximaal € 75 miljoen netto financiering” en (iv) de verdeling van risico’s tussen [B] en [A] . Het Hof concludeerde dat de belanghebbende niet heeft voldaan aan de ex art. 10a(3)(a) Wet Vpb op haar rustende last om zakelijke reden aannemelijk te maken voor haar tussenschakelen tussen [C] en [A] door verkoop aan haar van prefs in [C] en het daarmee samenhangend door haar verschuldigd worden van
LR loansaan de verkoper van die prefs, [A] .
LR loansof de daarmee verband houdende verwerving van [C] -prefs overwegend zakelijke motieven ten grondslag lagen, heeft het Hof zich gebaseerd op zijn eerdere overwegingen over de dubbele zakelijkheidstoets (art. 10a(3)(a) Wet Vpb) weergegeven in de onderdelen 2.33 en 2.34 hierboven.
swaptussen de belanghebbende en [B] , en gegeven dat met die
swaphet rendement op de [X] -portefeuille werd afgestemd op de gecreëerde rentelast. Het Hof achtte ook aannemelijk dat aan [A] een met belanghebbendes resultaat en het Nederlandse Vpb-tarief corresponderende “vervangende (synthetische) belasting” (r.o. 5.12.9) ten goede kwam waarmee belanghebbendes
Bosalgat-voordeel werd gedeeld met [A] . Met name daarin zag het Hof een overwegend fiscaal doel van de door [A] en [B] opgezette structuur waarvan de oprichting en tussenschakeling van de belanghebbende een onmisbaar onderdeel was. Die overwegend fiscale beweegreden kan dan ook mede aan de belanghebbende worden toegerekend, aldus het Hof. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de belanghebbende het oogmerk had om de rente op de tot financiering van de prefs aangegane
LR loansaf te zetten tegen het rendement op haar obligatieportefeuille, waardoor Nederlandse belastingheffing over dat rendement zou worden ontgaan (winstdrainage). Het Hof heeft daarom de rente op de
LR loansop grond van art. 10a Wet Vpb niet aftrekbaar geacht voor zover zij zag op de periode 1 januari t/m 30 september 2008 en op het boekjaar 2008/2009.
LR loansin de periode 1 oktober 2007 t/m 31 december 2007 wordt niet uitgesloten door art. 10a Wet Vpb omdat de tegen-tegenbewijsregeling toen nog niet bestond. Voor die periode heeft het Hof daarom het beroep van de Inspecteur op
fraus legisbeoordeeld, concluderende dat de met de
LR loansgecreëerde rentelast bedoeld was om de wettelijk voorziene vennootschapsbelastingheffing over het obligatierendement te verijdelen. Anders dan de belanghebbende betoogde, was die bedoeling niet gericht op belastingverijdeling bij [B] , maar op belastingverijdeling bij de belanghebbende. De Luxemburgse aftrekbaarheid van het dividend op de prefs maakt de constructie weliswaar voor [A] / [D] nog aantrekkelijker, maar daarop is de conclusie dat aan het motiefvereiste is voldaan niet gebaseerd, aldus het Hof. Met de Rechtbank meent het Hof dat de belastingverlichting die uitgaat van benutting van het
Bosalgat niet onbegrensd is. Uit HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse) volgt dat compenserende heffing bij [A] over de rente op de
LR loanshet oordeel
fraus legisniet uitsluit. Anders dan de belanghebbende stelt, doet strijd met doel en strekking van de wet zich niet alleen voor als de gecreëerde rentelast wordt afgezet tegen gekochte winsten, zoals in HR
BNB2017/162. Gezien HR
BNB2021/136 (zie 5.15-5.16 hieronder) acht het Hof renteaftrek ook in strijd met doel en strekking van de wet als kunstmatig gecreëerde rentelasten worden afgezet tegen anderszins gekunsteld tot stand gebrachte belaste voordelen. Volgens het Hof doet dat zich in belanghebbendes geval voor omdat haar fiscale winst naar willekeur herhaaldelijk kan worden verminderd, terwijl zonder de door [D] en [B] opgezette structuur vennootschapsbelasting verschuldigd zou zijn geweest over de rente op de in de structuur opgenomen [X] -obligatieportefeuille. Daarom is aftrek van de rente op de
LR loansin de periode 1 oktober 2007 t/m 31 december 2007 volgens het Hof onverenigbaar met het verbod op
fraus legis.
Lexel(zie onderdeel 8.12 van de in 6.5 hieronder geciteerde conclusie) acht het Hof niet relevant in casu. Art. 10a Wet Vpb geldt ongedifferentieerd voor binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen en is op zichzelf dus niet in strijd met EU-recht, met name niet met de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU Pro). Art. 10a Wet Vpb heeft specifiek tot doel om het belastingvoordeel van aftrek in misbruikgevallen te ontzeggen, terwijl de in HvJ
Lexelbeoordeelde Zweedse regeling niet specifiek tot doel had om het belastingvoordeel van aftrek te ontzeggen in misbruikgevallen. Aan HvJ
Lexelkan volgens het Hof geen ruimere strekking worden gegeven dan toepasbaarheid op de in de desbetreffende specifieke prejudiciële vraag bedoelde specifieke casus en regeling. Hoe dan ook heeft de belanghebbende het recht misbruikt, in welk geval volgens HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse; zie 5.12-5.14 hieronder) en HR
BNB2021/137 (
Hunkemöller; zie 5.17-5.18 hieronder) geen beroep open staat op EU-recht, dat misbruik van recht immers verbiedt, aldus het Hof.
NLF2021/1962 onder meer als volgt becommentarieerd (ik laat voetnoten weg):
Fraus legis
Crédit Suisse; PJW]. Er is (…) namelijk geen sprake (…) van ‘gekochte winst’ zoals bedoeld in genoemd arrest. De Rechtbank oordeelde echter dat in de onderhavige situatie ook sprake is van strijd met doel en strekking van de wet omdat tegenover de rentelasten geen ‘eigen winsten’ staan. Zoals ik in mijn noot bij de uitspraak van de Rechtbank schreef is dat geen onlogische stap, mede gezien het hele feitencomplex waar de ‘tax base’ van de ene bank ter beschikking wordt gesteld aan de andere bank om gebruik te maken van het Bosal-gat. Maar wel een stap verder dan het Credit Suisse-arrest.
BNB2021/136; zie 5.15-5.16 hieronder; PJW], waar is geoordeeld dat sprake is van strijd met doel en strekking van de Wet VpB 1969 indien rentelasten worden afgezet tegen gekochte winsten of tegen anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen. Ook verwijst het Hof naar het arrest van 16 juli 2021 [
Hunkemöller; zie 5.17-5.18 hieronder; PJW], waarin werd geoordeeld dat doel en strekking van de Wet VpB 1969 zich verzetten tegen het bij elkaar brengen van enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten. In casu is naar het oordeel van het Hof sprake van een dergelijke situatie waar (kunstmatig) gecreëerde rentelasten worden afgezet tegen anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen.
fraudem legisis opgezet, nu uit zijn vaststellingen volgt dat het oogmerk van belastingverijdeling niet bij de belanghebbende, maar bij [B] lag; (iv) aftrekweigering schendt de EU-vestigingsvrijheid, zoals blijkt uit het HvJ-arrrest in de zaak
Lexel AB.
Principaal middel (i): heeft de Inspecteur beroep op tegen-tegenbewijs prijsgegeven?
verweerstelt de Staatssecretaris dat het geschil dat het Hof moest beoordelen de toepassing van art. 10a Wet Vpb in al zijn onderdelen betrof en dat het de Inspecteur dus vrij stond om binnen dat rechtskader nieuwe gronden aan te voeren in hoger beroep. Dit is alleen anders als (i) een eerder ingenomen stelling ondubbelzinnig is prijsgegeven of (ii) toelating van de nieuwe grond de goede procesorde schendt. Van intrekking van eerder ingenomen stellingen is geen sprake omdat de stellingen over de tegenbewijsregeling pas in hoger beroep zijn ingenomen, aldus de Staatssecretaris. Hij ziet evenmin schending van de goede procesorde. De nieuwe stelling van de Inspecteur in hoger beroep dat hij zich ook voor de periode 1 januari-1 oktober 2008 op tegen-tegenbewijs beroept, betreft de uitleg van art. 10a Wet Vpb en is dus juridisch van aard. Het Hof moet die stelling behandelen en bovendien heeft het Hof belanghebbende de gelegenheid gegeven om te reageren op de nadere stelling van de Inspecteur, waarvan zij ook gebruik heeft gemaakt.
repliekdat het door de Staatssecretaris geopperde verschil tussen intrekken en prijsgeven van een standpunt hooguit semantisch is. Beide leiden tot beperking van het geschil, aldus belanghebbende. Het uiteindelijke beroep op de tegen-tegenbewijsregeling is geen juridische stelling die het hof ook van ambstwege zou moeten onderzoeken. Het gaat om de omvang van de rechtsstrijd.
fraus legis, dat hij voor beide boekjaren (subsidiair) heeft gedaan, [10] slaagt voor de periode vóór 2008 (middel (iii)), dan slaagt het mijns inziens ook voor de periode ná 2007, nu het in beide perioden om dezelfde doorlopende
Bosal-gat-exploitatie gaat. Aan
fraus legiskomt men echter pas toe als de wet en de gewone rechtsvindingsmethoden zijn uitgeput. Daarom heeft het Hof zich eerst verdiept in de vragen voor welke periode de tegen-tegenbewijsregeling geldt, of de Inspecteur zich er op kan beroepen en of dat beroep slaagt.
BNB2002/320 [11] volgt dat argumenten voor een standpunt die een partij in een eerdere fase expliciet onder ogen heeft gezien, maar toen niet heeft gebruikt, die argumenten in hoger beroep alsnog kan aanvoeren voor datzelfde standpunt, mits daarbij de procespositie van de anders partij niet wordt geschaad, met name de omvang van het geschil (in casu: de al dan niet aftrekbaarheid van de rente op de
LR loans) niet wordt gewijzigd:
BNB2010/71 betrof over de omvang van het geschil na een prejudiciële beslissing van het HvJ op een vraag van de feitenrechter: [12]
BNB2011/72 volgt dat een partij in opvolgende instanties andere standpunten dan in eerder instanties kan innemen, behalve als hij het desbetreffende standpunt ondubbelzinnig heeft prijsgegeven of aldus de goede procesorde schendt. [13]
BNB2013/241 oordeelde u dat een grief die een partij bij de rechtbank ondubbelzinnig prijsgeeft, daarna niet meer kan worden aangevoerd, tenzij de wederpartij de rechter uitdrukkelijk en ondubbelzinnig bericht daarmee in te stemmen: [14]
fraus legisin hoger beroep door de inspecteur nadat en hoewel de Inspecteur in de bezwaarfase het vertrouwen had gewekt zich niet op
fraus legiste zullen beroepen: [17]
fraus legis.
4.Principaal middel (ii): beroep op vertrouwen op het besluit BNB 2006/90
BNB2006/90, [23] mede gelet op toezeggingen van de Staatssecretaris, in de weg staan aan toepassing van art. 10a Wet Vpb, met name de tegen-tegenbewijsregeling van art. 10a(3)b Wet Vpb, op haar geval, waarin de renteaftrek in Nederland tegen 25,5% meer dan volledig werd gecompenseerd door de heffing bij [A] in Luxemburg naar 29,63% c.q. 28,59%. Het Hof is daar volgens haar ten onrechte aan voorbij gegaan. Dat onderin de structuur, bij het dividend op de [C] -prefs, een fiscale
mismatchbestond, is volgens de belanghebbende niet relevant bij de beoordeling van de rente-aftrek in Nederland. Het andersluidende oordeel van het Hof berust op onjuiste uitleg van doel en strekking van art. 10a Wet Vpb, van de toezeggingen van de Staatssecretaris en van het Besluit
BNB2006/90.
verweerdat het Hof in r.o. 5.7.10 en 5.13.5 wél is ingegaan op het beroep op Besluit
BNB2006/90. Het beroep op het vertrouwensbeginsel strandt volgens hem reeds omdat onderdeel 1.5 van het Besluit slechts ziet op de in art. 10a(1) Wet Vpb bedoelde rechtshandelingen, en belanghebbendes rechtshandeling valt onder art. 10a(2). Hij acht het te ver gaan om in gevallen waarop art. 10a(1) (oud) zag, renteaftrek te aanvaarden alleen omdat een ander land redelijk heeft. Hij acht onverenigbaar met doel en strekking én tekst van art. 10a Wet Vpb dat in zo’n geval het Besluit
contra legemwordt uitgelegd als vertrouwen wekkende dat de rente aftrekbaar is. Dat de fiscale
mismatchbij het prefs-dividend ‘s Hofs voornaamste grond zou zijn geweest om geen zakelijkheid aan te nemen, berust volgens hem op verkeerde lezing van ’s Hofs r.o. 5.9.9.3. Het is in ’s Hofs oordeel niet het hybride karakter van de prefs dat de structuur onzakelijk maakt, maar de zinloze tussenschakeling van de belanghebbende tussen [A] en [C] en het in samenhang daarmee aangaan van
LR loansdoor de belanghebbende. Dat staat volgens de Staatssecretaris ook in de weg aan beroep op gewekt vertrouwen. De tegen-tegenbewijsregeling is niet in art. 10a(3)(b) Wet Vpb opgenomen alleen om tariefarbitrage te voorkomen. De inspecteur moet aannemelijk maken dat aan de schuld of de daarmee samenhangende rechtshandeling niet overwegend zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Daarvan uitgaande heeft het Hof volgens de Staatssecretaris terecht geoordeeld dat de Inspecteur aan zijn bewijslast heeft voldaan.
repliekbetoogt de belanghebbende dat als de
safe harbourin Besluit
BNB2006/90 zelfs al gold voor de meest gekunstelde gevallen in art. 10a(1) (oud) Wet Vpb (schuldigerkenning), hij te meer moet gelden voor de minder gekunstelde gevallen in art. 10a(2) (oud) Wet Vpb (de besmette rechtshandelingen) waaronder belanghebbendes geval. Bovendien zijn 10a(1) en (2) Wet Vpb met de wetswijziging per 2007 samengevoegd in lid 1 en valt dus ook belanghebbendes geval onder lid 1.
dupliekreageert de Staatssecretaris op belanghebbendes stelling dat art. 10a(3)(b) Wet Vpb is ingevoerd om tariefarbitrage tegen te gaan en dat de tegen-tegenbewijsregeling dus niet voor het geval van belanghebbende is bedoeld. Die stelling miskent volgens hem dat de tegen-tegenbewijsregeling bedoeld is om constructies te bestrijden die primair op belastingbesparing zijn gericht. In casu gaat het geenszins om alleen een
mismatchzoals in
Triple dip(zie 5.15-5.16 hieronder), aldus de Staatssecretaris.
1.5. Veronderstelde zakelijke overwegingen in het kader van artikel 10a, eerste lid, van de Wet
safe harbourvoor compenserende-heffinggevallen: [26]
Jules Kortenhorst(CDA): […] Ook de aanpassing van artikel 10a in dezelfde nota van wijziging kan op onze steun rekenen. Ik deel de mening van de heer Irrgang dat agressieve omleidingsroutes die onze belastinggrondslag uithollen via eigen financieringsmaatschappijen in België of Cyprus een slechte zaak zijn, maar is de nota van wijziging niet wat grof? Neemt dit niet elke vorm van safe harbour voor nuttige belastingstructurering weg? Kan de staatssecretaris bevestigen dat een inspecteur alleen dan zal stellen dat een lening niet zakelijk is als het aangaan van de lening de vennootschap in staat stelt naar willekeur en desgewenst herhaald de heffing van Vpb te verijdelen en als er met betrekking tot de verstrekker van de lening sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen enkele economische betekenis heeft? Overigens is het enkele gegeven dat het tarief in het land van de ontvanger lager is dan in Nederland onvoldoende voor de stelling dat de lening onzakelijk is. Mijn fractie overweegt een amendement dat opnieuw de 90%-toets uit paragraaf 1.5 van het besluit van 23 december 2005 in dezen herintroduceert.
De Jager: […]. Ik heb aangegeven dat het de werking van deze antimisbruik-maatregel ernstig zou ondermijnen als de toepassing van artikel 10a werd beperkt tot volstrekt kunstmatige constructies. Kunstmatige opzetjes die primair gericht zijn op belastingbesparing, zouden dan namelijk gered kunnen worden door er een zakelijk nevendoel aan te verbinden. Dat kan niet de bedoeling zijn. Een absolute safe harbour voor 90% lijkt mij niet zinvol, zoals ik ook al in de brief heb aangegeven. Ik kan wel bevestigen dat een tariefsverschil van minder dan 10% voor de inspecteur op zichzelf geen aanleiding is om het zakelijke karakter van de transactie ter discussie te stellen. Maar als het om een evident onzakelijke constructie gaat waarbij bijvoorbeeld gebruik gemaakt wordt van een buitenlandse brievenbusmaatschappij, is er geen goede reden om artikel 10a sowieso niet toe te passen.”
De Jager: […] De heer Jules Kortenhorst vraagt ook nog om de toezegging dat bij artikel 10a de inspecteur bij heffing van 10% of meer het motief aannemelijk moet maken waarom de belastingplichtige de schuld aangaat. Ik hecht ook aan een goed vestigingsklimaat. Het is en blijft dan ook de hoofdregel dat de groepsrente aftrekbaar blijft. De gemiddelde belastingplichtige, die gewoon zakelijk bezig is, wordt niet getroffen door artikel 10a. Dat artikel is slechts van toepassing bij bepaalde, in de wet opgesomde constructies die bovendien leiden tot belastingbesparing. In artikel 10a ligt het draaipunt van de bewijslast bij een heffing van 10%. Beneden de 10% ligt de bewijslast voor de zakelijkheid bij de belastingplichtige. Vanaf de 10% ligt de bewijslast voor de onzakelijkheid bij de inspecteur. Ik zeg de heer Kortenhorst toe dat artikel 10a niet wordt toegepast als duidelijk is dat de belastingbesparing van ondergeschikt belang is. Dat betekent voor gevallen waarin sprake is van maar een klein tariefverschil, dat het tariefverschil op zichzelf beschouwd voor de inspecteur geen aanleiding is om de zakelijkheid van de transactie te onderzoeken, bijvoorbeeld als het tarief bij de renteontvanger 90% van het Nederlandse Vpb-tarief is. Als er met evident onzakelijke constructies wordt gewerkt waarbij bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van een buitenlandse brievenbusmaatschappij, is er geen goede reden om artikel 10a buiten toepassing te laten, ook al zou er sprake zijn van een dergelijke 90%-situatie.
Jules Kortenhorst(CDA): Dit is geen eenvoudige materie. Als ik de staatssecretaris goed begrijp, zegt hij nog steeds dat er uiteindelijk in geen enkele situatie een safe harbour is. Klopt dat?
De Jager: Bij voorbaat kunt u in principe niet uitgaan van een safe harbour op basis van uitsluitend het percentage aan belasting dat aan de andere kant wordt betaald door de renteontvanger. Dat kan niet bij voorbaat. Volgens mij heb ik in mijn toezegging duidelijk de mogelijke onzekerheid weggenomen over het feit dat het hier gaat om een verdere aanscherping van hetgeen wij altijd al hebben bedoeld. Er trad een onbedoeld effect op naar aanleiding van Werken aan winst waardoor wij onvoldoende mogelijkheden hadden om bepaalde constructies te bestrijden waarbij sprake was van een onzakelijke verhouding. Dat beoogt deze wetswijziging op dit punt terug te nemen.
Jules Kortenhorst(CDA): Dat apprecieer ik en daar heb ik geen problemen mee. In die bewijslast schat ik echter in dat er geen gelijkheid bestaat in positie tussen de inspecteur en de belastingplichtige. Ik blijf mij zorgen maken over het feit dat er toch uiteindelijk geen safe harbour te creëren is waarbij volstrekt redelijke constructies die niet zijn gericht op belastingomzeiling, mogelijk zijn. Ik moet mij in dezen voorbereiden om hierop in volgende rondes terug te komen.
voorzitter: Dat is interessant, maar daar had u geen interruptie voor hoeven plegen. Ik verzoek de staatssecretaris door te gaan.
De Jager: Er is inderdaad geen sprake van een gelijke bewijslast tussen inspecteur en belastingplichtige in die zin dat boven de 10% juist de belastinginspecteur in het nadeel is, omdat hij bewijs zal moeten leveren.
De Jager: […]. De heer Kortenhorst overwoog een amendement in te dienen inzake de bepaling voor de safe harbour. Ik kan hem toezeggen dat artikel 10a alleen geldt voor constructies die in dat artikel zijn omschreven en bovendien leiden tot belastingbesparing. In andere gevallen is artikel 10a niet van toepassing. Verder heb ik toegezegd dat dit artikel niet zal worden toegepast als duidelijk is dat de belastingbesparing van ondergeschikt belang is. Dit artikel is dus niet van toepassing op de constructies die de heer Kortenhorst op het oog heeft. Een safe harbour is niet nodig, gelet op mijn toezegging nu en ook in eerste termijn gedaan.”
De Vakstudie. [28] Hij omvat onder meer de volgende passage:
safe harbourwerd opgenomen en waarom de aanscherping meteen op 1 januari 2008 moest ingaan, ook in gevallen met gebroken boekjaren. Hij heeft daar ook verklaard dat het niet alleen om bestrijding van brievenbusconstructies ging, maar om elke ‘evident onzakelijke constructie’, en heeft herhaald dat ook al is de gefinancierde rechtshandeling zakelijk, de schuld nog steeds onzakelijk kan zijn, in welk geval renteaftrek uitgesloten zou moeten worden: [29]
BNB2014/79 [30] betrof Australische
redeemable profit shares(RPSs) waarop de vergoeding in Australié aftrekbaar was en in Nederland onder de deelnemingsvrijstelling viel, hetgeen de fiscus in strijd achtte met doel en strekking van de belastingwet. U overwoog:
BNB2020/120 [31] overwoog u over de vereisten voor toepassing
contra legemvan het vertrouwensbeginsel:
BNB1993/194 en 196), hetzij bij een buitenlandse heffing. Uit HR 20 september 1995,
BNB1996/5 blijkt bijvoorbeeld dat, indien ‘ter zake van de rente (…) belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven, die naar hier te lande geldende maatstaven als redelijk is aan te merken’, niet is voldaan aan de eis dat de vermindering van de winst in strijd is met doel en strekking van de wet. Dat is merkwaardig, omdat wettekst noch wetsgeschiedenis steun bieden voor de opvatting dat doel en strekking van de wet zouden inhouden dat aftrek van rente afhankelijk is van de heffing bij de crediteur. Kennelijk is de achterliggende gedachte dat strijd met doel en strekking van de wet minder prangend is wanneer de rente feitelijk onderworpen is aan een behoorlijke heffing.
BNB2006/90. Hij heeft vervolgens geoordeeld (r.o. 5.12.10) dat het beroep van de Inspecteur op de tegen-tegenbewijsregeling slaagt omdat hij met name met de in r.o. 5.1.29 opgesomde feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat de structuur niet overwegend op zakelijke motieven berustte. Dat impliceert het oordeel dat de geciteerde passage uit het Besluit
BNB2006/90 niet in de weg staat aan toelating van tegen-tegenbewijs in een geval waarin een compenserende heffing bestaat. Dat is een rechtsoordeel over de uitleg van die beleidsregel (die ‘recht’ is in de zin van art. 79 Wet Pro RO, zodat u over de eenvormige uitleg ervan gaat). Rechtsoordelen hoeven niet gemotiveerd te worden. Voor zover middel (ii) klaagt over motiveringsgebreken, lijkt het mij daarom ongegrond.
BNB2006/90 kan de belanghebbende mijns inziens niet baten. In de parlementaire geschiedenis van de tegen-tegenbewijsregeling is, zo bleek hierboven, talloze malen herhaald dat een compenserende heffing over de verschuldigde rente bij de ontvanger geen
safe harbouris, ook niet als die heffing nagenoeg gelijk is aan de Nederlandse, met name niet als het kennelijk gaat om evident onzakelijke constructies. Zie bijvoorbeeld het citaat in 4.11 hierboven: “Bij voorbaat kunt u in principe niet uitgaan van een safe harbour op basis van uitsluitend het percentage aan belasting dat aan de andere kant wordt betaald door de renteontvanger.” Dat de belanghebbende geen onderdeel is van tariefarbitrage met brievenbussen, zoals zij betoogt, is dus niet relevant. De wetgever wilde de Inspecteur de ruimte laten om “evident onzakelijke constructies” te frustreren. De in de parlementaire geschiedenis diverse keren genoemde tariefarbitrage met een brievenbusfirma “maar een voorbeeld” (zie 4.14 hierboven).
5.Middel (iii): fraus legis
fraus legis(strijd met doel en strekking van de wet) zou zijn voldaan als dat aan het subjectieve criterium (oogmerk van belastingverijdeling) bij haar zou zijn voldaan. Renteaftrek strijdt haars inziens niet met doel en strekking van het stelsel van de Wet op de vennootschapsbelasting zoals dat na het
Bosal-arrest van het Hof van Justitie van de EU moet worden opgevat omdat zij geen gekochte winsten op gekunstelde wijze heeft samengebracht met gekunstelde rentelasten. Het Hof is ten onrechte afgeweken van HR
BNB2017/162 (
Crédit Suisse; zie 5.12-5.14 hieronder) en HR
BNB2021/136 (
Triple dip; zie 5.16-5.17 hieronder). Uit
Crédit Suissevolgt expliciet dat zich geen
fraus legisvoordoet als het gebruik van het
Bosalgat leidt tot vermindering van belasting over andere dan gekochte winsten. Belanghebbendes obligatiewinsten niet zijn gekocht van derden. Ook winstdrainage zoals bedoeld in uw
Triple dip-arrest doet zich volgens de belanghebbende niet voor omdat vaststaat dat in Luxemburg (meer dan) compenserend is geheven over de rente. Haar obligatiewinsten zijn niet “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen” zoals bedoeld in dat arrest. ‘s Hofs overweging dat de [X] -portefeuille gekunsteld zou zijn omdat die ook rechtstreeks door [B] gekocht en gehouden had kunnen worden, miskent volgens de belanghebbende dat het belastingplichtigen vrij staat om hun economische belangen en financiële middelen onder te brengen in een Nederlandse vennootschap om redenen gelegen in de fiscale sfeer. Zij heeft zelf de inkomsten uit de obligatieportefeuille genoten. Die inkomsten zijn niet door kunstgrepen of gekunstelde handelingen aan haar toegerekend. Het fiscale voordeel voor [B] vindt zijn oorzaak in het hybride karakter van belanghebbendes [C] -prefs. Die
mismatch-voordelen zijn geen
fraus legisomdat zij geen strijd met doel en strekking van de Nederlandse wet opleveren, maar voortvloeien uit dispariteiten.
fraus legisbetreft, acht zij onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat een eventueel oogmerk van belastingverijdeling niet gericht zou zijn geweest op de heffing bij [B] , maar op de heffing bij de belanghebbende. Als er al zo’n oogmerk was, dan kan het alleen bij [B] hebben gelegen en niet bij de belanghebbende, die immers slechts een commerciële winst beoogde en realiseerde. Zonder de door de fiscus gewraakte transacties zou zij überhaupt geen winst hebben gemaakt en geen belasting verschuldigd zijn geweest.
verweerbestrijdt de Staatssecretaris dat uw arrest
Crédit Suisse(HR
BNB2017/162)
fraus legiszou beperken tot renteaftrek in mindering op 'gekochte winst'. Renteaftrek is evenzeer onverenigbaar met doel en strekking van de Wet Vpb als kunstmatig gecreëerde rentelasten worden afgezet tegen ‘anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen’, zoals bedoeld in uw
Triple dip-arrest HR
BNB2021/136. De belanghebbende miskent dat voor de constatering van gekunsteldheid alleen relevant is of de constructie
desgewenstnaar believen
kanworden herhaald. Het Hof heeft terecht niet bewezen geacht dat marktomstandigheden en reguliere en zakelijke limieten in betekende mate in de weg zouden staan aan herhaling van de litigieuze renteaftrek-constructie. Uit
Triple dipvolgt dat de financieringsvrijheid van de belastingplichtige wordt ingeperkt door
fraus legisen in misbruikgevallen dus niet tot rentaftrek leidt.
repliekerkent de belanghebbende dat renteaftrek in het
Bosalgat niet onbegrensd is en niet mogelijk is tegenover “gekochte winsten” (
Crédit Suisse; HR
BNB2017/162) en “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen” (
Triple dip; HR
BNB2021/137). Vast staat echter dat haar winsten niet “gekocht” zijn en, anders dan de Staatssecretaris en het Hof, ziet zij evenmin gekunsteldheid in haar obligatierendement. Onjuist is ’s Hofs oordeel dat de structuur naar willekeur of nagenoeg onbegrensd haar fiscale winst zou kunnen verminderen, want de transacties hebben haar vermogens- en risicopositie wel degelijk veranderd. Haar geval is in elk geval niet gekunstelder dan het deel van de
Crédit Suissecasus dat over dier eigen winsten ging en waarin renteaftrek wél werd toegestaan. Zou ’s Hofs
fraus legis-oordeel stand houden, dan meent de belanghebbende dat ook de voordelen uit de constructie (het rendement op de [X] -portefeuille) uit haar fiscale winst moeten worden geëlimineerd.
BNB2001/196 (
market maker) [34] besliste u dat de bereidheid om als financiële dienstverlener mee te werken aan belastingverijdeling door een ander geen grond is om antifiscale motieven aan te nemen bij die dienstverlener:
Bosal, [35] verklaarde het HvJ mijns inziens ten onrechte voor recht dat de vestigingsvrijheid zich zou verzetten tegen uitsluiting van aftrek van rente op lening-financiering van deelnemingen wier winsten niet onderworpen kunnen worden in de beoogde aftrekjurisdictie.
BNB2015/165 (
Mauritius) [36] betrof een onzakelijke omleiding van de financiering van een zakelijke acquisitie. U overwoog onder meer als volgt over de vraag om wiens beweegredenen het gaat en over de verhouding tussen de financieringsvrijheid van de belastingplichtige en de misbruikgrenzen:
BNB2016/197 [37] (Italiaanse Telecom) betrof een zakelijke beurs-exit uitgevoerd door een Italiaanse
bid companydie via de Nederlandse belanghebbende gelieerd werd gefinancierd vanuit het Zweedse concern. U overwoog onder meer dat een belastingplichtige mag kiezen om “zijn economische belangen en (financiële) middelen onder te brengen in een in Nederland gevestigde vennootschap, ook al wordt die keuze bepaald door omstandigheden die zijn gelegen in de sfeer van de belastingheffing”:
Italiaanse Telecom-arrest overwoog u verder als volgt over de vraag bij wie de compenserende-heffingstoets in art. 10a(3)(b) Wet Vpb moet worden uitgevoerd:
Italiaanse Telecom-arrest oordeelde u tenslotte ook dat art. 10a Wet Vpb op zichzelf beschouwd (los van het gecombineerde effect met een fiscale eenheid) de EU-rechtelijke vrijheid van vestiging niet beperkt:
Crédit-Suisse-arresten HR
BNB2017/162 [38] , 163 en 164 expliciteerden dat exploitatie van het ten onrechte door het HvJ EU veroorzaakte
Bosalgat begrensd wordt door het verbod op misbruik van recht,
i.e.dat het ophoudt waar
fraus legisbegint. De zaak betrof een bestaande leningenstructuur vanuit een Britse vaste inrichting aan een Britse groepsvennootschap die werd omgeleid langs een Nederlandse fiscale eenheid (de belanghebbende) om afgezet te worden tegen heffing over te realiseren vermogenswinsten op van derden aangekochte “winstvennootschappen” met fiscale latenties, dus “vanwege een doorslaggevend fiscaal motief”. Voor zover de rente in Nederland werd afgezet tegen “door het concern ‘gekochte’ winsten” stond
fraus legisdaaraan in de weg, ongeacht een compenserende heffing bij de Britse gelieerde crediteur. Maar voor zover de rentekosten de “gekochte winsten” overtroffen, dus voor zover het om een eigen marge voor financiële dienstverlening door de aangekochte belanghebbenden ging, kon volgens u niet worden gezegd dat het
Bosalgat werd misbruikt om vennootschapsbelasting te frustreren:
Crédit Suisse-arresten achtte u beperking van de EU-verdragsvrijheden gerechtvaardigd als die noodzakelijk is om misbruik van recht te voorkomen:
Crédit Suisse-zaken lag opgeslagen in 87 door het concern aangekochte “winstvennootschappen” die hun winst hadden opgebouwd voordat ze werden aangekocht om in de constructie te worden opgenomen. In de zaak HR
BNB2017/164 [39] daarentegen werden de rentekosten afgezet tegen het rendement op een overgedragenobligatieportefeuille. Voor fiscale doeleinden werd de overdracht van die portefeuille door het Hof zonder betekenis geacht, onder meer omdat het economische belang bij de portefeuille niet was overgegaan. Deze fiscale kwalificatie van het samenstel van transacties bracht volgens het Hof mee dat het bij de belanghebbende in het litigieuze jaar in aanmerking te nemen voordeel cijfermatig was gelijk te stellen aan het verschil tussen de gerapporteerde obligatiebaten en de gerapporteerde rente. U onderschreef de fiscale kwalificatie van de feiten en overwoog dat het resultaat dat bij de belanghebbende resteerde na die kwalificatie slechts kon worden “verklaard als vergoeding voor diensten die door belanghebbende (en de met haar gevoegde dochtermaatschappijen)” aan de economische eigenaren van de obligatieportefeuille waren verricht. Van
fraus legiswas in zovere geen sprake, zodat volgens u de rente aftrekbaar was voor zover zij in mindering kwam op de door belanghebbende ontvangen vergoeding voor diensten:
BNB2017/162; zie 5.12-5.14 hierboven; PJW]. De overige middelen van belanghebbende behoeven daarom geen behandeling.”
BNB2017/164 overeenkomsten vertoont met de litigieuze constructie (gekunsteld gealloceerde rentelasten afzetten tegen rendementen op een obligatieportefeuille) is de zaak door de fiscale kwalificatie (waardoor de beoogde fiscale allocatie van het obligatierendement niet doorging) wezenlijk anders dan die van de belanghebbende. Dat u in HR
BNB2017/164 geen reden zag voor toepassing van
fraus legiswil dus niet zeggen dat daarvoor in de onderhavige zaak ook geen reden is.
BNB2021/136 [40] (
Aonof
Triple dip) heeft u het in
Italiaanse Telecom(zie 5.9-5.11 hierboven) gegeven beoordelingskader voor het onderzoek naar de motieven voor de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling herhaald. De zaak betrof opnieuw de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(
a) Wet Vpb, maar ik zie niet waarom het anders zou zijn bij de tegenbewijsregeling in art. 10a (3)(
b) Wet Vpb:
Triple dip-arrest ging u ook weer in op de verhouding tussen het
Bosalgat en
fraus legis. Gebruik van het
Bosalgat is niet alleen
fraus legisals gekunsteld rentelasten worden afgezet tegen gekochte winsten, maar ook als zij worden afgezet tegen “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen:”
Crédit Suisse; PJW]
Bosalgat heeft twee ingangen omdat het ontstaat uit “een asymmetrische behandeling van enerzijds baten en anderzijds de met die baten samenhangende lasten” (zie r.o. 3.2.3.4 van
Crédit Suissein 5.12 hierboven en r.o. 3.8.1 van het
Triple dip-arrest).
Crédit Suisseen
Triple dipgingen over gekunsteld georganiseerde
baten(“gekochte winsten” en “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen”). In HR
BNB2021/137 (
Hunkemöller) [41] ging het om gekunsteld georganiseerde
lasten(omzetting van eigen vermogen van het concern in vreemd vermogen jegens de Nederlandse belanghebbende waarop rente betaald werd aan een synthetische
tax haven). Ook
Hunkemöllerbevestigt dat de financieringsvrijheid van de belastingplichtige ophoudt waar diens misbruik van recht (
fraus legis) begint: als aan de criteria van
fraus legiswordt voldaan, wordt die vrijheid beperkt ter voorkoming van niet-aanvaardbare gevolgen (winstdrainage) van die misbruikte vrijheid:
Hunkemöller-arrest HR
BNB2021/137 blijkt dat antifiscale structurering (net) buiten bereik van de antimisbruikbepalingen van art. 10a Wet Vpb niet meebrengt dat de structuur dan ook gevrijwaard is van de kwalificatie
fraus legis. Dat een bepaalde casus niet onder een gecodificeerde antimisbruikbepaling valt, wil niet zeggen dat hij ook niet onder een ongeschreven algemeen antimisbruikleerstuk valt, tenzij die codificatie tevens een
safe harbourimpliceert voor alles wat (net) buiten haar bereik valt. U overwoog:
Hunkemöllerdat uw rechtspraak op het grensgebied van art. 10a Wet Vpb en
fraus legis(
frausWet Vpb) te onduidelijk is over welke nu precies de normschending is als
fraus legiswordt toegepast hoewel de casus van het type is waarop art. 10a Wet Vpb is gericht, maar door die bepaling niet wordt getroffen. U zou in verband met de vereiste rechtszekerheid voor de praktijk met “meer chirurgische precisie” moeten aangeven waar de normschending zit als u
fraus legisaanneemt in een geval waarin het einddoel van de structuur zakelijk is en die structuur niet getroffen wordt door de renteaftrekbeperkingen van art. 10a (ik laat voetnoten weg):
4.Conclusie
fraus legisconstateerde: bij een commercieel onverklaarbare gelieerde lening is per definitie geen sprake van één van de commercieel mogelijke wegen waaruit de belastingplichtige vrij kan kiezen op al dan niet fiscale gronden. Een commercieel onverklaarbare interne lening is immers géén commerciële weg, maar een puur antifiscale weg. Commercieel onverklaarbare gelieerde leningen liggen buiten het gebied van de meerwegenkeuze. Een keuze voor zo’n financiering is per definitie antifiscaal en leidt per definitie tot kunstmatige lasten waarvoor de algemene regel dat kosten aftrekbaar zijn niet bedoeld kan zijn.
Hunkemöllerwel degelijk sprake was van een antifiscale omleiding zoals bedoeld in het
Mauritius-arrest: in het concern beschikbaar eigen vermogen van beleggers werd gekunsteld, door middel van een commercieel onverklaarbare omweg langs een synthetische
tax haven,omgezet in vreemd vermogensfinanciering van de met de target te voegen overnameholding om renteaftrek zonder
pick upte creëren die de
targetwinsten uitgumde. Mij lijkt de in die zaak gekozen weg niet te behoren tot de groep van
commercieelzinvolle wegen waaruit
vervolgensde fiscaal voordeligste gekozen kan worden. De geschonden norm lijkt mij evenmin onduidelijk: een (rente)last moet een
niet-fiscale causa hebben om fiscaalrechtelijk als ondernemingslast te kunnen gelden. Die norm blijkt ook uit onder meer HR
BNB2015/165 (
Mauritius), HR BNB 1996/4 en HR
BNB2009/123: fiscaalrechtelijk kan niet als ondernemingslast erkend worden de rente op een kunstmatig vanuit eigen concernvermogen omgezette intraconcernlening die geen reële (i.e. andere dan antifiscale) functie vervult in de financiering van die onderneming.
joint venture(r.o. 5.9.9.3). Hij heeft geoordeeld (r.o. 5.12.10) dat de belanghebbende het oogmerk had om met de rente op de ter financiering van de [C] -prefs aangegane
LR Loanste bewerkstelligen dat Nederlandse winstbelasting over het rendement op de [X] -portefeuille zou worden ontgaan (winstdrainage). Het Hof acht aannemelijk geworden dat de met de LR Loans gecreëerde rentelast doorslaggevend dienden om de wettelijk voorziene heffing van belasting te verijdelen (r.o.5.12.2).
Crédit Suisse(zie 5.12-5.14 hierboven) volgt ook dat bij geldomleidingen door tussenschakeling van een BV in Nederland, zoals ook in casu (de belanghebbende werd immers tussen [C] en [A] geschoven [43] ) de antifiscaal tussengeschovene niet kan doen alsof zij niets te maken zou hebben met de antifiscale motieven van de tussenschuiver(s):
Hunkemöller(zie 5.17-5.18 hierboven) oordelen dat voldaan was aan het motiefvereiste in een geval waarin de belanghebbende was tussengeschakeld (r.o. 4.2.7):
Market maker-arrest HR
BNB2001/96 (zie 5.6 hierboven) is niet relevant voor haar geval. Zij is geen onafhankelijke financiële dienstverlener met een eigen, geheel commercieel marge-belang, die niet geïnteresseerd hoeft te zijn in en zelfs geen weet hoeft te hebben van mogelijke onzakelijke motieven van de derden die bij hem aankloppen voor een tussen de dienstverlener en die derde geheel zakelijke transactie.
fraus legis, dus over de bewijsoordelen van het Hof, haar geen perspectief op cassatie bieden.
Bosalgat-exploitatie gekunstelde intraconcern-rentelasten afgezet tegen “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen” in de zin van uw
Triple dip-arrest HR
BNB2021/136 (zie 5.15-5.16 hierboven), c.q. werden “enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten bij elkaar gebracht” waarmee willekeurig en voortdurend belasting kon worden verijdeld door voor het bereiken van op zichzelf beschouwd zakelijke doeleinden onnodige rechtshandelingen te bezigen die enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende motief van het bewerkstelligen van de beoogde fiscale gevolgen in de zin van uw
Hunkemöller-arrest (HR BNB 2021/137; zie 5.17-5.18 hierboven)?
Hunkemölleren
Triple dip. In het laatste arrest oordeelde u met de feitenrechter en het parket dat zich géén
fraus legisvoordeed omdat (r.o. 3.8.3) “de aftrek van de (…) rente (…) niet ertoe [leidt] dat die rentelasten worden afgezet tegen gekochte winsten of tegen anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen.” Ik merk op dat in die zaak de rentelasten niet gekunsteld waren, maar betaald werden op leningen die een normale rol in de ondernemingsfinanciering speelden (dat laatste was in
Hunkemöllerniet het geval: daar was de lening gekunsteld in vreemd vermogen omgezet en omgeleid eigen vermogen).
Triple dipimpliceert dat
fraus legisniet alleen grenzen stelt aan antifiscale exploitatie van het
Bosal-gat in het geval van fiscale drainage van “gekochte winsten”, maar ook in het geval van fiscale drainage van “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen” en dat die twee gevallen dus niet gelijk zijn, maar dat het tweede geval de ruime categorie is die mede het eerste geval (geheel) omvat.
Bosal-gat die daarna voortdurend en naar believen verder open of dicht gezet kon worden.
Hunkemöller, waarin u in r.o. 4.2.8 overwoog (zie 5.17 hierboven) dat doel en strekking van de Wet Vpb zich ertegen verzetten dat heffing van vennootschapsbelasting willekeurig en voortdurend wordt verijdeld “door het bij elkaar brengen van enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten (winstdrainage)” met rechtshandelingen die “voor het bereiken van op zichzelf beschouwd zakelijke doeleinden – (…) niet noodzakelijk zijn en enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende motief van het bewerkstelligen van de beoogde fiscale gevolgen.” Het Hof heeft daarmee aangegeven dat de litigieuze constructie
beideingangen in het
Bosal-gat gekunsteld exploiteert:
zowelgekunstelde rentelasten
alsgekunsteld met die rentelasten samengebrachte winsten.
Triple dipgeformuleerde ruime categorie “anderszins op gekunstelde wijze tot stand gekomen voordelen”. Hoe dan ook houdt ’s Hofs oordeel mijns inziens in dat ook de LR loans en daarmee de rentelasten gekunsteld bij de belanghebbende tot stand gebracht zijn.
Hunkemöllergegeven kwalificaties (i) gekunstelde rentelasten en (ii) commercieel onnodige en doorslaggevend fiscaal gemotiveerde rechtshandelingen waarmee (iii) naar willekeur en voortdurend belastingheffing kon worden verijdeld. Het Hof heeft dat met name gedaan in zijn overwegingen (r.o. 5.15.10) dat belanghebbendes winst naar willekeur en herhaalbaar wordt verminderd, terwijl zonder de door [D] en [B] opgezette structuur vennootschapsbelasting zou worden geheven over de in de structuur opgenomen [X] -obligatieportefeuille en dat de gekunsteldheid en herhaalbaarheid van het bijeenbrengen van obligatierendement en renteaftrek (ook) tot uiting komt in:
Crédit Suissede rente-aftrek niet misbruikelijk achtte voor zover afgezet tegen eigen winsten van de belanghebbenden, doet daar niet aan af. In de
Crédit Suisse-zaken ging het op dat punt niet om gekunsteld naar de belanghebbenden gedirigeerde rendementen van elders in het concern
omeen gecreëerd Bosal-gat te kunnen exploiteren, maar om een eigen marge voor de financiële dienstverlening door de belanghebbenden. Juist in het feit dat het in casu gaat om op gekunstelde wijze bij de belanghebbende met een gekunstelde lening en onbelast deelnemingsdividend samengebracht rendement gaat, onderscheidt belanghebbendes geval zich van de eigen marges van de aangekochte belanghebbenden in de
Crédit Suisse-zaken.
fraus legis, dan ook het met de leningen gefinancierde obligatierendement onbelast zou moeten blijven, snijdt uiteraard geen hout. Die stelling houdt volledige ontkenning van
fraus legisin: het veronachtzamen van dat rendement zou immers tot precies het onaanvaardbare gevolg leiden dat
fraus legisjuist moet voorkomen, nl. precies hetzelfde gevolg als het wél in aftrek toelaten van de frauslegiaanse rentelast. In die innerlijk tegenstrijdige benadering zou in
Crédit Suissede aangekochte Nederlandse winst vrijgesteld zijn en zou in
Hunkemöllerde Nederlandse winst van de
targetvrijgesteld zijn, zodat in die beide gevallen de Nederlandse heffing over die Nederlandse winsten wél verijdeld zijn en toepassing van
fraus legisdus slechts de kat zijn staart zou inhouden.
fraus legisook geldt voor de periode na 1 januari 2008 (aldus ook de Rechtbank), voor welke periode het Hof die kwalificatie niet heeft gebruikt omdat hij aftrek al uitgesloten achtte op basis van door de Inspecteur geleverd tegen-tegenbewijs zoals bedoeld in art. 10a(3)(b) Wet Vpb.
6.Principaal middel (iv) – EU-recht – HvJ Lexel AB
Lexel AB-arrest [44] van het Hof van Justitie van de EU, waarin dat Hof een onevenredige Zweedse anti-winstdrainageregeling in strijd achtte met de vestigingsvrijheid omdat de rente op de gelieerde lening wel aftrekbaar zou zijn geweest als de rente-ontvanger niet in Frankrijk maar in Zweden zelf gevestigd was geweest. De belanghebbende acht de door Hof Amsterdam genoemde verschillende tussen de Zweedse regeling en art. 10a Wet Vpb onvoldoende om de benadering in
Lexel ABniet ook in haar geval van toepassing te achten. Evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden acht zij in haar geval geen rechtvaardiging voor aftrekweigering. Het EU-rechtelijke evenredigheidsbeginsel brengt mee dat als aftrek al geweigerd kan worden, die weigering beperkt moet blijven tot het deel van de rente dat uitgaat boven de rente die niet-gelieerde partijen zouden zijn overeengekomen. Art. 10a Wet Vpb en
fraus legismoeten conform het Unierechtelijke misbruikbegrip worden uitgelegd en van misbruik in die zin is volgens de belanghebbende geen sprake omdat uit
Lexel ABvolgt dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie als de voorwaarden van de gewraakte transacties geheel marktconform zijn, zoals in casu. Het Unierechtelijke misbruikbegrip sluit daarom tegen-tegenbewijs en
fraus legisin haar geval uit, aldus de belanghebbende.
verweerbetoogt de Staatssecretaris dat, nu het Hof heeft geoordeeld dat het om misbruik van recht gaat, het eveneens terecht heeft geoordeeld dat geen beroep op EU-recht open staat. Hij meent dat het misbruikbegrip van art. 10a Wet Vpb zich beweegt binnen de kaders van het Unierechtelijke misbruikbegrip, met name bij zijn toepassing op belanghebbendes geval omdat op basis van de feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd tot een 'evident onzakelijke constructie'. De tegen-tegenbewijsregeling en de compenserende-heffingstoets maken volgens de Staatssecretaris geen verkapt onderscheid tussen binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen. Uit HvJ
Lexelvolgt zijns inziens niet dat renteaftrekweigering uitgesloten wordt als de leningvoorwaarden zakelijk zijn. Hij acht de gewraakte Zweedse anti-winstdrainageregeling ook niet vergelijkbaar met art. 10a Wet Vpb. De Unierechtelijke zakelijkheidstoets voor de identificatie van misbruik staat volgens de Staatssecretaris niet alleen toe om (i) renteaftrek te corrigeren voor zover de rentevoet of andere leningvoorwaarden niet
arm’s lengthzijn, maar ook om (ii) renteaftrek volledig te weigeren als de schuld tussen willekeurige derden niet aangegaan zou zijn omdat de lening zelf onzakelijk is.
repliekdat de vraag of toegang tot het Unierecht bestaat, beoordeeld moet worden op basis van het Unierechtelijke misbruikbegrip. De betekenis van de term “evident onzakelijke constructie” in de Nederlandse parlementaire geschiedenis is daarbij dus niet van belang. Volgens de belanghebbende heeft u in HR
BNB2013/137 en HR
BNB2016/197 slechts geoordeeld dat art. 10a Wet Vpb strookt met Unierecht voor zover het zich richt tegen volstrekt kunstmatige constructies in EU-rechtelijke zin, daarbij in aanmerking nemende de toenmalige tegenbewijsregeling van art. 10a(3) Wet Vpb, die toen nog geen tegen-tegenbewijsregeling omvatte. De belanghebbende herhaalt dat HvJ
Lexelwel degelijk relevant is omdat volgens haar ook art. 10a Wet Vpb, net als de gewraakte Zweedse regeling, veel breder werkt dan alleen bij volstrekt kunstmatige constructies.
dupliekherhaalt de Staatssecretaris dat bij evident onzakelijke constructies, zoals de litigieuze, geen beroep kan worden gedaan op het Unierecht. De rente-aftrek zou volgens hem evenzeer worden geweigerd als de geldverstrekker een normaal belaste vennootschap in Nederland zou zijn geweest, zodat de tegen-tegenbewijsregeling geen al dan niet verkapt onderscheid maakt tussen binnen- en buitenlanders. Anders dan de belanghebbende, ziet de Staatssecretaris wel degelijk verschillen tussen de Zweedse regeling in HvJ
Lexel ABen art. 10a Wet Vpb. Volgens hem zouden de
LR loansniet tot stand zijn gekomen tussen willekeurige derden.
fraus legisonderscheid maakt tussen binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen. Van enige schending van enige verkeersvrijheid is mijns inziens daarom geen sprake. Hoe dan ook kan het EU-recht volgens vaste rechtspraak niet dienen om misbruik van recht af te dekken. Voor zover de belanghebbende betoogt dat art. 10a Wet Vpb of de toepassing van
fraus legiseen
overkillzou inhouden zoals gewraakt door het HvJ in de zaak
Lexel AB, meen ik dat dat betoog onjuist is. Art. 10a Wet Vpb heeft - ook volgens het HvJ in de Nederlandse zaak X NV en X BV [45] - ‘onmiskenbaar’ tot doel belastingontwijking tegen te gaan, en het legt de initiële bewijslast van verdachte omstandigheden op de fiscus en laat in alle standen individueel tegenbewijs toe volgens de vrije bewijsleer, dus zonder procedurele belemmeringen of andere onnodige bemoeilijking. De toepassing van
fraus legisis per definitie geschikt en evenredig om misbruik te bestrijden omdat zij per definitie alleen op frauslegiaanse gevallen kan worden toegepast waarbij alle relevante omstandigheden van het individuele geval in de beoordeling moeten worden betrokken. Het EU-rechtelijke misbruikbegrip bevat dezelfde subjectieve en objectieve criteria als
fraus legisen het HvJ aanvaardt wel degelijk ook
targeteduitsluitingen van categorieën verdachte constellaties mits steeds tegenbewijs mogelijk is zonder belemmeringen en de maatregel niet verder gaat dan nodig is om het misbruik weg te nemen. [46]
Lexel AB, verwijs ik voor de ongegrondheid daarvan naar de volgende passages uit de conclusie in de bij u aanhangige zaak met rolnummer 20/03946 [47] (voor de voetnoten verwijs ik naar de originele conclusie):
targetdoor het beleggingsfonds. Het gaat om de zakelijkheid van de combinatie de concrete transacties, met name de omzetting van eigen beleggingsvermogen in vreemd vermogen verstrekt door een gelieerde entiteit waarbij die transacties zodanig vorm zijn gegeven dat een
deduction/no inclusiongeval ontstaat, althans het vermoeden daarvan gerechtvaardigd is en de bewijslast van het tegendeel dus bij de belanghebbende ligt. De ‘realiteit’ van de fondsstructuur doet daarvoor niet ter zake.
Lexel ABen op het EU-rechtelijke rechtszekerheidsbeginsel zoals door het HvJ toegepast in de zaak
SIAT.
Lexel ABbetreffende een in Zweden gevestigde groepsvennootschap die voor een interne verhanging leende bij een Franse groepsvennootschap BF met fiscale verliezen waartegen de door Lexel betaalde en in Zweden afgetrokken rente tegen werd afgezet. De Zweedse fiscus weigerde de renteaftrek op grond van een anti-BEPS-maatregel. De Zweedse rechter stelde het HvJ vragen over de verenigbaarheid daarvan met de vrijheid van vestiging. Het HvJ overwoog onder meer, verwijzende naar
Cadbury Schweppesen de Nederlandse zaak
X BV en X NV, dat een beperking van de vrijheid van vestiging slechts door antimisbruikoverwegingen kan worden gerechtvaardigd als zij er specifiek toe strekt volstrekt kunstmatige constructies te verhinderen die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. Verwijzende naar
Thin Cap GLO, overwoog hij verder dat (i) bij de vaststelling of een transactie een volkomen kunstmatige constructie voor belastingdoeleinden is, de belastingplichtige in staat moet worden gesteld om zonder buitensporige administratieve lasten bewijs aan te dragen met betrekking tot de eventuele commerciële redenen voor die transactie en (ii) dat, mocht het onderzoek van dat bewijs ertoe leiden dat de transactie een louter kunstmatige constructie is waaraan geen echte commerciële redenen ten grondslag liggen, het evenredigheidsbeginsel eist dat de aftrekweigering wordt beperkt tot de rente boven het bedrag dat in ongelieerde verhoudingen zou zijn overeengekomen. Over de specifieke Zweedse regeling overwoog hij (
curs. PJW):
Thin Cap GLOwaarnaar het HvJ in de zaak
Lexel ABmeer malen verwijst (curs. PJW):
Lexel ABwordt mijns inziens dan ook verklaard doordat het in
Lexelalleen nog over de lening
voorwaardenging omdat kennelijk niet bestreden werd dat zowel de interne verhanging in die zaak als het aangaan van de gelieerde schuld overwegend zakelijk waren. In belanghebbendes geval daarentegen is de zakelijkheid van de financieringsstructuur zelf in geschil; niet de voorwaarden van de lening. De Zweedse fiscus weigerde kennelijk blind – dus onevenredig – aftrek als een niet-onderworpen groepsvennootschap in een verliespositie een lening verstrekt aan een Zweedse winstvennootschap, zulks hoewel in een vergelijkbaar binnenlands geval die aftrek automatisch bereikt werd als de Zweedse regeling van groepsbijdragen (winstoverheveling) tussen groepsvennootschappen gebruikt kon worden. Betaling aan een gelieerde verliesvennootschap was grensoverschrijdend dus steeds misbruik en binnenslands in beginsel nooit. Dat is evident discriminatoir en
overkill. Dan blijft inderdaad alleen nog de mogelijkheid over dat de leningvoorwaarden niet deugen, zodat het HvJ alleen daarop inging. In belanghebbendes geval daarentegen zijn de leningvoorwaarden irrelevant omdat het om de creatie van de interne lening zelf gaat (de ‘omleiding’). Als de omleiding en omzetting van eigen vermogen in vreemd vermogen zelf al kunstmatig en misbruikelijk is, komt men aan beoordeling van de leningvoorwaarden niet toe.
Lexelonder meer als volgt:
profit shifting’ beschouwt de schijnbare algemeenheid van de geciteerde r.o. 56 van het arrest
Lexelals evident onjuist, althans misleidend:
par consequent; consequently; folglich; por consiguiente) geen volkomen kunstmatige of fictieve constructies vormen”. Maar het woord ‘dus’ is hier misplaatst. Ook marktconforme interne leningen kunnen heel wel kunstmatig en antifiscaal zijn: de lening kan commercieel onverklaarbaar zijn (geen reële financieringsbehoefte bij de inlener) of zij kan antifiscaal omgeleid zijn binnen het concern, in dit geval naar Frankrijk, waar geen belasting werd betaald. Gegeven dat
Lexelgeen niet-fiscale redenen kon aanvoeren om aandelen in de Belgische dochter te kopen en die te financieren met een Franse groepslening, ging zij die transacties kennelijk aan om aftrekbare rentebetalingen naar een onbelaste groepsvennootschap te creëren. Het Hof lijkt niet te zien dat een marktconforme groepslening zelf onzakelijk kan zijn of onzakelijk omgeleid kan zijn.”
Lexelstrandt mijns inziens overigens al op het gegeven dat, zoals hierboven opgemerkt, art. 10a Wet Vpb ook qua bewijslast geen onderscheid maakt tussen grensoverschrijdende en interne gevallen en de belanghebbende in cassatie geen beroep doet op de per-elementbenadering van de fiscale eenheid. In tegenstelling tot zijn oordeel over de Zweedse regeling aan de orde in
Lexel, heeft het HvJ bovendien, zoals hierboven al bleek, ter zake van art. 10a Wet Vpb in de Nederlandse zaak
X BV en X NVgeoordeeld dat die bepaling wél, zelfs ‘onmiskenbaar’ tot doel heeft belastingontwijking tegen te gaan (en niet slechts belastingderving). In
Lexeloverwoog het HvJ (r.o. 53) dat “het specifieke doel van de uitzondering niet bestaat (…) in de bestrijding van volstrekt kunstmatige constructies, noch is de toepassing ervan beperkt tot dergelijke constructies”. Dat is dus anders bij art. 10a, dat bovendien geen onderscheid maakt, anders dan de combinatie van de Zweedse regels in geschil in de zaak
Lexel.
7.Het voorwaardelijk incidentele beroep van de Staatssecretaris – de renteswaps
fraus legis-oordeel, richt de Staatssecretaris incidenteel beroep in cassatie tegen ‘s Hofs oordeel dat de belanghebbende een compenserende Luxemburgse heffing in de zin van art. 10a(3)(b) Wet Vpb aannemelijk heeft gemaakt.
swaps, wezenlijk een grondslagrondje inhoudt waardoor feitelijk niet compenserend wordt geheven in Luxemburg. Over de rente wordt bij [A] niet compenserend geheven omdat [A] de rente
swaphaar verplicht tot betaling van een bedrag aan [C] , en bij haar wordt evenmin compenserend geheven doordat de vergoedingen op belanghebbendes prefs bij [C] aftrekbaar zijn. Het Hofoordeel leidt tot de volgens de Staatssecretaris onaanvaardbare conclusie dat ook aan de compenserende heffingstoets is voldaan als een (hoge) vaste rente wordt betaald aan een verbonden crediteur in een land met een voldoende hoog winstbelastingtarief, hoewel die crediteur de rentebate weg
swaptnaar een verbonden lichaam in een
tax havenin ruil voor een lage variabele rente. In strijd met doel en strekking van de wet wordt dan niet compenserend geheven over in Nederland afgetrokken rente, aldus de Staatssecretaris.
verweernaar de feitelijke vaststelling van het Hof dat zich geen circulaire rentebetalingen voordoen: een
swapis geen lening en [A] heeft feitelijk niet betaald op de
swap. De Staatssecretaris verwijst volgens de belanghebbende ten onrechte naar HR
BNB2016/197 omdat uit dat arrest juist volgt dat het bij ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ verschuldigd zijn van rente moet gaan om daadwerkelijk doorbetalen van ontvangen rente in de vorm van rente op een andere, parallelle lening. Daarvan is in casu geen sprake, aldus de belanghebbende.
repliekblijft de Staatssecretaris erbij dat [C] door de rente
swapsverzekerd was van een vast bedrag aan rente op haar obligatieportefeuille, waaruit zij de dividenduitkeringen aan belanghebbende deed; dat volgt uit r.o. 2.32.2 van de Rechtbank, zoals overgenomen in r.o. 2.1 van het Hof.
dupliekblijft de belanghebbende er bij dat de feitenrechters feitelijk hebben vastgesteld dat de renteswapovereenkomsten niet verzekerden dat [C] een vast rentebedrag ontving om de dividenduitkeringen aan belanghebbende te doen en dat de door de fiscus gestelde circulariteit van transacties niet bestaat
geswaptnaar [C] . De Rechtbank (r.o. 4.49) lijkt echter het tegenovergestelde te hebben vastgesteld: